Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:248

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-01-2015
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
C-09-461443 HA ZA 14-310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen in incidenten in hoofdzaak Vestia tegen de voormalig bestuurder en de commissarissen.

De rechtbank staat oproeping in vrijwaring toe van de voormalig kasbeheerder van Vestia, een aantal accountants(kantoren), een aantal banken, de Staat, het CFV en het WSW. Vestia dient verder op grond van artikel 843a Rv bescheiden te verstrekken aan de voormalig bestuurder en de commissarissen. Ten aanzien van een aantal van de verstrekken stukken heeft de rechtbank op de voet van artikel 29 Rv geheimhouding bevolen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/76
RO 2015/24
AR 2015/885
JONDR 2015/446
JOR 2015/141 met annotatie van mr. drs. S.R. van Breukelen
OR-Updates.nl 2015-0037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

C/09/414499 / HA ZA 12-29315 mei 2013

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C09/461443/ HA ZA 14-310

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 januari 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING VESTIA,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

tegen

1 [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in de incidenten,

advocaat: mr. J.H. Lemstra te Amsterdam,

2 [B],

wonende in [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

4. [D],

wonende in [woonplaats],

5. [E],

wonende in [woonplaats],

6. [F],

wonende in [woonplaats],

7. [G],

wonende in [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in de incidenten,

advocaat: mr. Y. Borrius,

8 [H],

wonende in [woonplaats],

9. [I],

wonende te [woonplaats] (Cyprus),

gedaagden in de hoofdzaak,

niet verschenen.

Eiseres in de hoofdzaak tevens verweerster in de incidenten wordt hierna aangeduid als “Vestia”. Gedaagde sub 1 in de hoofdzaak tevens eiser in de incidenten wordt aangeduid als “[A]” en gedaagden sub 2 tot en met 7 in de hoofdzaak tevens eisers in de incidenten worden tezamen aangeduid als: “de commissarissen”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen met producties van 16 oktober 2013;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens houdende incidentele vordering tot verstrekking van bepaalde bescheiden van de zijde van [A], met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van Vestia in de door [A] opgeworpen incidenten, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en tot verstrekking van bepaalde bescheiden van de zijde van de commissarissen;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van Vestia in de door de commissarissen opgeworpen incidenten, met producties;

  • -

    de nadere conclusie van antwoord in de incidenten van [A] met producties;

  • -

    de akte vermeerdering van eis in de incidenten tevens overlegging productie van de zijde van de commissarissen,

  • -

    het proces-verbaal van het op 18 november 2014 gehouden pleidooi in de incidenten.

1.2

Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.

2 Het geschil

in de hoofdzaak

2.1

In de hoofdzaak vordert Vestia dat voor recht wordt verklaard dat haar voormalig bestuurder [A] en de commissarissen onbehoorlijk jegens Vestia hebben gehandeld en dat hen daarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt, op grond waarvan zij aansprakelijk zijn voor de schade die Vestia daardoor heeft geleden. Vestia vordert dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:

1. € 595.000.000 met rente,

2. € 1.941.050.000 met rente,

3. de overige schade van Vestia, nader op te maken bij staat,

een en ander vermeerderd met de proceskosten en de kosten van de ten laste van [A] en de commissarissen gelegde conservatoire beslagen.

2.2

Kort gezegd legt Vestia aan haar vorderingen ten grondslag dat [A] en de commissarissen schadeplichtig zijn jegens haar omdat [A] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en de commissarissen hun toezichtstaak niet behoorlijk hebben uitgeoefend in de periode vanaf 2004 waarin Vestia een omvangrijke en risicovolle derivatenportefeuille heeft opgebouwd, waardoor Vestia in de loop van 2011 te kampen kreeg met steeds grotere liquiditeitstekorten en in juni 2012 met de banken een regeling heeft moeten treffen waarmee de rentederivaten voor bijna 2 miljard euro werden afgekocht.

in de vrijwaringsincidenten:

