Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2526

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
C-09-476895 - KG ZA 14-1337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Vorderingen afgewezen. Geen ontoelaatbare wijziging van de gunningscriteria en geen sprake van zodanig verholen kenbaar gemaakt gunningscriterium dat van een inschrijver niet verwacht kon worden dat zij hiervan kennis nam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/476895 / KG ZA 14-1337

Vonnis in kort geding van 4 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Concorde Group B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

advocaten mrs. P.F.C. Heemskerk en J.M.E. Yilmaz te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Immigratie- en naturalisatiedienst),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D. Wolters Rückert te Den Haag,

waarin is tussengekomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Manpowergroup Solutions B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. D.J.L. van Ee.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Concorde’, ‘de IND’ en ‘Manpower’.

1 Het incident tot tussenkomst dan wel voeging

Manpower heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Concorde en de IND, althans zich te mogen voegen aan de zijde van de IND. Ter zitting van 21 januari 2015 hebben Concorde en de IND verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Manpower is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 januari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De IND is een openbare aanbestedingsprocedure gestart met betrekking tot de bemiddeling in en de uitvoering van tolkdiensten (hierna: de opdracht), ten behoeve van diverse ministeries en dienstonderdelen (hierna: de afnemers). De opdracht bestaat uit twee percelen. In perceel 1 (ook: P1) zijn afnemers opgenomen waar (bijzondere) opsporingsdiensten deel van uitmaken. In perceel 2 (ook: P2) zijn afnemers opgenomen die hun werkzaamheden verrichten in de vreemdelingenketen. Ten behoeve van deze aanbesteding zijn een beschrijvend document en vier nota’s van inlichtingen opgesteld.

2.2.

Het gunningscriterium in de aanbesteding is de economisch meest voordelige inschrijving, waarbij het subgunningscriterium kwaliteit voor 70% meetelt en het subgunningscriterium prijs voor 30%.

2.3.

Het beschrijvend document versie 1.0 uit juli 2014 vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…)

4 Gunningscriterium

(…)

4.2.2.

4.2.2. Criterium prijs

Bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P1 en/of bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P2 dient door de Inschrijver gebruikt te worden voor het opgeven van de gevraagde tarieven en de indexeringspercentages.

Inschrijver dient in de vrije invoervelden (in het lichtgeel):

de drie tarieven op te geven voor de bemiddeling van de tolkdiensten,

de zes tarieven op te geven voor de verschillende taalgroepen van telefonische of persoonlijke tolkdiensten;

de indexeringspercentages op te geven voor zowel de bemiddelingstarieven als de tolkvergoeding.

Bij het opgeven van de verschillende tarieven en indexeringspercentages dient de Inschrijver zich te houden aan de volgende voorwaarden:

(…)

(…)

het onderlinge verschil tussen de tolkvergoeding (per minuut) voor de uitvoering van telefonische tolkdiensten en de tolkvergoeding (per minuut) voor de uitvoering van persoonlijke tolkdiensten mag bij dezelfde taalgroepen niet groter zijn dan 15%;

De indexeringspercentages zijn niet lager dan 1% of hoger dan 4%

(…)

(…)”

2.4.

Als bijlage C2 bij het beschrijvend document versie 1.0 zijn twee formulieren gevoegd (Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P1 en Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P2), waarop inschrijvers per perceel de bemiddelingstarieven en de tolkvergoeding die zij in rekening brengen moeten invullen. Ten aanzien van de tolkvergoeding is een onderscheid gemaakt tussen telefonische tolkdiensten en persoonlijke tolkdiensten en vervolgens per groep een onderscheid tussen verschillende taalgroepen.

2.5.

In de tweede nota van inlichtingen staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

1. Inleiding

12 september 2014 – Nota van Inlichtingen 2.0

Bijgaand treft u Nota van Inlichtingen 2.0 aan.

De vragen die aanvullend gesteld zijn ten opzichte van de versie 1.0, staan opgenomen in blok 7 vragen tweede ronde, inclusief de beantwoording van die vragen.

