Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
C-09-470037 - FA RK 14-5543
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie.verlenging termijn partneralimentatie. artikel 1:401, tweede lid BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-5543

Zaaknummer: C/09/470037

Datum beschikking: 6 februari 2015

Alimentatie

Beschikking op het op 17 juli 2014 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. I. Gerrand te Eindhoven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het faxbericht d.d. 6 september 2014 van de zijde van de man;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 27 november 2014 van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen d.d. 28 november 2014 van de zijde van de vrouw.

Op 12 december 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de heer [naam], tolk in de Engelse taal en de vrouw met haar advocaat en de heer [naam], tolk in de Engelse taal. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht d.d. 30 december 2014 van de zijde van de man;

- de brief met bijlage d.d. 6 januari 2015 van de zijde van de vrouw.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt – met wijziging van de beschikking d.d. 30 november 2011 van het Gerechtshof ʼs-Gravenhage –:

- te bepalen dat de verplichting van de man om aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud te voldoen wordt verlengd tot 25 augustus 2023, dan wel een zodanige termijn en een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw baseert haar verzoek op artikel 1:402 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), althans artikel 1:401 lid 4 BW.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hij heeft de rechtbank verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel haar verzoeken in het geheel af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum huwelijk] tot [datum echtscheiding].

- Beide partijen zijn Brits burger.

- Bij beschikking van het gerechtshof ʼs-Gravenhage d.d. 30 november 2011 is – met vernietiging in zoverre van de beschikking van de rechtbank d.d. 28 maart 2011 –: bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen een uitkering tot levensonderhoud met ingang van 25 augustus 2011 van € 3.200,-- per maand, welke verplichting eindigt op 25 augustus 2014. Daaromtrent is bepaald: “bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te verstrekken eindigt op 25 augustus 2014.”
Het hof heeft aan zijn oordeel de navolgende overwegingen ten grondslag gelegd:
Partijen zijn in 1993 gehuwd. In 1995 is de vrouw gestopt met werken. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tussen 1995 en 2007, derhalve gedurende twaalf jaar tijdens het huwelijk, niet heeft gewerkt. In 2007 heeft de vrouw gedurende zes maanden een betaalde dienstbetrekking gehad waarbij zij, onbestreden gesteld, ongeveer € 2.950,- bruto per maand (inclusief vakantiegeld en overige emolumenten) verdiende. Sinds eind 2007 tot nu toe, vier jaar later, is de vrouw er niet in geslaagd opnieuw een baan te vinden. Gelet op het duur van het huwelijk van partijen, bijna achttien jaren, waarin gedurende ten minste twaalf jaren de man de kostwinner is geweest en de vrouw de verzorging en opvoeding van haar zoon op zich heeft genomen, waardoor haar positie op de arbeidsmarkt negatief is beïnvloed, is het hof van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet gevergd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de vrouw zich realiseert dat van haar verwacht mag worden dat zij op een gegeven moment niet langer financieel afhankelijk is van de man, nu zij reeds enige tijd bezig is met solliciteren. Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt echter tevens dat de vrouw op dit moment geen dienstverband heeft, noch enige eigen inkomsten uit andere bron”.

en

“Het hof ziet echter aanleiding om in dit geval een termijn te verbinden aan de duur van de alimentatieplicht van de man. Nu de vrouw in staat is geweest om na twaalf jaar onderbreking van haar deelname aan het arbeidsproces een goede baan te vinden die aansloot bij haar werkervaring en opleiding, kent het hof haar een verdiencapaciteit toe van € 2.000,- netto per maand, een bedrag vergelijkbaar met het inkomen dat zij met die dienstbetrekking verdiende. Immers, de vrouw woont inmiddels ruim tien jaren in Nederland, is nog relatief jong, te weten 44 jaar, en heeft niet langer de zorg voor haar zoon (thans 24 jaar en uitwonend). Daarbij komt dat de vrouw na die twaalf jaar in staat is gebleken een aanvullende opleiding te volgen, welke haar kansen op de arbeidsmarkt heeft vergroot. Deze verdiencapaciteit maakt dat de vrouw, indien zij deze realiseert, geen behoefte zal hebben aan een uitkering tot levensonderhoud van de man. Gelet hierop, maar ook op het feit dat zij op dit moment nog geen dienstverband heeft kunnen vinden en haar daarvoor enige tijd dient te worden gegund, is het hof van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat de partneralimentatie te limiteren als bedoeld in artikel 157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud limiteren op een termijn van drie jaren na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, omdat het hof er van uit gaat dat de vrouw vanaf dat moment in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.”