2.3

[A] vordert primair dat hem tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum, gelegen op minimaal zes maanden van de datum van dit vonnis, wordt toegestaan om de volgende (rechts)personen in vrijwaring op te roepen:

a. a) [J], wonend in ([postcode]) [woonplaats]

, gemeente [gemeente], op het adres [adres];

b) de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., al dan niet in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel van de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V., statutair gevestigd in Amsterdam, kantoorhoudende in (1082 PP) Amsterdam, op het adres Gustav Mahlerlaan 10;

c) de rechtspersoon (public limited company) naar het recht van Engeland en Wales

Barclays Bank PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 5HP) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Churchill Place, tevens kantoorhoudende in (1077 XX) Amsterdam, op het adres Strawinskylaan 1453;

d) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk BNP Paribas S.A.,

gevestigd althans kantoorhoudende in (75009) Parijs, Frankrijk, op het adres 16,

Boulevard des Italiens, tevens kantoorhoudende in (1017 CE) Amsterdam, op het

adres Herengracht 595;

e) de rechtspersoon (private unlimited company) naar het recht van Engeland en Wales Credit Suisse International, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 Q4J)

Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Cabot Square;

f) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Ierland Depfa Bank

PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in Dublin 1, Ierland, op het adres 1, Commons Street;

g) de rechtspersoon (Aktiengesellschaft) naar het recht van Duitsland Deutsche Bank

AG, gevestigd althans kantoorhoudende in (60325) Frankfurt am Main, Duitsland, op het adres Taunusanlage 12, tevens kantoorhoudende in (1101 HE) Amsterdam

Zuidoost, gemeente Amsterdam, op het adres De Entree 99-197;

h) de naamloze vennootschap ING Bank N.V., statutair gevestigd in Amsterdam, kantoorhoudende in (1102 MG) Amsterdam-Zuidoost, gemeente Amsterdam, op het adres Bijlmerplein 888;

i. i) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Engeland en Wales

J.P. Morgan Securities PLC, voorheen genaamd J.P. Morgan Securities Ltd., althans J.P. Morgan Securities Limited, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 5JP) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 25 Bank Street, Canary Wharf;

j) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Engeland en Wales Nomura International PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in (EC4R 3AB) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Angel Lane;

k) de coöperatie Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A., onder meer

handelend onder de naam Rabobank International, statutair gevestigd in Utrecht,

kantoorhoudende in (3521 CB) Utrecht, op het adres Croeselaan 18;

1) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk Société Générale S.A., gevestigd althans kantoorhoudende in (75009) Parijs, Frankrijk, op het adres

29, Boulevard Haussmann, tevens kantoorhoudende in (1096 HA) Amsterdam, op het adres Amstelplein 1;

m) de naamloze vennootschap N.V. Bank Nederlandse Gemeenten, statutair gevestigdin Den Haag, kantoorhoudende in (2514 AA) Den Haag, op het adres Koninginnegracht 2;

n) de naamloze vennootschap KPMG Accountants N.V., statutair gevestigd in Amstelveen, kantoorhoudende in (1186 DS) Amstelveen, op het adres Laan van Langerhuize 1;

o) de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (het ministerie van

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), zetelend in Den Haag, kantoorhoudende in (2511 DC) Den Haag, op het adres Turfmarkt 147;

p) de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) Centraal Fonds

voor de Volkshuisvesting, gevestigd althans kantoorhoudende in (3743 KN) Baarn, op het adres Oude Utrechtseweg 19;

q) de stichting Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw, statutair gevestigd in

Huizen, kantoorhoudende in (1213 PK) Hilversum, op het adres Marathon 6;

