Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/09/483553 / JE RK 15-363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Spoedmachtiging gesloten uithuisplaatsing met de bepaling dat deze ten uitvoer kan worden gelegd in een JJI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 15-363

Zaaknummer: C/09/483553

Datum beschikking: 3 maart 2015

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

Beschikking op het op 24 februari 2015 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (verder: de gecertificeerde instelling),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]

kind van:

[mw. A] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

die belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag.

De minderjarige verblijft feitelijk in de Justitiële Jeugdinrichting Teylingereind (verder: JJI Teylingereind), te Sassenheim.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift met bijlage(n);

- de instemmingsverklaring d.d. 24 februari 2015 van een gedragswetenschapper als bedoeld

in artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet, die de jeugdige met het oog daarop kort

tevoren heeft onderzocht.

Op 3 maart 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank op locatie, te weten in de gesloten accommodatie De Vaart te Sassenheim, met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

  • -

    mevrouw [mw. B] en mevrouw [mw. C] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.G.M. Haase.

Mevrouw [mw. D] , mevrouw [mw. E] en [mw. F] , respectievelijk gedragswetenschapper, stagiaire en pedagogisch medewerker bij JJI Teylingereind, zijn op verzoek van de kinderrechter op enig moment eveneens aanwezig geweest tijdens de behandeling van het verzoek.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 24 februari 2015 de Raad voor de Rechtsbijstand te Den Haag bevolen een advocaat aan de minderjarige toe te voegen.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 23 mei 2014 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 26 mei 2014 tot 26 april 2015.

Bij beschikking d.d. 24 februari 2015 heeft de kinderrechter spoedmachtiging verleend om de minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven van 24 februari 2015 tot 4 maart 2015, en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting, teneinde de belanghebbenden te horen omtrent het verzoek.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. Reden hiervoor is blijkens het verzoekschrift dat het na het aflopen van de detentie van de minderjarige op 26 februari 2015, vanwege de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de minderjarige en omdat hij onvoldoende kan profiteren van de aangeboden structuur in de thuissituatie, niet in zijn belang wordt geacht om thuis te gaan wonen. Plaatsing in een open setting is in het verleden ontoereikend gebleken. Bovendien is de kans groot dat de minderjarige zich dan zal onttrekken aan de behandeling, omdat hij zelf geen problemen ervaart en geen hulp noodzakelijk acht.

De spoedmachtiging d.d. 24 februari 2015 is op verzoek van de minderjarige ten uitvoer gelegd in JJI Teylingereind, omdat de minderjarige graag de opleiding die hij daar is gestart wil afmaken. De gecertificeerde instelling onderschrijft het belang van het afmaken van de opleiding, maar geeft er de voorkeur aan dat de minderjarige op De Vaart verblijft en overdag naar JJI Teylingereind gaat in verband met zijn opleiding. Na het afronden van de opleiding zou de minderjarige geheel over moeten gaan naar De Vaart. De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – na verlenging van de ondertoezichtstelling per 26 april 2015 – te verlenen tot 1 september 2015, om het noodzakelijke traject met de minderjarige te kunnen doorlopen en wat meer armslag te hebben in het geval de minderjarige een terugval heeft.

De minderjarige is inmiddels aangemeld bij Jeugdformaat voor verblijf en behandeling na afloop van het verblijf in de gesloten setting. Behandeling heeft echter geen zin als de minderjarige onder invloed is. De gecertificeerde instelling acht het mede daarom noodzakelijk dat de behandeling wordt gestart in de gesloten setting, zodat de minderjarige gemonitord kan worden met betrekking tot het drugsgebruik. Omdat er thans concreet zicht is op het traject naar begeleid wonen, kan in samenspraak met De Vaart en Jeugdformaat worden bepaald welke plek het meest in het belang van de minderjarige is en welk moment het meest geschikt is voor de plaatsing. Dit kan betekenen dat de minderjarige niet al te lang gesloten geplaatst hoeft te zijn, aldus de gecertificeerde instelling.