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie per 25 augustus 2014 € 3.326,38.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Ontvankelijkheid

Nu de vrouw (onder meer) heeft gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) zal de rechtbank de vrouw in haar verzoek ontvangen. De vrouw heeft bovendien haar op artikel 1:401 lid 2 BW gebaseerde verzoek tijdig ingediend.

Verlenging van de alimentatietermijn dan wel onjuiste of onvolledige gegevens

Op grond van artikel 1:401, tweede lid, BW kan de termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van, onder meer, het derde lid van artikel 1:157 BW op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd.

Het hof is in de beschikking d.d. 30 november 2011 overgegaan tot limitering van de partneralimentatie tot 3 jaar op grond van voormeld artikel 1:157, derde lid BW. Uitgangspunt voor de beoordeling is dus dat de partneralimentatie in beginsel definitief is geëindigd.

De vrouw betoogt dat zij zich terecht heeft beroepen op artikel 1:401 lid 2 BW. Zij stelt dat zij zich sinds de procedure bij het hof heeft ingespannen om een baan te vinden, teneinde in haar levensonderhoud te voorzien. Dit is evenwel niet gelukt. Van haar niet kan worden verwacht dat zij naar werk zoekt in het Verenigd Koninkrijk, nu haar hele sociale leven zich al lange tijd afspeelt in Nederland en de werkloosheid in het Verenigd Koninkrijk bovendien hoger is dan hier te lande. Zij heeft verklaard dat zij allerhande cursussen en workshops heeft gevolgd, in en buiten haar netwerk heeft gezocht naar werk en bovendien vrijwilligerswerk doet. Beëindiging van de partneralimentatie is dermate ingrijpend dat ongewijzigde handhaving van de termijn van drie jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, nu zij thans niet beschikt over enige inkomsten, terwijl haar kosten gewoon doorlopen. De vrouw heeft inmiddels een aanvraag voor een uitkering in het kader van de Participatiewet gedaan, maar onzeker is of deze zal worden toegekend, nu partijen nog samen twee woningen in eigendom hebben. Beide woningen vertegenwoordigen een onderwaarde, aldus de vrouw.

De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Hij heeft gesteld dat zich geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan sinds de beschikking van het hof en dat de vrouw thans bovendien (nagenoeg) dezelfde argumenten naar voren heeft gebracht als destijds in de procedure bij het hof. De man wijst er op dat de vrouw tegen het arrest van het hof geen cassatie heeft ingesteld.

Bovendien heeft de man gesteld dat de wijziging van omstandigheden niet onverwacht is en dat er slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en bij niet voorzienbare en niet verwijtbare omstandigheden sprake kan zijn van een wijziging van de termijn van de partneralimentatie. Een niet uitkomen van de toekomstverwachting (te weten dat de vrouw na drie jaar in haar eigen levensonderhoud kan voorzien) voldoet daaraan niet, aldus de man. Dat de vrouw ten tijde van de beschikking van het hof geen betaalde baan had en deze ook nu niet heeft betekent niet dat sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in de wet, aldus steeds de man. Daaraan voegt hij toe dat aan de vrouw wel degelijk een verwijt is te maken. Volgens de man heeft de vrouw zich onvoldoende ingespannen, nu zij breder had kunnen zoeken naar een baan en voorts ook van haar verwacht had kunnen worden dat zij bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk naar een baan had kunnen zoeken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het hof heeft er in zijn beschikking van 30 november 2011 voor gekozen om, alhoewel de verdiencapaciteit van de vrouw en zeker de verzilvering daarvan, omstandigheden zijn die per definitie voor wijziging vatbaar zijn (immers: de verdiencapaciteit kan afnemen door bijvoorbeeld veranderende eisen van de arbeidsmarkt en de vraag of verdiencapaciteit kan worden verzilverd hangt af van de situatie op de arbeidsmarkt) het recht op alimentatie van de vrouw na afloop van een termijn van drie jaren definitief te beëindigen. Het hof heeft er om hem moverende redenen niet voor gekozen om de partneralimentatie na afloop van de termijn van 3 jaren op nihil te stellen. Het voorgaande betekent dat, ter zake van de vraag of op grond van gewijzigde omstandigheden nog verlenging mogelijk is in beginsel de zware toets van artikel 1:401 lid 2 BW dient te worden toegepast.