(…)

U treft bij deze Nota van Inlichtingen de volgende gewijzigde documenten aan:

- Beschrijvend document 2014-003 V3.0

- Bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria – criterium prijs P1 V2.0

- Bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria – criterium prijs P2 V2.0

- (…)

(…)

De overige documenten blijven ongewijzigd. Tevens is er geen gelegenheid meer om vragen te stellen.

Uw Inschrijving baseert u dus op de documenten met het hoogste versienummer.

4 september 2014 – Nota van Inlichtingen 1.0

In deze Nota van Inlichtingen zijn alle gestelde vragen opgenomen en treft u de beantwoording aan. Op grond van de gestelde vragen en de gegeven antwoorden zijn in diverse gepubliceerde aanbestedingsdocumenten aanpassingen aangebracht. De gewijzigde documenten treft u als bijlagen aan, allen met de vermelding V2.0 en zij vervangen de eerder gepubliceerde documenten. Alle andere gepubliceerde aanbestedingsdocumenten blijven ongewijzigd van toepassing.

(…)

De Aanbestedende dienst heeft in drie documenten tekst laten vervallen en een gewijzigde tekst aangebracht:

1. Vervangende tekst voor het Beschrijvend document

In het Beschrijvend document vervalt bij paragraaf 4.2.2. de laatste alinea:

(…)

De onderstaande tekst is daarvoor in de plaats gekomen:

(…)

2 Vervangende tekst voor OVK-bijlage 1 – Programma van Eisen P2

In het programma van eisen vervalt de volgende tekst in paragraaf 3.1:

(…)

De onderstaande tekst is daarvoor in de plaats gekomen:

(…)

3 Vervangende tekst voor Bijlage G – Toelichting afnemers tolkdiensten V2.0

In de allerlaatste alinea vervalt de volgende tekst:

(…)

De onderstaande tekst is daarvoor in de plaats gekomen:

(…)

(…)

7 VRAGEN TWEEDE RONDE

NR .

DOCUMENT

BLZ

VRAAG

ANTWOORD AANBESTEDENDE DIENST

7.1

(…)

(…)

Ter waarborging dat de Aanbestedende dienst en de Afnemers de gewenste kwaliteit geleverd (blijven) krijgen tegen reële tarieven, voert de Aanbestedende dienst de volgende wijzigingen door.

1. De aanbestedende dienst brengt een onderscheid aan in de tolkvergoeding voor beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst versus overige niet beëdigde tolken, waardoor een hogere vergoeding voor een beëdigde tolk of tolk op de uitwijklijst niet vergoed hoeft te worden van het flexibele aandeel (7,5%) van de tolkvergoeding. Zie hiervoor de aangepaste bijlagen C2 en de aangepaste tekst in paragraaf 4.2.2 van het Beschrijvend document.

2. (…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

2.6.

Het beschrijvend document, versie 3.0 uit september 2014 vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…)

4 Gunningscriterium

(…)

4.2.2.

4.2.2. Criterium prijs

Bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P1 en/of bijlage C2 – Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P2 dient door de Inschrijver gebruikt te worden voor het opgeven van de gevraagde tarieven en de indexeringspercentages.

Inschrijver dient in de vrije invoervelden (in het lichtgeel):

Inschrijver dient in de vrije invoervelden (in het lichtgeel):

de drie tarieven op te geven voor de bemiddeling van de tolkdiensten,

de zes tarieven op te geven voor de verschillende taalgroepen van telefonische of persoonlijke tolkdiensten voor beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst;

de zes tarieven op te geven voor de verschillende taalgroepen van telefonische of persoonlijke tolkdiensten voor overige niet-beëdigde tolken;

de indexeringspercentages op te geven voor zowel de bemiddelingstarieven als de tolkvergoeding.

Bij het opgeven van de verschillende tarieven en indexeringspercentages dient de Inschrijver zich te houden aan de volgende voorwaarden:

(…)

(…)

Het onderlinge verschil tussen de tolkvergoeding (per minuut)

voor de uitvoering van telefonische tolkdiensten en de tolkvergoeding (per minuut) voor de uitvoering van persoonlijke tolkdiensten mag bij dezelfde taalgroepen niet groter zijn dan 15% . Dit geldt zowel bij de tolkvergoeding van beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst als voor de tolkvergoeding voor overige niet-beëdigde tolken.