2.4

De commissarissen vorderen dat hen wordt toegestaan om op een nader door de commissarissen te bepalen datum, althans niet eerder dan het moment waarop in de hoofdzaak voor antwoord is gediend, althans niet eerder dan zes maanden na de datum van dit vonnis, de volgende (rechts)personen in vrijwaring op te roepen:

a. a) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deloitte Accountants B.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudend te Rotterdam;

b) de heer [K] RA;

c) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deloitte Financial Advisery Services B.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudend te Rotterdam;

d) de naamloze vennootschap KPMG Accountants N.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudend te Amstelveen;

e) de heer [L] RA;

f) de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), zetelend te Den Haag;

g) de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, gevestigd in althans kantoorhoudend te Baarn;

h) de stichting Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw, statutair gevestigd in Huizen en kantoorhoudend te Hilversum;

en voor het geval [A] niet zal worden toegestaan banken in vrijwaring op te roepen, vorderen de commissarissen dat hen wordt toegestaan in vrijwaring op te roepen:

primair:

i. i) de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., al dan niet in haar

hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel

van de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V., statutair

gevestigd in en kantoorhoudende te Amsterdam;

j) de rechtspersoon (public limited company) naar het recht van Engeland en

Wales Barclays Bank PLC, gevestigd in althans kantoorhoudende te Londen,

Verenigd Koninkrijk, tevens kantoorhoudende te Amsterdam;

k) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk BNP Paribas S.A., gevestigd in althans kantoorhoudende te Parijs, Frankrijk, tevens kantoorhoudende te Amsterdam;

1) de rechtspersoon (private unlimited company) naar het recht van Engeland en Wales Credit Suisse International, gevestigd in althans kantoorhoudende te

Londen, Verenigd Koninkrijk;

m) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Ierland Depfa Bank PLC, gevestigd in althans kantoorhoudende te Dublin, Ierland;

n) de rechtspersoon (Aktiengesellschaft) naar het recht van Duitsland Deutsche Bank AG, gevestigd in althans kantoorhoudende te Frankfurt am Main, Duitsland, tevens kantoorhoudende te Amsterdam;

o) de naamloze vennootschap ING Bank NV., statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Amsterdam;

p) de rechtspersoon (private limited company) J.P. Morgan Securities PLC, voorheen genaamd J.P. Morgan Securities Ltd., althans J.P. Morgan Securities Limited, gevestigd in althans kantoorhoudende te Londen, Verenigd Koninkrijk;

q) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Engeland en Wales Nomura International PLC, gevestigd in althans kantoorhoudende te Londen, Verenigd Koninkrijk;

r) de coöperatie Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A., onder meer handelend onder de naam Rabobank International, statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Utrecht;

s) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk Société Générale S.A., gevestigd in althans kantoorhoudende te Parijs, Frankrijk, tevens kantoorhoudende te Amsterdam;

t) de naamloze vennootschap N.V. Bank Nederlandse Gemeenten, statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Den Haag;

u) de naamloze vennootschap Banque Artesia Nederland NV., statutair gevestigd in althans kantoorhoudende te Amsterdam.

en subsidiair:

i. i) de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., al dan niet in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel van de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Amsterdam;

j) de naamloze vennootschap ING Bank N.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Amsterdam;

k) de coöperatie Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A., onder meer handelend onder de naam Rabobank International, statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Utrecht;

1) de naamloze vennootschap N.V. Bank Nederlandse Gemeenten, statutair gevestigd in en kantoorhoudende te Den Haag;

m) de naamloze vennootschap Banque Artesia Nederland NV., statutair gevestigd in althans kantoorhoudende te Amsterdam.

2.5 (

Meer) subsidiair – voor het geval de primaire vorderingen (deels) worden afgewezen – verzoeken [A] en de commissarissen de rechtbank om:

i) verlof te verlenen voor tussentijds appel tegen het vonnis in het incident;

ii) de behandeling van hoofdzaak aan te houden totdat onherroepelijk is beslist op de incidentele vordering.