In de beschikking d.d. 30 november 2011 is het hof uitgegaan van een onderbouwde veronderstelling, inhoudende dat de vrouw, die op dat moment geen baan en geen eigen inkomsten had, binnen een termijn van drie jaren na de beschikking een baan zou vinden waarmee zij een inkomen kon genereren van € 2.000,-- netto per maand. Daarbij heeft het hof geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de vrouw, ondanks daarop gerichte inspanningen er niet in slaagt zodanig inkomen te genereren. Het hof is er kennelijk zonder meer van uitgegaan dat de vrouw, bij voldoende inspanningen, zich zodanig inkomen zou kunnen verwerven.

Vast staat dat de vrouw in het zich verwerven van zodanig inkomen niet is geslaagd.

Gelet op het debat tussen partijen staat in de eerste plaats ter beoordeling of, in de situatie waarin de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om zich het inkomen te verwerven, een beroep kan worden gedaan op artikel 1:401 lid 2 BW. Indien het antwoord bevestigend luidt dient vervolgens te worden nagegaan of de vrouw zich voldoende heeft ingespannen en dienen, ten slotte, de overige omstandigheden van het geval aan de orde te komen.

De rechtbank beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Daarvoor is het volgende redengevend. Zoals hiervoor overwogen heeft het hof de situatie waarin de vrouw, ondanks daarop gerichte inspanningen, er niet in slaagt zich een inkomen van € 2.000,= netto te genereren binnen drie jaar na de echtscheiding, niet in zijn beschikking verdisconteerd. Het betreft dus door het hof niet voorziene omstandigheden die tot gevolg hebben dat de vrouw in inkomen is teruggevallen van € 2.000,= netto naar nihil. De omstandigheden zijn ten opzichte van de situatie waarvan het hof is uitgegaan dus ingrijpend gewijzigd. Dat de vrouw mogelijk in aanmerking komt voor een uitkering in het kader van de Participatiewet, doet daaraan niet af en kan verder in het midden blijven. Immers in die situatie zal de vrouw geen € 2.000,- netto ontvangen, ook niet als rekening wordt gehouden met de mogelijke ontvangst van toeslagen.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om zich een inkomen van € 2.000,- netto te verwerven. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de vrouw zich in de tussenliggende jaren actief heeft opgesteld: zij heeft diverse cursussen gevolgd, heeft deelgenomen aan banenmarkten en workshops en heeft daarnaast op uiteenlopende banen gesolliciteerd. Ook doet zij vrijwilligerswerk bij de voedselbank.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw zich, anders dan door de man is gesteld, voldoende heeft ingespannen om een baan te vinden. Dit oordeel wordt niet anders indien in aanmerking wordt genomen, zoals de man naar voren heeft gebracht, dat ook destijds bij het hof de vraag aan de orde is geweest naar de mogelijkheden van de vrouw om een baan te vinden. De vrouw heeft immers, anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, in de afgelopen periode geen baan gevonden met uitzicht op een inkomen van € 2.000,- netto. Ook deelt de rechtbank op dit moment niet het argument van de man dat de vrouw ook in Engeland had moeten solliciteren. De vrouw woont al lange tijd in Nederland en tegen die achtergrond ligt het voor de hand dat zij haar inspanningen op Nederland richt. Bovendien heeft zij onbestreden gesteld dat ook in Engeland de werkeloosheid hoog is. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit anders komt te liggen als de perspectieven in Engeland aanzienlijk beter zijn dan in Nederland maar daarvan kan thans niet worden uitgegaan. Ten slotte gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat de vrouw niet in staat is al haar sollicitatie inspanningen te documenteren. Zij heeft voldoende gedocumenteerd. Bij haar oordeel neemt de rechtbank ten slotte in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat de werkloosheid momenteel hoog en de arbeidsmarkt zeer krap is.

De rechtbank weegt ten slotte de navolgende factoren mee om tot het oordeel te komen dat in de omstandigheden van het geval ongewijzigde handhaving van de termijn van drie jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Partijen hebben een langdurig huwelijk gehad met een overwegend traditionele rolverdeling. De man en de vrouw hebben nog steeds twee woningen in gemeenschappelijke eigendom. Daarmee staat vast dat partijen zelf hun lotsverbondenheid nog niet geheel hebben verbroken. Immers partijen behoren de problemen rond die woningen, die kennelijk een onderwaarde hebben, nog op te lossen.

Al deze omstandigheden in aanmerking nemend, komt de rechtbank tot de slotsom dat in dit specifieke geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat een ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

De rechtbank komt, het bovenstaande in aanmerking nemend, toe aan een beoordeling van de overige argumenten van partijen aangaande de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

Draagkracht van de man

Nu de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd behoeft de draagkracht van de man geen bespreking.

