Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2869

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
C-09-480755 - JE RK 15-43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verenging Ondertoezichtstelling voor de verzochte termijn en verlenging van de uithuisplaatsing van minderjarige 2 voor een half jaar, aanhouding voor het overige en verwijzing naar de MK. Opdracht aan de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummers: JE RK 15-43 en JE RK 14-2887

Zaaknummers: C/09/480755 en C/09/480277

Datum beschikking: 10 februari 2015

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 9 januari 2015 ingekomen verzoekschrift van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (verder: Leger des Heils) met betrekking tot nagenoemde minderjarigen sub 1 en 2,

alsmede het op 30 december 2014 ingekomen verzoek van de zijde van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling met betrekking tot de minderjarige sub 2,

zijnde de minderjarigen:

1. [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2000 te [geboorteplaats];

2. [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats]

kinderen van:

[mevrouw] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats]

die belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag,

en erkend door:

[de heer],

geen belanghebbende in deze procedures.

Inzake het door het Leger des Heils ingediende verzoek met betrekking tot de minderjarige sub 2 worden tevens als belanghebbenden aangemerkt:

[pleegouder] en [pleegouder], zijnde de pleegouders van de minderjarige sub 2.

De minderjarige sub 1 verblijft feitelijk bij de moeder. De minderjarige sub 2 verblijft feitelijk bij voormelde pleegouders.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van het Leger des Heils, met als bijlage een verslag van het verloop van

de ondertoezichtstelling;

- een tussenevaluatieverslag van de gezinscoach van ‘10’ voor Toekomst die de

bezoeken van de moeder en de minderjarige sub 2 begeleidt;

- rapportinformatie van de school van de minderjarige;

- het verzoekschrift van de moeder strekkende tot het door de kinderrechter vaststellen van

een omgangsregeling.

Op 10 februari 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

- [vertegenwoordiger mw. A], namens het Leger des Heils,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.W. de Gruijl,

- de pleegouders,

- [vertegenwoordiger mw. B], pleegzorgmedewerker van Stichting Jeugdformaat (gehoord als

informant).

De minderjarige sub 1 is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 10 februari 2014 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 14 februari 2014 tot 14 februari 2015.

Voorts heeft de kinderrechter bij voormelde beschikking de aan het Leger des Heils verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 2 verlengd van

14 februari 2014 tot 14 februari 2015.

Verzoek en verweer

Het verzoek van het Leger des Heils strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van één jaar, alsmede tot machtiging de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De grondslag van het verzoek is - volgens de inhoud van het verzoekschrift - gelegen in pedagogische onmacht van de moeder, onveiligheid in de thuissituatie en onbetrouwbaarheid van informatie uit het gezin. In de door de gezinscoach van ‘10’ voor Toekomst begeleide bezoeken van de moeder met de minderjarige sub 2 is gezien dat de moeder de minderjarige aandacht geeft, maar niet voldoende kan aansluiten bij zijn belevingswereld. Gelet op de zorgen kan de minderjarige sub 2 op dit moment niet worden teruggeplaatst naar de moeder. De mogelijkheden voor een eventuele terugplaatsing van de minderjarige sub 2 naar de moeder zullen worden onderzocht aan de hand van observaties van de door ‘10’ voor Toekomst begeleide bezoeken.

Ter terechtzitting is door [vertegenwoordiger mw. A] namens het Leger des Heils verklaard dat ‘10’ voor Toekomst een advies zal uitbrengen over de mogelijkheden voor een terugplaatsing van de minderjarige sub 2 naar de moeder. De gezinscoach zal daartoe de wekelijkse bezoeken van de moeder met de minderjarige sub 2 blijven begeleiden en bezien of er sprake is van contactgroei tussen moeder en kind en daarbij ook de opvoedingssituatie bij de moeder meenemen. Uitbreiding van de bezoeken en/of overgaan tot bezoeken bij de moeder thuis is op dit moment te belastend voor de minderjarige. De minderjarige laat na de bezoeken veel onrust zien.

Mr. De Gruijl heeft namens de moeder verweer gevoerd tegen de verzochte maatregelen.