De norm van waaruit dit berekend wordt is het hoogste tarief dat wordt aangeboden. Ter illustratie, indien voor telefonische tolkdiensten voor de top 20 meest gevraagde talen 1 euro als hoogste tarief wordt aangeboden bij beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst mag het tarief voor persoonlijke tolkdiensten niet lager zijn dan 0,85 euro

De tolkvergoeding per minuut voor overige niet-beëdigde tolken dient tenminste 5% lager te zijn dan de tolkvergoeding per minuut voor beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst. Dit geldt zowel voor telefonische als persoonlijke tolkdiensten in alle taalgroepen.

Ter illustratie, indien voor telefonische tolkdiensten voor de top 20 meest gevraagde talen 1 euro als hoogste tarief wordt aangeboden bij beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst mag het tarief voor telefonische tolkdiensten voor de top 20 meest gevraagde talen bij overige niet-beëdigde tolken niet hoger zijn dan 0,95 euro;

De indexeringspercentages zijn niet lager dan 1% of hoger dan 4%

(…)

(…)”

2.7.

Als bijlage C2 bij het beschrijvend document versie 3.0 zijn twee formulieren gevoegd (Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P1 V 2.0 en Reactieformulier gunningscriteria, criterium prijs P2 V 2.0), waarop inschrijvers per perceel de bemiddelingstarieven en de tolkvergoeding die zij in rekening brengen moeten invullen. Ten aanzien van de tolkvergoeding is een onderscheid gemaakt tussen “beëdigde tolk en tolk op de uitwijklijst” en “overige niet beëdigde tolken” en vervolgens in elke groep tussen telefonische tolkdiensten en persoonlijke tolkdiensten, waarna in die subgroepen een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende taalgroepen.

2.8.

Concorde heeft tijdig ingeschreven op beide percelen van de opdracht.

2.9.

Bij brief van 3 oktober 2014 heeft de IND Concorde, voor zover nu relevant, als volgt bericht:

“(…)

In paragraaf 4.2.2. van het beschrijvend document V3.0 staan de voorwaarden aangegeven waaraan de verschillende tarieven en indexeringspercentages moeten voldoen ten aanzien van het criterium prijs. Eén van die voorwaarden is dat de tolkvergoeding per minuut voor overige niet-beëdigde tolken tenminste 5% lager dient te zijn dan de tolkvergoeding per minuut voor beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst. Dit geldt voor telefonische en persoonlijke tolkdiensten in alle taalgroepen. [toevoeging voorzieningenrechter: hierna: de 5%-eis]

Uw inschrijving heeft voor zowel perceel 1 als perceel 2 niet aan deze voorwaarde voldaan. Daarmee komt uw organisatie conform paragraaf 2.11 van het beschrijvend document voor beide percelen niet in aanmerking voor gunning van de overeenkomst en is uw inschrijving niet verder beoordeeld en terzijde gelegd.

(…)”

Voorts heeft de IND in die brief bericht voornemens te zijn de opdracht voor beide percelen te gunnen aan Manpower.

2.10.

Bij brief van 10 oktober 2014 heeft Concorde een klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt van de IND (het Klachtenmeldpunt Europees Aanbesteden Veiligheid en Justitie), omdat zij zich niet kan verenigen met de terzijdelegging van haar inschrijving. Kern van die klacht is, kort samengevat, dat de gunningssystematiek bij nota van inlichtingen is gewijzigd met de 5%-eis, zonder dat om die wijziging is gevraagd en zonder dat de IND die wijziging voldoende duidelijk heeft gecommuniceerd. Concorde heeft daarbij opgemerkt dat haar klacht slechts gerepareerd kan worden door een heraanbesteding.

2.11.

Bij brief van 3 november 2014 heeft de IND Concorde bericht dat het klachtenmeldpunt aan de IND heeft geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren en dat de IND, mede naar aanleiding van dat advies, ook concludeert tot ongegrondverklaring van de klacht.

3 Het geschil

3.1.