in de incidenten tot verstrekking van bescheiden

2.6

[A] vordert primair dat Vestia wordt bevolen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de hierna volgende bescheiden af te geven, op straffe van een direct opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte ervan waarop Vestia hiermee in gebreke blijft:

a. a) de volgens Vestia in juni 2012 met een aantal banken gesloten overeenkomst, inclusief alle daarbij behorende bijlagen;

b) het in opdracht van Vestia door De Brauw Westbroek N.V. opgestelde ‘governance rapport’, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen;

c) een overzicht van alle door Vestia met de banken gedurende het bestuurderschap van [A] gesloten derivatencontracten, met vermelding van in ieder geval telkens:

i) de notional value,

ii) de contracterende bank,

iii) de start- en einddatum,

iv) de naam en

v) het type derivaat.

d) de documenten die de banken hebben opgesteld ten aanzien van Vestia in het kader van hun plicht om informatie in te winnen over haar financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid;

e) het strafdossier van [J];

f) de overeenkomsten op basis waarvan KPMG haar diensten verleende aan Vestia, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen.

2.7

De commissarissen vorderen primair dat Vestia wordt bevolen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de hierna volgende bescheiden af te geven, op straffe van een direct opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare dwangsom van

€ 10.000,- per dag of gedeelte ervan waarop Vestia hiermee in gebreke blijft:

a. a) de accountantsdocumentatie, te weten:

i) opdrachtovereenkomsten accountants;

ii) opdrachtovereenkomsten (met onderliggende documentatie) Deloitte FAS;

iii) rapporten van bevindingen en management letters;

iv) procesdossier Vestia tuchtklachten accountantskamer;

v) controle dossier accountants.

waarbij met uitzondering van de onder iv) genoemde stukken als relevante periode geldt de periode waarin [A] bestuurder van Vestia was;

b) het in opdracht van Vestia door De Brauw Westbroek N.V. opgestelde ‘governance rapport’, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen, en een ‘Overzicht Onderzoeksinformatie’, te weten een overzicht van de door De Brauw bij het onderzoek gebruikte bronnen;

c) een ‘Overzicht Derivatencontracten’, te weten een overzicht van alle door Vestia gedurende het bestuurderschap van [A] gesloten derivatencontracten, met een historisch overzicht van de derivatenportefeuille van Vestia, bevattende alle relevante criteria (voor de beoordeling) van de afgesloten contracten – in de vorm van een digitaal overzicht (voorzien van bijbehorend computerprogramma) dan wel een hard-copy overzicht (uitdraai);

d) de ‘Rapportages Derivatencontracten’, te weten de gedurende het bestuurderschap van [A] (al dan niet) op kwartaalbasis aan WSW verstrekte overzichten van de derivatenportefeuille van Vestia en/of andere overzichten of rapportages of (power point) presentaties ter zake van de derivatenportefeuille van Vestia zoals deze zijn verstrekt aan WSW en/of CFV en/of het ministerie en/of de desbetreffende accountants en/of Deloitte FAS;

e) de correspondentie derivatenportefeuille en –beleid, te weten de gedurende het bestuurderschap van [A] door Vestia (vanuit de bestuurder, financieel directeur en/of treasurer) op het vlak van de derivaten-portefeuille c.q. het derivatenbeleid c.q. het aanhouden/gebruiken van liquiditeitsbuffers c.q. de faciliterings(borgings)ruimte van Vestia met WSW en/of CFV en/of het ministerie en/of de desbetreffende accountants en/of Deloitte FAS gevoerde (email-) correspondentie, inbegrepen memo’s en verslagen;

f) de ‘Documentatie Raamovereenkomsten’, te weten:

i) Raamovereenkomst financiële derivaten, d.d. 10 december 2001, ABN AMRO Bank N.V. - Stichting Vestia Groep;

ii) ISDA Master Agreement, d.d. 28 april 2005, ABN AMRO N.V. - Stichting Vestia Groep;

iii) Bank Nederlandse Gemeenten, nadere gegevens raamovereenkomst niet bekend;

iv) Banque Artesia, nadere gegevens raamovereenkomst niet bekend;