Mr. Haase heeft erop gewezen dat de minderjarige gedetineerd heeft gezeten omdat hij de voorwaarden van ITB harde kern niet heeft nageleefd. Er was echter geen sprake van een nieuw strafbaar feit, zodat daaruit niet blijkt van een bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige ziet niet in dat blowen slecht is en ervaart ook geen problemen door het blowen. In de beleving van de advocaat wordt de minderjarige enkel gesloten geplaatst om hem bij de les te krijgen. Hiervoor wordt alles ingezet. De advocaat stelt zich op het standpunt dat daarmee echter niet aan de gronden voor een gesloten plaatsing is voldaan. De minderjarige is goed met zijn opleiding bezig en wil deze afmaken. Ook wil hij zo spoedig mogelijk naar een kamertrainingsproject. Het hindert de minderjarige in zijn ontwikkeling als dit via een gesloten plaatsing moet.

De minderjarige heeft zich ter terechtzitting tegen toewijzing van het verzoek verzet, omdat hij de meerwaarde van een gesloten plaatsing niet inziet. Hij heeft verklaard dat hij liever in de JJI verblijft, omdat dan de einddatum van zijn verblijf vaststaat. Bij het verlenen van een gesloten machtiging vreest de minderjarige dat de machtiging – net zoals in het verleden – steeds opnieuw zal worden verlengd, ongeacht of hij zijn best doet of niet. De minderjarige wil graag naar een kamertrainingsproject. Hij is ervan overtuigd dat hij in afwachting van een geschikte plek thuis kan wonen. Dat het thuis goed kan gaan, heeft hij vorig jaar al bewezen nadat hij uit detentie kwam en hij niet in de problemen is gekomen en evenmin politiecontacten had. Hem thans opnieuw gesloten plaatsen is een herhaling van zetten. Bovendien is hij reeds tijdens zijn eerdere gesloten plaatsing behandeld en begeleid. Hij voelt er niets voor om zich opnieuw te moeten bewijzen.

De gedragswetenschapper mevrouw [mw. D] heeft verklaard dat het ongeveer drie tot zeven weken zal duren voordat de minderjarige zijn diploma heeft behaald. Daarna is het van belang dat er een stageplaats is. De gedragswetenschapper acht het wenselijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing binnen JJI Teylingereind ten uitvoer wordt gelegd, omdat de minderjarige anders opnieuw aan een groep moet wennen en dit niet in zijn belang te achten is.

Beoordeling

Namens de gecertificeerde instelling is ter zitting verklaard dat de moeder verhinderd is om ter terechtzitting te verschijnen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder thans niet bereid is zich te doen horen, zodat toepassing van artikel 6.1.10 van de Jeugdwet achterwege kan blijven.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Daarbij overweegt de kinderrechter dat zij van oordeel is dat thans voldoende vaststaat dat de ontwikkeling van de minderjarige voorafgaand aan zijn verblijf in JJI Teylingereind stagneerde doordat hij zich onttrok aan behandeling, hij veel blowde en hem in de thuissituatie onvoldoende structuur werd geboden. De kinderrechter is met de gecertificeerde instelling van oordeel dat het van belang is dat de minderjarige start met de behandeling van zijn persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek voordat hij terecht kan in een kamertrainingsproject. De kans van slagen van een behandeling in een open setting acht de kinderrechter op dit moment echter zeer klein, omdat de minderjarige niet gemotiveerd is om aan zichzelf en zijn drugsgebruik te werken. Daarmee staat de noodzaak van een gesloten plaatsing voor dit moment vast. Daarbij komt dat de minderjarige heeft aangegeven dat hij zijn opleiding in JJI Teylingereind wil afmaken, zodat de kinderrechter het verlenen van de verzochte machtiging ook om die reden noodzakelijk en in het belang van de minderjarige acht.