Concorde vordert – zakelijk weergegeven – de IND op straffe van verbeurte van een dwangsom:

I. te verbieden gevolg te geven aan het door de IND kenbaar gemaakte voornemen van 3 oktober 2014;

II. te gebieden de opdracht opnieuw aan te besteden, onder vermelding van deugdelijke eisen en gunningcriteria, voor zover de IND de opdracht nog wil gunnen;

een en ander met veroordeling van de IND in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert Concorde kort samengevat het volgende aan. Naar aanleiding van een gestelde vraag heeft de IND onder 7.1. in de tweede nota van inlichtingen opgemerkt dat hij een tweetal wijzigingen heeft doorgevoerd in de beoordelingssystematiek [toevoeging voorzieningenrechter: zoals weergegeven in de onder 2.5 opgenomen tabel]. Achteraf is gebleken dat de twee in de tweede nota van inlichtingen aangekondigde wijzigingen niet de enige wijzigingen zijn die zijn doorgevoerd naar aanleiding van de gestelde vraag. De IND heeft in het beschrijvend document namelijk ook de 5%-eis toegevoegd. Een dergelijk wijziging van de belangrijkste voorwaarden van de opdracht bij nota van inlichtingen is niet toegestaan. Bij nota van inlichtingen kunnen slechts de reeds in het beschrijvend document opgenomen eisen worden verduidelijkt en kunnen geen nieuwe eisen worden geïntroduceerd. De 5%-eis is geen verfijning of verduidelijking van enig gunningscriterium, maar een geheel nieuwe eis. Bovendien geldt, als tweede bezwaar tegen deze nieuw toegevoegde eis, dat deze wijziging door de IND niet deugdelijk is gecommuniceerd met de inschrijvende partijen, zoals bijvoorbeeld op de manier waarop andere wijzigingen telkens zijn aangekondigd in paragraaf 1 van de nota van inlichtingen. Uitsluitend door het beschrijvend document versie 3.0 tegen te lezen met het beschrijvend document versie 1.0 zou Concorde de 5%-eis kunnen hebben opgemerkt. Dergelijk zoekwerk kan niet van een inschrijvende partij worden verwacht, dit te minder gezien de korte termijn tussen de tweede nota van inlichtingen en de sluiting van de inschrijvingstermijn. Voor dergelijk zoekwerk was bovendien geen aanleiding omdat de 5%-eis geen enkel verband houdt met de in de nota van inlichtingen gestelde vraag. Concorde was ook niet bedacht op de 5%-eis, omdat de tendens in aanbestedingsprocedures voor tolkendiensten is dat inschrijvers reële tarieven moeten offreren, waarmee tolken uit de voeten kunnen, en de 5%-eis is daarmee niet te verenigen. Indien de IND een eis had willen toevoegen aan de op voorhand bekend gemaakte eisen, dan hij dat uitdrukkelijk moeten aangeven. De IND heeft dit nagelaten, waardoor Concorde als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver niet bekend was en hoefde te zijn met de nieuwe aanvullende eis. Door op deze wijze te handelen heeft de IND gehandeld in strijd met het transparantiebeginsel en heeft de IND een onbehoorlijke aanbestedingsprocedure georganiseerd.

3.3.

De IND en Manpower voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4.

Manpower vordert – zakelijk weergegeven:

I. de IND te verbiedende opdracht te gunnen aan een ander dan Manpower,

II. Concorde te gebieden te gehengen en gedogen dat de opdracht aan Manpower wordt gegund,

een en ander met veroordeling van Concorde in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Kort gezegd voert Manpower daartoe aan dat de IND op goede gronden voornemens is de opdracht aan haar te gunnen.

3.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van Concorde en de IND met betrekking tot de vorderingen van Manpower hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vorderingen van Concorde

4.1.

Het geschil van partijen is, kort samengevat, beperkt tot de vragen i) of het toelaatbaar was om de 5%-eis nog in te voeren bij de tweede nota van inlichtingen en ii) of de wijze waarop die wijziging aan potentiële inschrijvers is gecommuniceerd voldoende transparant is geweest.

4.2.