v) ISDA Master Agreement, d.d. 23 december 2008, Stichting Vestia Groep - Barclays Bank PLC;

vi) ISDA MasterAgreement, d.d. 6 augustus 2009, BNP Paribas - Stichting Vestia Groep;

vii) ISDA Master Agreement, d.d. 23 maart 2007, Citibank NA. - Stichting Vestia Groep;

viii) ISDA Master Agreement, d.d. 9 november 2010, Credit Suisse International - Stichting Vestia Groep;

ix) ISDA Master Agreement, d.d. 31 januari 2007, Depfa Bank plc - Stichting Vestia Groep;

x) ISDA Master Agreement, door [A] getekend op 2 augustus 2005, Deutsche Bank AG — Stichting Vestia Groep;

xi) ISDA Master Agreement, d.d. 1 december 2001, Fortis Bank (Nederland) N.V. - Stichting Vestia Estrade Groep;

xii) ISDA Master Agreement, d.d. 30 september 2003, ING Bank N.V. -Stichting Vestia Groep;

xiii) ISDA Master Agreement, d.d. 8 februari 2011, J.P. Morgan Securities Limited - Stichting Vestia Groep;

xiv) ISDA Master Agreement, d.d. 6 januari 2009, Nomura International plc – Stichting Vestia Groep;

xv) ISDA Master Agreement, door [A] getekend op 9 april 2001, Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (trading as Rabobank International) - Vestia Estrade Groep;

xvi) ISDA Master Agreement, d.d. 9 september 2008, Société Générale – Stichting Vestia Groep;

xvii) Enige andere raamovereenkomst met enige andere bank.

Alsook, per raamovereenkomst:

 de daarbij behorende schedules en credit support documentatie (of vergelijkbare bijlagen met een andere naam), enige exoneraties zijdens de banken, alsmede

 wijzigingen van de hiervoor genoemde documenten;

 daarop betrekking hebbende legal opinions en andere juridische

advies documenten die Vestia heeft laten opmaken of van de banken heeft of zal ontvangen in het kader van het sluiten van voornoemde raamovereenkomsten met de banken.

g) de volgende bankbescheiden inclusief alle daarbij behorende documenten:

i) de classificatie als professionele of niet-professionele belegger, als bedoeld in artikel 4:18a-e Wft jo 58a-f Bgfo, waaruit blijkt hoe de banken Vestia hebben geclassificeerd en hoe zij haar erop hebben geattendeerd of gewaarschuwd dat een andere classificatie mogelijk is en wat de gevolgen daarvan zijn;

ii) de door de banken op grond van artikel 4:20 Wft aan Vestia verstrekte informatie, waaronder de informatie omtrent de aan de derivaten verbonden risico’s, met een onderscheid naar de verschillende typen derivaten die met de banken zijn afgesloten;

iii) de informatieuitwisseling tussen de banken en Vestia op grond van artikel 4:23 Wft en 4:24 Wft jo artikel 80a-d Bgfo, waaronder onder meer:

 de van tijd tot tijd ingewonnen informatie inzake de financiële positie, kennis, ervaring en risicobereidheid van Vestia;

 de door de banken opgestelde en van tijd tot tijd bijgewerkte risicoprofielen;

 de wijze waarop de banken hebben vastgesteld dat aan de criteria van artikel 80a Bgfo is voldaan;

 de wijze waarop de banken Vestia van tijd tot tijd hebben geïnformeerd, geadviseerd en gewaarschuwd omtrent de geschiktheid en passendheid van de derivaten, in het bijzonder ten aanzien van derivaten die niet slechts dienden ter fixatie van de rente ten behoeve van Vestia;

iv) de informatie uitwisseling tussen de banken en Vestia op grond van artikel 168a Bgfo, waaruit volgt dat de banken Vestia accuraat hadden behoren te informeren over de provisies die zij betaalden aan tussenpersonen;

h) de door Vestia in juni 2012 met een aantal banken gesloten overeenkomst, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen;

i. i) het dossier van de strafrechtelijke procedure tegen [J].