Hij heeft betoogd dat het zodanig goed gaat met de minderjarige sub 1 in de opvoedsituatie van de moeder, dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 1 kan worden beëindigd dan wel bekort in duur. Voor eventueel nog geboden hulpverlening kan met het vrijwillige kader worden volstaan. Nu de terugplaatsing van de minderjarige sub 1 zo voorspoedig is verlopen, zou er ook moeten worden toegewerkt naar een terugplaatsing naar de moeder van de minderjarige sub 2. De vermeende onveiligheid die zou uitgaan van de oudere kinderen van de moeder is niet aan de orde. Het ene oudere kind van de moeder gaat binnenkort uit huis. Het andere oudere kind zal na zijn detentie niet meer naar huis terugkeren. Andere contra-indicaties voor terugplaatsing in de vorm van tekenen van hechtingsproblematiek en/of loyaliteitsproblematiek zijn bij de minderjarige sub 2 (nog) niet aan de orde. Echter, het Leger des Heils laat na de bezoekregeling qua vorm en frequentie op terugplaatsing af te stemmen.

De moeder bestrijdt dat zij tijdens de begeleide bezoeken geen affectie en geen interesse in de minderjarige sub 2 zou tonen. De gezinscoach van ‘10’ voor Toekomst interpreteert het gedrag van de moeder verkeerd. De moeder is wellicht niet erg uitbundig, maar daar is de geforceerde setting waarin de bezoeken moeten plaatsvinden debet aan. De kinderrechter wordt verzocht de door het Leger des Heils verzochte maatregelen af te wijzen dan wel te bekorten in duur en te bepalen dat de bezoeken worden uitgebreid in frequentie en duur en - in ieder geval voor een gedeelte - niet meer zullen worden begeleid.

[vertegenwoordiger mw. B] heeft verklaard dat een uitbreiding van de bezoekregeling tot meer onrust zal leiden bij de minderjarige en de voortgang van zijn ontwikkeling kan hinderen. Een bezoekregeling bij de moeder thuis is niet voldoende veilig voor de minderjarige.

De oudere kinderen hebben contact met de tot nu toe bij de minderjarige buiten beeld gebleven vader.

De pleegouders hebben ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige sub 2, na een periode waarin hij zich bij de pleegvader niet veilig voelde en zich vastklampte aan de pleegmoeder, nu vertrouwd is met beide pleegouders, dat een vaste structuur heel belangrijk is voor de minderjarige en dat zijn gedrag steeds meer normaliseert. De pleegouders bemerken wel dat de contacten met de moeder onrust veroorzaken bij de minderjarige.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. De kinderrechter acht de langere betrokkenheid van de gezinsvoogd noodzakelijk, nu de minderjarige sub 1 nog maar een half jaar thuis woont en de minderjarige sub 2 thans (nog) niet bij de moeder woont.

Voorts is de kinderrechter, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 2 nog aanwezig zijn.

Daarbij overweegt de kinderrechter dat het Leger des Heils zich al geruime tijd op het standpunt stelt dat een plaatsing van de minderjarigen bij de moeder niet in hun belang te achten is. Volgend op een daartoe strekkende beschikking van het Gerechtshof Den Haag d.d. 6 augustus 2014 woont de minderjarige sub 1 evenwel sinds eind augustus 2014 weer bij de moeder. Met betrekking tot de minderjarige sub 2 heeft het Gerechtshof de machtiging tot uithuisplaatsing in stand gelaten en daarbij aangegeven dat de periode tot februari 2015 benut zou moeten worden om te bezien wat daarna ten aanzien van de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 2 moet worden besloten. Daarbij heeft het Gerechtshof aangegeven dat bij die beslissing de situatie van de minderjarige sub 1 bij de moeder thuis mede in ogenschouw kan worden genomen.