Het meest verstrekkende bezwaar van Concorde tegen de terzijdelegging van haar inschrijving is dat het de IND niet meer was toegestaan in deze fase van de aanbestedingsprocedure (bij de tweede nota van inlichtingen) een wijziging in de gunningscriteria door te voeren. Dit bezwaar kan haar evenwel niet baten. Anders dan door Concorde is betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de 5%-eis geen op zichzelf staande wijziging van de gunningscriteria is, doch een uitwerking van het onderscheid in tarieven voor beëdigde tolken en tolken op de uitwijklijst enerzijds en niet-beëdigde tolken anderzijds (hierna: de twee-tarieven-eis). Ten aanzien van de twee-tarieven-eis, welke eis (eveneens) in de tweede nota van inlichtingen is aangekondigd, geldt dat Concorde van die eis kennis heeft genomen en daarmee bij haar inschrijving ook rekening heeft gehouden. Tegen de wijziging van de eisen ten aanzien van de tarieven heeft zij in zoverre ook geen bezwaar gemaakt, en daartegen maakt Concorde ook thans geen bezwaar, zo is ter zitting expliciet gebleken. Onder die omstandigheden kan de IND – daargelaten de vraag of het onderscheid in de twee-tarieven-eis is aan te merken als een wijziging van de gunningscriteria, zoals Concorde stelt of, aldus de IND, slechts een verfijning daarvan – (thans) niet (meer) worden tegengeworpen dat zij in de tweede nota van inlichtingen op dit punt de tekst van het beschrijvend document heeft gewijzigd. Indien de twee-tarieven-eis toelaatbaar moet worden geacht (en door Concorde ook als zodanig is geaccepteerd), geldt dat ook voor de verfijning van dat onderscheid in de 5%-eis. Dit geldt eens te meer omdat Concorde zonder enige kanttekening of voorbehoud heeft ingeschreven, daarbij in aanmerking nemend de twee-tarieven-eis. Vervolgens heeft zij het voornemen tot gunning afgewacht, waarna zij eerst over de uitwerking van de twee-tarieven-eis in de 5%-eis heeft geklaagd in dit kort geding. Onder deze omstandigheden heeft Concorde naar voorlopig oordeel haar recht verwerkt om thans nog over dit punt te klagen.

4.3.

De vraag of de 5%-eis een antwoord is op de gestelde vraag naar aanleiding waarvan de wijziging in tarieven is doorgevoerd kan onbesproken blijven. Als het – zoals Concorde aanvoert, maar de IND betwist – geen antwoord is op de gestelde vraag, geldt dat zowel voor de twee-tarieven-eis, als voor de 5%-eis. Nu de twee-tarieven-eis voor Concorde niet op bezwaren is gestuit, kan dat voor de 5%-eis niet anders zijn. Hetzelfde geldt voor de stelling van Concorde dat de wijziging van het gunningscriterium te laat is aangekondigd, gezien de termijn tussen de nota van inlichtingen en de uiterste datum waarop mocht worden ingeschreven. Immers, die termijn was voor de twee-tarieven-eis even kort, en dat is op geen bezwaren van Concorde gestuit.

4.4.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of de 5%-eis zo verholen kenbaar is gemaakt dat, kort gezegd, van een inschrijvende partij niet verwacht kan worden dat zij hiervan kennis heeft genomen. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent dat de wijze van communicatie van de 5%-eis niet de schoonheidsprijs verdient. De IND heeft ter zitting toegelicht dat de IND een onderscheid heeft gemaakt in de wijze van communicatie van ambtshalve doorgevoerde wijzigingen in de aanbestedingsdocumenten en in de wijze van communicatie van wijzigingen in de aanbestedingsdocumenten naar aanleiding van door (potentieel) inschrijvende partijen gestelde vragen. Ambtshalve doorgevoerde wijzigingen staan telkens in paragraaf 1 van de nota’s van inlichtingen expliciet vermeld, terwijl wijzigingen die doorgevoerd worden naar aanleiding van gestelde vragen uitsluitend in de beantwoording van die vragen staan benoemd. Mede gezien het onderscheid in omvang van de tekst van paragraaf 1 en de beantwoording van de vragen, had het de voorkeur verdiend als ook wijzigingen in de aanbestedingsdocumenten naar aanleiding van gestelde vragen nog – kort – benoemd waren in paragraaf 1 van de nota van inlichtingen.