Omdat de kinderrechter niet heeft kunnen constateren dat er reeds een zogenaamde verleningsbeslissing (‘bepaling jeugdhulp’) is genomen door de gecertificeerde instelling, kan de kinderrechter thans enkel overgaan tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 van de Jeugdwet. De kinderrechter zal het verzoek voor het overige aanhouden tot na te noemen zitting, zodat alsdan over de vervolgmachtiging kan worden beslist.

Met betrekking tot het voorliggende verzoek te bepalen dat de machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, overweegt de kinderrechter als volgt. Op grond van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet kan de kinderrechter bepalen dat de machtiging ten uitvoer wordt gelegd in een justitiële jeugdinrichting. Zulks kan enkel op verzoek van de het college van B&W of de Raad voor de Kinderbescherming. Het thans voorliggende verzoek is echter gedaan door de gecertificeerde instelling. De kinderrechter ziet evenwel, in het belang van de minderjarige, aanleiding af te wijken van het bepaalde in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet. Daarbij is van belang dat de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 197) voor ogen heeft gehad dat de uitzondering op de tenuitvoerlegging van de machtiging in een gesloten accommodatie een zorginhoudelijke overweging betreft die door college van B&W of de Raad voor de Kinderbescherming behoort te worden gemaakt. De kinderrechter is echter van oordeel dat deze zorginhoudelijke overweging in dit geval bij uitstek door de gecertificeerde instelling, die de ondertoezichtstelling van de minderjarige al langere tijd uitvoert en voorts de minderjarige al geruime tijd begeleidt in het kader van de uitvoering van een jeugdreclasseringsmaatregel, kan worden gemaakt. De kinderrechter zal derhalve ten aanzien van de spoedmachtiging bepalen dat deze ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling evenwel om, voor zover het verzoek ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de machtiging in een justitiële jeugdinrichting ook na ommekomst van de spoedmachtiging wordt gehandhaafd, dit verzoek bij gelegenheid van de na te noemen vervolgzitting te completeren met een verklaring van het college van B&W of de Raad voor de Kinderbescherming dat het verzoek ten aanzien van de tenuitvoerlegging wordt ondersteund.

De kinderrechter overweegt voorts dat de gecertificeerde instelling ter terechtzitting heeft aangegeven het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling gereed te hebben, zodat ook besloten kan worden over de periode na 26 april 2015. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegezonden aan de moeder, de advocaat van de minderjarige en de minderjarige en zal op de na te noemen zitting tegelijk met het aangehouden verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie worden behandeld.

De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling ten slotte om tijdig voor na te melden zitting een standpunt in te nemen over het traject dat de gecertificeerde instelling voor de minderjarige voor ogen heeft en de vraag op welke locatie de verzochte machtiging ten uitvoer zou moeten worden gelegd. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling zulks op schrift te zetten en voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank de overige belanghebbenden te doen toekomen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verleent spoedmachtiging aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet van 4 maart 2015 tot 24 maart 2015;

bepaalt dat deze spoedmachtiging ten uitvoer kan worden gelegd in de justitiële jeugdinrichting Teylingereind, zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, zulks conform het bepaalde in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de terechtzitting van

17 maart 2015 tegen een nader te bepalen tijdstip, op locatie in de gesloten accommodatie voor jeugdhulp De Vaart te Sassenheim;

verzoekt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om tijdig voor voornoemde vervolgzitting de rechtbank en de overige belanghebbenden een schriftelijk verslag te doen toekomen, waaruit blijkt wat welk traject de gecertificeerde instelling voor de minderjarige voor ogen heeft en op welke locatie de verzochte machtiging ten uitvoer zou moeten worden gelegd;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de moeder;
- de minderjarige;
- de advocaat van de minderjarige, mr. A.G.M. Haase.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2015 in tegenwoordigheid van P.A. Kok als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.