De kinderrechter constateert dat door de gebeurtenissen sinds augustus 2014 een situatie is ontstaan waarin de moeder enerzijds – mede naar aanleiding van de beschikking van het Gerechtshof – aanspraak maakt op een serieus onderzoek naar de vraag of de minderjarige sub 2 ook weer bij haar kan komen wonen, terwijl het Leger des Heils zich anderzijds nog immer op het standpunt stelt dat een thuisplaatsing van de minderjarige sub 2 niet in zijn belang is. De kinderrechter constateert voorts dat er thans slechts summiere informatie met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarige sub 1 in de thuissituatie bij de moeder en de opvoedvaardigheden van de moeder ten aanzien van de minderjarige sub 2 voorhanden is. Weliswaar worden de bezoeken van de moeder aan de minderjarige sub 2 momenteel begeleid door ‘10’ voor Toekomst, maar deze begeleiding heeft nog niet geleid tot een advies met betrekking tot het perspectief van de minderjarige sub 2. De kinderrechter acht zich daarom onvoldoende geïnformeerd om voor langere duur te kunnen beslissen over de vraag of de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 2 nog noodzakelijk is.

Voor de moeder, de minderjarigen en het pleeggezin is het evenwel van belang dat er duidelijkheid komt over het toekomstperspectief van de minderjarige sub 2 en de beslissing over het perspectief zal – waar mogelijk – in het belang van de minderjarige door alle betrokkenen moeten worden ondersteund. Een mogelijk tot een langdurige uithuisplaatsing strekkend advies van ‘10’ voor Toekomst alleen acht de kinderrechter echter onvoldoende om daarvoor bij de moeder draagvlak te creëren. De kinderrechter is van oordeel dat een gewogen, onafhankelijk oordeel van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) daar meer aan zal bijdragen. De kinderrechter acht het daarom aangewezen dat de Raad onderzoek doet naar en advies uitbrengt over de vraag of het perspectief van de minderjarige sub 2 nog bij de moeder ligt of dat de uithuisplaatsing bij de pleegouders moet worden gecontinueerd. De kinderrechter verzoekt de Raad uitdrukkelijk om onderzoek te doen naar zowel de opvoedvaardigheden van de moeder ten aanzien van de minderjarige sub 2 als ook naar de opvoedsituatie van de minderjarige sub 1 in de thuissituatie bij de moeder. In dit verband wijst de kinderrechter tevens op het bepaalde in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 2 met het oog op het door de Raad uit te voeren onderzoek verlengen voor de duur van zes maanden en het verzoek aanhouden voor het overige. De kinderrechter acht het aangewezen dat de beslissing over het perspectief van de minderjarige sub 2 door de meervoudige kamer van deze rechtbank zal worden genomen, zodat zij het verzoek van het Leger des Heils – voor zover aangehouden – ter verdere behandeling zal verwijzen naar de meervoudige kamer.

De kinderrechter ziet ten slotte geen noodzaak tot het vaststellen van een andere omgangsregeling dan de thans geldende. Het daartoe door de moeder ingediende verzoek zal dan ook worden afgewezen. Het ligt op de weg van het Leger des Heils om de bezoekregeling met het oog op het openhouden van de mogelijkheid van een eventuele terugplaatsing uit te breiden (hetgeen kan inhouden dat de bezoekregeling niet in frequentie maar wel in vorm en/of duur wordt aangepast) voor zover dat voor de minderjarige verantwoord is te achten. De kinderrechter vertrouwt erop dat het Leger des Heils daar – al dan niet in overleg met de Raad – een voor de minderjarige verantwoorde afweging in zal maken.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van 14 februari 2015 tot 14 februari 2016 met behoud van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering;

en

verlengt de aan het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering verleende machtiging de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 14 februari 2015 tot 14 augustus 2015;

houdt de behandeling van het verzoek van het Leger des Heils voor het overige aan tot een vóór 14 augustus 2015 te houden zitting van de meervoudige kamer en gelast de griffier tegen die zitting op te roepen:

- het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

- de Raad voor de Kinderbescherming,

- de moeder,

- de advocaat van de moeder mr. R.W. de Gruijl;

geeft de Raad voor de Kinderbescherming opdracht om onderzoek te doen naar het perspectief van de minderjarige sub 2 en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om tijdig voor de nader te bepalen zitting rapport uit te brengen omtrent de resultaten van dit onderzoek;

wijst af het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een (gewijzigde) omgangsregeling met de minderjarige sub 2.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015 in tegenwoordigheid van B.M. van Leeuwen als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.