2.8

Subsidiair – voor het geval de primaire vorderingen (deels) wordt afgewezen – verzoeken [A] en de commissarissen de rechtbank om verlof te verlenen voor tussentijds appel tegen het vonnis in het incident.

in alle incidenten

2.9

Primair en (meer) subsidiair vorderen [A] en de commissarissen veroordeling van Vestia in de kosten van het incident, inclusief de nakosten.

2.10

Vestia refereert zich ten aanzien van een aantal onderdelen van de vorderingen aan het oordeel van de rechtbank en voert verder gemotiveerd verweer in de incidenten.

3 De beoordeling

in de incidenten

in alle incidenten

3.1

De rechtbank heeft eerder in de zaak van Vestia tegen [J] – waarin het in de hoofdzaak, evenals in de hoofdzaak in deze zaak, gaat om de aansprakelijkheid en schadeplichtigheid jegens Vestia voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het door Vestia gestelde opbouwen van een (te) omvangrijke en risicovolle derivatenportefeuille – geoordeeld over de door [J] opgeworpen vrijwarings- en exhibitieincidenten (vonnis van 8 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:51). De incidentele vorderingen van [J], [A] en de commissarissen hebben ten dele betrekking op dezelfde in vrijwaring op te roepen (rechts)personen en door Vestia te verstrekken bescheiden. In zoverre staat de rechtbank in deze zaak voor beslissingen op dezelfde incidentele vorderingen als in de zaak Vestia tegen [J].

3.2

De beslissing op de incidentele vorderingen in deze zaak zal in een aantal opzichten anders uitvallen dan in de zaak Vestia tegen [J]. De rechtbank wijst erop dat deze zaak niet geheel identiek is aan die van Vestia tegen [J]; Vestia vordert bijvoorbeeld, anders dan in de zaak tegen [J], geen, althans voor een beperkt gedeelte van haar gestelde schade verwijzing naar de schadestaatprocedure in de hoofdzaak. Daarnaast is de feitelijke en juridische grondslag van de vordering in de hoofdzaak niet geheel gelijk in beide zaken. Tot slot is de partijdiscussie in beide zaken anders verlopen. In het bijzonder is de partijdiscussie in de incidenten in deze zaak uitgebreider, meer concreet en onderbouwd gevoerd dan die in de door [J] opgeworpen incidenten, in het bijzonder op onderdelen waarover de rechtbank in de zaak van Vestia tegen [J] heeft geoordeeld dat de stellingen onvoldoende concreet waren.

in de vrijwaringsincidenten

3.3

De door [A] en de commissarissen gestelde grondslag voor vrijwaring is, kort gezegd, dat zij – als zij schadeplichtig zijn jegens Vestia – een regresrecht hebben op alle door hen genoemde (rechts)personen, die volgens [A] en de commissarissen in dat geval hoofdelijk zijn verbonden voor dezelfde schade als bedoeld in artikel 6:102 BW omdat zij wanprestatie hebben gepleegd en/of onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vestia en/of ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van Vestia en/of door Vestia onverschuldigd zijn betaald. Zij stellen daarnaast dat de door hen beoogde waarborgen in een aantal gevallen rechtstreeks aansprakelijk zijn jegens [A] en de commissarissen op grond van onrechtmatige daad en dat een veroordeling van [A] en de commissarissen in de hoofdzaak leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de waarborgen ten koste van [A] en de commissarissen. De commissarissen stellen daarnaast in een aantal gevallen dat zij belang hebben bij oproeping in vrijwaring in verband met de door beoogde waarborgen te leveren processuele bijstand in de hoofdzaak.

