Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
C-09-476506 HA ZA 14-1239
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectuele Eigendom. Vrijwaringsincident. Onvoldoende gesteld en gemotiveerd op welke gronden er een verplichting tot vrijwaring bestaat. Verweer dat in de hoofdzaak moet worden gevoerd. Incidentele vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/476506 / HA ZA 14-1239

Vonnis in incident van 25 februari 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ATAG NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Duiven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTELL PROPERTIES B.V.,

gevestigd te Ulft,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. Th.Y. Adam-van Straaten te Rotterdam.

tegen

[A]

t.h.o.d.n. OfficePro en KitchenPro.nl,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. Janssen te Den Haag.

Eisende partijen zullen hierna afzonderlijk ATAG en INTELL en gezamenlijk ATAG c.s. (in enkelvoud) genoemd worden. Gedaagde partij wordt hierna als [A] aangeduid. Voor ATAG c.s. is de zaak mede inhoudelijk behandeld door mr. E.D. Glerum-van Aalst, advocaat te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 oktober 2014, met producties 1 tot en met 21;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De hoofdzaak

2.1.

ATAG c.s. vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

( i) voor recht te verklaren dat [A] onrechtmatig handelt jegens ATAG door producten van de merken ATAG, ETNA en Pelgrim (hierna: de Merken):

a. direct of indirect te betrekken van een erkende ATAG-distributeur binnen de Europese Economische Ruimte met het oogmerk deze te (doen) verkopen en (doen) aanbieden, (doen) importeren en/of (doen) exporteren;

b. direct of indirect ter verkoop aan te bieden, tentoon te stellen en te (weder)verkopen zonder de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van ATAG;

  • -

    ii) [A] te bevelen elk gebruik van de Merken te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    iii) voor recht te verklaren dat [A] inbreuk maakt op de Merken;

  • -

    iv) [A] te veroordelen om elk gebruik van foto’s en afbeeldingen van de apparatuur waarvan de auteursrechten berusten bij ATAG te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    v) voor recht te verklaren dat [A] inbreuk maakt op de auteursrechten van ATAG;

  • -

    vi) [A] te bevelen om door een registeraccountant gewaarmerkte opgave te doen aan ATAG c.s. van leveranciers, aantallen, prijzen en afnemers, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    vii) [A] te veroordelen tot vergoeding van de door ATAG c.s. als gevolg van deze inbreuken en onrechtmatige handelingen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met rente;

met veroordeling van [A] in de overeenkomstig artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te begroten proceskosten, waaronder nakosten.

2.2.

ATAG c.s. legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. INTELL is houdster van de Merken en ATAG is de licentiehoudster daarvan. ATAG houdt zich bezig met de verhandeling van keukenapparatuur onder de Merken. Zij hanteert daarbij een selectief distributiestelsel dat voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Europese groepsvrijstellingsverordening 330/2010 voor verticale overeenkomsten. [A], die van het selectieve distributienetwerk geen deel uitmaakt, betrekt willens en wetens producten van erkende ATAG-dealers om deze via internet ter verkoop aan te bieden. Aldus handelt [A] onrechtmatig jegens ATAG. Voorts maakt [A] inbreuk op de Merken omdat hij deze op zodanige wijze afbeeldt dat daarmee de indruk wordt gewekt dat er een commerciële band bestaat tussen de door hem gedreven onderneming en (de merken van) ATAG. Bovendien maakt [A] inbreuk op de auteursrechten van ATAG nu hij zonder toestemming officiële ATAG-productfoto’s op het internet gebruikt.

3 Het geschil in het incident

3.1.

[A] vordert dat hem wordt toegestaan om (i) [B] Retail B.V., tevens h.o.d.n. KitchenOnline.nl (hierna: [B] Retail) en (ii) Keukencentrum Mandemakers B.V. (hierna: Mandemakers) in vrijwaring op te roepen, met veroordeling van ATAG c.s. in de proceskosten.

3.2.

[A] stelt daartoe het volgende. [A] is de producten onder de Merken via internet gaan verhandelen op basis van een samenwerking met [B] Retail, die door [B] Retail was geïnitieerd. [A] kocht de betreffende producten van [B] Retail, terwijl deze producten vervolgens door Mandemakers bij de afnemers werden afgeleverd. [B] Retail en Mandemakers hebben nagelaten [A] erop te wijzen dat voor producten onder de Merken een selectief distributiestelsel wordt gehanteerd en hebben deze producten willens en wetens verkocht aan (klanten van) [A]. Derhalve valt eerder [B] Retail en Mandemakers een verwijt te maken, terwijl alleen [A] in de hoofdzaak wordt aangesproken. Gelet hierop dienen [B] Retail en/of Mandemakers [A] te vrijwaren voor mogelijke nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak.

3.3.

ATAG c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Voor zover de vorderingen van ATAG c.s. in de hoofdzaak zijn gebaseerd op Gemeenschapsmerken, is de rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 95 lid 1, 96 onder a en 97 lid 1 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

4.2.

Voor zover de vorderingen van ATAG in de hoofdzaak op Beneluxmerken zijn gegrond, geldt het volgende. Voor zover zou worden aangenomen dat artikel 4.6 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (hierna: BVIE) prevaleert boven de bevoegdheidsregeling van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo), is de rechtbank bevoegd van de vorderingen kennis te nemen nu gedaagde woonplaats heeft in het arrondissement Den Haag. In het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2013 (H&M v. G-Star)1, is evenwel geoordeeld dat de bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo, voor zover die regeling in materieel, formeel en temporeel opzicht van toepassing is, prevaleert boven het BVIE. Uitgaande van dat oordeel is de rechtbank (internationaal) bevoegd van de vorderingen kennis te nemen op grond van artikel 2 EEX-Vo. Dit laatste geldt uiteraard eveneens voor zover aan de vorderingen onrechtmatig handelen ten grondslag wordt gelegd.

4.3.

Nu de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de hoofdzaak, bestaat tevens bevoegdheid te beslissen op de in dit incident gevorderde voorlopige maatregelen.

4.4.

Een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring is in beginsel toewijsbaar, indien men voldoende gemotiveerd stelt dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op deze derde te verhalen.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] onvoldoende gesteld en gemotiveerd op welke gronden op [B] Retail en Mandemakers de verplichting zou rusten om [A] (gedeeltelijk) te vrijwaren voor de negatieve gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak. [A] lijkt te stellen dat niet hem maar [B] Retail en Mandemakers een verwijt treft, en dat is een verweer dat in de hoofdzaak dient te worden gevoerd. Gelet hierop wordt de incidentele vordering afgewezen.

4.6.

De rechtbank zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 8 april 2015 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.L.M. Munter.

1 ECLI:NL:GHDHA:2013:4466