Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2834

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7847
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag. Is verzoek om een persoonlijke betalingsregeling terecht geweigerd. Beroep gegrond. Verweerder dient eisers over de periode 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 een betalingsregeling aan te bieden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 7 en 8, geldigheid: 2015-07-08
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 7, geldigheid: 2015-07-08
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 13, geldigheid: 2015-07-08
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 7, geldigheid: 2015-07-08
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 26, geldigheid: 2015-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1744
V-N Vandaag 2015/1528
V-N 2015/38.15.35

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/7847

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

[woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 29 oktober 2013 ten name van eiseres een definitieve berekening kinderopvangtoeslag 2010 genomen naar een terug te betalen bedrag van € 3.123 (terugvorderingsbeschikking 1).

Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2014 ten name van eiseres een definitieve berekening kinderopvangtoeslag 2011 genomen naar een terug te betalen bedrag van € 9.016 (terugvorderingsbeschikking 2).

Eiseres heeft op 24 maart 2014 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend ten aanzien van bovengenoemde terugvorderingsbeschikkingen.

Verweerder heeft bij beschikking van 16 mei 2014 het verzoek van eiseres afgewezen en alleen uitstel verleend onder de voorwaarde dat eiseres in 24 maandelijkse termijnen een bedrag van € 459 betaalt.

Eiseres heeft tegen bovengenoemde beschikking een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 10 juli 2014 het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015 te Den Haag.

Eiseres is verschenen. Namens verweerder is verschenen [vertegenwoordiger].

Overwegingen

Geschil
1. In geschil is of verweerder terecht het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling met betrekking tot terugvorderingsbeschikking 2 heeft geweigerd.

Nu aan eiseres een persoonlijke betalingsregeling is aangeboden ten aanzien van terugvorderingsbeschikking 1, heeft het geschil hier geen betrekking op.

2. Eiseres stelt dat zij wegens een drie maanden durende ziekenhuisopname van haar dochter vanaf april 2011 geen gebruik meer heeft gemaakt van kinderopvang. Eiseres verbleef tijdens de opname van haar dochter in het Ronald mc Donald huis in [plaats]. Vanwege de omstandigheden was zij genoodzaakt om haar studie tijdelijk te onderbreken. Zij heeft de kinderopvangtoeslag deels gebruikt om de kosten die samenhingen met de opzegging van de kinderopvang te betalen. Daarnaast gebruikte ze de kinderopvangtoeslag om te voorzien in haar levensonderhoud aangezien zij geen studiefinanciering meer ontving. Verder voert zij aan dat zij totdat haar studie is afgerond niet meer kan betalen dan € 100 per maand.

3. Verweerder stelt dat er aan de kant van eiseres sprake is van opzet of grove schuld bij het ontstaan van terugvorderingsbeschikking 2 en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

4. Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Het bedrag van de terugvordering moet op grond van artikel 18 van de Awir binnen zes weken worden betaald. Ingevolge artikel 31 van de Awir in samenhang met artikel 7 en artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Awir is bepaald dat belanghebbende kan verzoeken om uitstel van betaling. In artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir is bepaald dat op schriftelijk verzoek van belanghebbende een betaling in termijnen wordt toegestaan gebaseerd op diens betalingscapaciteit zoals bedoeld in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Deze bepaling is niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvorderingsbeschikking is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner, aldus het bepaalde in artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringregeling Awir.

5. Gelet op het hiervoor beschreven wettelijk kader dient de rechtbank een oordeel te geven over de vraag of het ontstaan van de terugvorderingsbeschikking 2 is te wijten aan opzet of grove schuld van eiseres.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het kind van eiseres vanaf 1 april 2011 geen gebruik meer heeft gemaakt van de kinderopvang en dat eiseres om die reden vanaf die datum geen recht meer heeft op kinderopvangtoeslag. Door de kinderopvangtoeslag niet tijdig stop te zetten had zij kunnen weten dat er een terugvorderingsbeschikking zou ontstaan die te wijten is aan haar eigen handelen.

7. Ter beantwoording van de vraag of aan de kant van eiseres sprake is van opzet of grove schuld aan het ontstaan van terugvorderingsbeschikking 2 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat de dochter van eiseres van begin april tot eind juni met hersenvliesontsteking in het ziekenhuis in Utrecht was opgenomen en eiseres gedurende die periode in het Ronald mc Donald huis te Utrecht verbleef. Eiseres heeft ter zitting onweersproken verklaard dat gedurende de ziekenhuisopname ‘haar hoofd er niet toe stond’ en zij er ook niet aan gedacht heeft om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. De rechtbank acht bovengenoemde verklaring van eiseres geloofwaardig en is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontstaan van terugvorderingsbeschikking 2 gedurende de periode 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 te wijten is aan opzet of grove schuld van eiseres. Het beroep van eiseres is derhalve gegrond voor zover het bovengenoemde periode betreft. Verweerder dient eiseres over de periode 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 een betalingsregeling gebaseerd op haar betalingscapaciteit aan te bieden.

8. Met betrekking tot de periode 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 overweegt de rechtbank dat eiseres gedurende die periode zich moet hebben gerealiseerd dat nu haar dochter niet naar de kinderopvang ging, zij ook geen recht kon hebben op kinderopvangtoeslag. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres op 6 juli 2011 een antwoordformulier over de kinderopvangtoeslag 2010 aan verweerder heeft verzonden en zij derhalve ook weer in staat zou zijn geweest om de kinderopvangtoeslag 2011 stop te zetten. Over de periode 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 heeft verweerder dan ook terecht het standpunt ingenomen dat terugvorderingsbeschikking 2 is te wijten aan opzet of grove schuld van eiseres.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gesteld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover betrekking hebbend op terugvorderingsbeschikking 2;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.