3.4

[A] en de commissarissen betwisten vooreerst dat zij in de hoofdzaak schadeplichtig zijn. [A] stelt voorop dat hij niet heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2:9 BW en dat hij niet aansprakelijk is voor enige door Vestia gestelde schade. Hij betwist verder dat causaal verband bestaat tussen het aan hem verweten handelen en de door Vestia gestelde schade en stelt dat Vestia bovendien niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Ten aanzien van de derivatenportefeuille betwist [A] dat hij Vestia aan onaanvaardbare risico’s heeft blootgesteld, dat de derivatenportefeuille qua omvang en samenstelling niet bij het doel van beheersing van renterisico’s paste en dat de zogenaamde “Risicovolle derivaten” waar het verwijt van Vestia betrekking op heeft “niets te zoeken hadden” in de portefeuille van Vestia.

3.5

De commissarissen benadrukken dat zij deel uitmaakten van een intern toezichthoudend orgaan dat slechts één van de mede-spelers was in het kader van de governance en wijst op de in verschillende rapporten geuite kritiek op andere relevante actoren. Zij bestrijden dat zij zijn tekortgeschoten in hun toezichthoudende taak.

3.6

[A] en de commissarissen wijzen erop dat zij er gezien het voorgaande van overtuigd zijn dat de vordering in de hoofdzaak dient te worden afgewezen en dat zij de vorderingen tot oproeping in vrijwaring alleen hebben ingesteld voor het geval de rechtbank te zijner tijd tot een ander oordeel komt.

3.7

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vorderingen tot oproeping in vrijwaring de stellingen van Vestia in de hoofdzaak tot uitgangspunt, zonder daar een inhoudelijk oordeel over te vellen. Dat betekent dat zij er bij de beoordeling in de vrijwaringsincidenten veronderstellenderwijs vanuit gaat dat [A] en de commissarissen zullen worden veroordeeld in de hoofdzaak. Of dat daadwerkelijk gaat gebeuren, zal te zijner tijd blijken bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

3.8

Bij de beoordeling stelt de rechtbank verder voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien de verzoeker voldoende gemotiveerd en concreet stelt krachtens zijn rechtsverhouding tot die derde recht en belang te hebben de nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen.

3.9

[A] en de commissarissen betogen terecht dat het erom gaat dat zij deze rechtsverhouding voldoende stellen. Het bestaan van de door hen gestelde rechtsverhouding behoeft niet vast te staan of aannemelijk te zijn of te worden gemaakt. De vraag of deze rechtsverhouding vaststaat en daadwerkelijk grond vormt voor regres, dient in de vrijwaringsprocedures te worden beantwoord.

3.10

[A] en de commissarissen wijzen er verder terecht op dat de rechtsverhouding tussen hen en de waarborgen van een andere aard kan zijn dan de rechtsverhouding waarop de vordering van Vestia in de hoofdzaak is gebaseerd. Ook is het niet nodig dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de vordering in de vrijwaringszaken en de vordering in de hoofdzaak of dat [A] en de commissarissen er belang bij hebben dat de waarborgen hen bijstaan in de hoofdzaak.

3.11

De beslissing over een in beginsel toewijsbare incidenteel gevorderde oproeping in vrijwaring wordt mede bepaald door overwegingen van doelmatigheid: is gezamenlijke behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gewenst uit oogpunt van proceseconomie of om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, of zou de hoofdzaak daardoor onredelijk en nodeloos worden vertraagd. De rechter dient daartoe de tegengestelde belangen van incidenteel eiser en incidenteel verweerder af te wegen (vgl. Hoge Raad 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0567).

3.12

In dit verband is van belang dat hoofdzaak en vrijwaringszaak aparte procedures zijn, die ieder hun eigen loop kunnen hebben. In de praktijk gaan beide zaken vaak gelijk op en is het ook doelmatig dat dit gebeurt. Dat hoeft echter niet zo te gaan. Wel wordt, als beide zaken tegelijk in staat van wijzen geraken, daarin gelijktijdig beslist. Als dat niet zo is, kunnen de zaken afzonderlijk worden afgedaan.

3.13

De rechtbank zal nu met inachtneming van het voorgaande de verschillende door [A] en de commissarissen beoogde waarborgen bespreken.