4.5.

Het onder 4.4 overwogene doet er evenwel niet aan af dat van een redelijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mocht worden verwacht dat hij ook van de 5%-eis kennis had genomen. Immers, – zoals ook door Concorde wordt erkend – van de nota van inlichtingen moet zorgvuldig kennis worden genomen en de nota van inlichtingen verwijst expliciet naar een wijziging van de tekst in paragraaf 4.2.2. van het beschrijvend document. Van een redelijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mag vervolgens worden verwacht dat hij ook kennis neemt van de desbetreffende paragraaf en aldus van de daarin opgenomen 5%-eis. Daar komt bij dat, zoals de IND en Manpower terecht aanvoeren, de wijziging in paragraaf 4.2.2. substantieel van omvang is. Uitsluitend door een blik te werpen op die paragraaf was al helder dat sprake was van wijzigingen daarin. Het met twee personen tegenlezen van versie 1.0 en versie 3.0 van het beschrijvend document – hetgeen volgens Concorde van een inschrijvende partij niet gevergd kan worden – daarvoor niet vereist. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de onder 2.3 en 2.6 opgenomen citaten uit versie 1.0 en versie 3.0 van het beschrijvend document, waaruit de (feitelijke omvang) van de wijziging blijkt. De omstandigheid dat de (in de tweede nota van inlichtingen benoemde) de twee-tarieven-eis op pagina 30 staat omschreven en de uitwerking daarvan in de 5%-eis op pagina 31 baat Concorde niet. Van Concorde mocht immers worden verwacht dat zij de volledige tekst, dus ook een pagina verder zou lezen. De stellingen van Concorde dat de 5%-eis in het beschrijvend document – anders dan bepaalde andere eisen – niet expliciet wordt benadrukt, door deze bijvoorbeeld te onderstrepen en dat de 5%-eis ook niet nadrukkelijk in bijlage C2 is opgenomen, kunnen het vorengaande evenmin anders maken. Immers, de 5%-eis had voor Concorde reeds bij normale lezing van het beschrijvend document kenbaar kunnen zijn, zodat een extra benadrukking daarvan niet noodzakelijk is. Slotsom is dan ook dat van een normaal oplettende en geïnformeerde inschrijver mag worden verwacht dat hij kennis heeft genomen van de 5%-eis en dat de IND de inschrijving van Concorde op goede gronden terzijde heeft gelegd. De vorderingen van Concorde zijn dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

4.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Concorde in de procedure tegen de IND worden veroordeeld in de proces- en nakosten, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

Met betrekking tot de vorderingen van Manpower

4.7.

In de stellingen van de IND ligt besloten dat de IND nog steeds voornemens is de opdracht te gunnen aan Manpower. Bij die stand van zaken heeft Manpower geen belang (meer) bij toewijzing van haar vorderingen. Deze zullen dan ook worden afgewezen.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Manpower in het kader van haar vorderingen worden veroordeeld in de kosten van de IND. Deze kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de IND als gevolg van die vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Concorde in haar verhouding tot Manpower worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Manpower was immers te bewerkstelligen dat de gunningsbeslissing in stand blijft. Dat doel is bereikt. Concorde zal dan ook worden veroordeeld in de proces- en nakosten van Manpower, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van Concorde af;

- wijst de vorderingen van Manpower af;

- veroordeelt Manpower voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de IND in de kosten van de IND, die worden begroot op nihil;

- veroordeelt Concorde in de overige proceskosten, die tot op dit vonnis aan de zijde van zowel de IND als Manpower telkens worden begroot op € 1.424,=, waarvan € 608,= aan griffierecht en € 816,= salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- veroordeelt Concorde tevens in de nakosten aan de zijde van zowel de IND als Manpower, telkens forfaitair begroot op € 131,= aan salaris advocaat, voor wat betreft Manpower te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- bepaalt dat, indien en voor zover Concorde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de IND en/of Manpower aan Concorde is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,= aan salaris advocaat, voor wat betreft Manpower te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na die aanschrijving, alsmede (zowel ten aanzien van de IND als Manpower) met de explootkosten van betekening van dit vonnis;

- verklaart voormelde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.

idt