Behoefte van de vrouw

Tussen partijen is in geschil de hoogte van de behoefte van de vrouw. De man heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw is verbleekt, nu partijen al sinds 2006 uit elkaar zijn. In deze behoefte kan worden voorzien door middel van een baan met een minimumloon, aldus de man. Derhalve zou niet langer dienen te worden uitgegaan van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, maar van een behoefte van € 1.247,-- netto per maand.

De vrouw heeft het door de man gestelde gemotiveerd betwist en heeft voorts een behoeftelijstje overgelegd, waarin zij vermeldt een behoefte te hebben van € 4.559,-- bruto per maand.

De man heeft diverse in het behoeftelijstje van de vrouw opgenomen posten gemotiveerd betwist en heeft voorts gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de vrouw gedurende de afgelopen jaren niet heeft kunnen sparen.

De rechtbank overweegt dat het gerechtshof er destijds niet van uit is gegaan dat de huwelijkse behoefte van de vrouw was verbleekt als gevolg van het al langere tijd uit elkaar zijn van partijen. Daarover is dus al beslist. Daarmee staat nog slechts ter beoordeling of de behoefte van de vrouw in de drie jaren na de echtscheiding is verbleekt. Het hof heeft in zijn beslissing de behoefte van de vrouw bepaald op € 2.000,- netto en tot uitgangspunt genomen dat de vrouw na drie jaar met een inkomen van € 2.000,- netto in staat moet zijn om in haar eigen behoefte te voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding om, waar de behoefte reeds gemotiveerd door het hof is bepaald, deze discussie in deze beschikking over te doen. Nu voorts vast staat dat de vrouw gedurende drie jaren na de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie van € 2.000,- netto heeft ontvangen, waardoor zij in de door het hof vastgestelde behoefte kon voorzien, valt niet in te zien waarom haar behoefte onmiddellijk na afloop van voormelde termijn lager zou zijn.

Termijn van de partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht de termijn van de partneralimentatie te verlengen tot 2023, zijnde de wettelijke termijn van twaalf jaar voor de partnerbijdrage, dan wel een termijn te bepalen die de rechtbank juist acht. De man heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat de vrouw de door haar verzochte termijn niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat, zoals hierboven reeds is overwogen, gebleken is dat de termijn die het gerechtshof heeft gesteld te krap is gebleken. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de vrouw alsnog drie jaar de tijd wordt gegund om een baan te vinden. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de door het hof bepaalde termijn van drie jaar. Tegen de achtergrond van dat oordeel is een verlenging tot 2023, zoals door de vrouw verzocht, niet op zijn plaats. In het dictum van deze beschikking zal worden opgenomen de partneralimentatie na indexering per 1 januari 2014, gelet op de ingangsdatum van de verlenging.

Van de vrouw kan bovendien worden verwacht dat zij blijft solliciteren en zich tot het uiterste inzet om een betaalde baan te vinden. De rechtbank zal bepalen dat voormelde termijn wederom kan worden verlengd aangezien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt een onzekere factor blijven.

Ingangsdatum

De man heeft verzocht om, in het geval waarin de partneralimentatie zou worden verlengd, deze niet eerder dan per de datum van deze beschikking te doen ingaan aangezien hij anders in de financiële problemen zou komen. De man heeft echter geen –met sutkken onderbouwd- draagkrachtverweer gevoerd. Daar staat tegenover dat de vrouw onverminderd behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw heeft haar verlengingsverzoek bovendien al vóór 1 september 2014 ingediend zodat de man met de mogelijkheid van verlenging rekening heeft kunnen houden. De rechtbank zal het standpunt van de man dientengevolge verwerpen.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

De man heeft verzocht deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren aangezien hij voornemens is bij een beschikking die in het voordeel van de vrouw uitvalt in hoger beroep te gaan en hij vreest dat de vrouw niet in staat zal zijn om reeds ontvangen alimentatie terug te betalen. Gelet op de belangen van de vrouw ziet de rechtbank hiervoor geen aanleiding.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof ʼs-Gravenhage d.d. 30 november 2011 – :

verlengt de termijn van alimentatiebetaling tot 1 september 2017;

bepaalt dat deze termijn voor verlenging vatbaar is;

bepaalt de door de man met ingang van 1 september 2014 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 3.326,38 per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Nijhuis in tegenwoordigheid van mr. L.W.J. van der Krogt als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

6 februari 2015.