[J]

3.14

[A] en de commissarissen stellen dat [J], die laatstelijk bij Vestia werkzaam was als treasury & control manager, gedreven door een persoonlijk belang vanwege het ontvangen van een deel van de provisies van de door hem heimelijk ingeschakelde tussenpersoon, een omvangrijke derivatenportefeuille heeft opgebouwd voor Vestia, die onder deze handelswijze van [J] een andere omvang en samenstelling zou hebben gehad. Hiermee heeft [J] volgens [A] en de commissarissen onrechtmatig gehandeld jegens Vestia, dan wel heeft hij zich ten koste van Vestia ongerechtvaardigd verrijkt, dan wel is hij onverschuldigd (indirect) betaald door Vestia. [A] en de commissarissen stellen verder dat de gestelde fraude van [J] een tekortkoming in de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst met Vestia vormt. Het handelen van [J] is volgens [A] en de commissarissen tot slot ook onrechtmatig jegens hen.

3.15

Vestia refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, dat luidt dat [A] en de commissarissen voldoende gemotiveerd en concreet hebben gesteld dat zij, vanwege de door hen gestelde aansprakelijkheid van [J] jegens Vestia, recht en belang hebben om de nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op [J] te verhalen. De rechtbank zal dan ook toestaan dat [J] wordt opgeroepen in vrijwaring. De rechtbank laat onbesproken of het gestelde onrechtmatig handelen van [J] jegens [A] en de commissarissen (ook) grondslag voor vrijwaring kan opleveren.

de banken

3.16

Uitgaande van de in de dagvaarding door Vestia gestelde premisse dat de rentederivaten uit de portefeuille van Vestia niet geschikt waren voor Vestia, stellen [A] en de commissarissen dat de banken hun (bijzondere)zorgplicht jegens Vestia hebben geschonden, door de rentederivaten aan Vestia te adviseren en te verkopen, althans door Vestia niet dan wel onvoldoende te wijzen op de daaraan verbonden risico’s en/of ongeschiktheid van de rente-derivaten voor het hedgen van renterisico’s en/of door niet te voldoen aan hun plicht tot het inwinnen van informatie. Daarmee en door (actief) mee te werken aan het eerder omschreven verwijtbaar handelen van [J], hebben de banken volgens [A] en de commissarissen onrechtmatig gehandeld jegens Vestia en ook rechtstreeks jegens hen.

3.17

Vestia heeft zich in eerste instantie alleen verzet tegen oproeping van ING en BNG in vrijwaring en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over oproeping in vrijwaring van de andere banken. Voorafgaand aan het pleidooi in het incident heeft zij zich alsnog verzet tegen oproeping van alle banken in vrijwaring.

3.18

[A] en de commissarissen hebben bezwaar gemaakt tegen deze uitbreiding van de grondslag van het verweer van Vestia. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de rechtbank dit bezwaar afgewezen – kort gezegd – omdat deze grondslagwijziging niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde.

ING en BNG

3.19

[A] heeft zijn vordering tot oproeping in vrijwaring van ING en BNG ingetrokken. De commissarissen hebben dat niet gedaan.

3.20

Uit de dagvaarding blijkt dat het in de hoofdzaak gemaakte verwijt van Vestia aan het adres van [A] en de commissarissen geen betrekking heeft op de meest basale derivaten uit Vestia’s derivatenportefeuille, de interest rate swaps, te weten de payer swap en de receiver swap. Het verwijt in de hoofdzaak ziet op de door Vestia in de dagvaarding aangeduide ‘Risicovolle swaps’ uit de derivatenportefeuille van Vestia. In de dagvaarding hanteert Vestia de term ‘Risicovolle derivaten’ als een gezamenlijke aanduiding voor geschreven swaptations, cancallable swaps en gestructureerde/exotische derivaten, die volgens Vestia naar hun aard niet geschikt waren om Vestia’s renterisico te beheersen, maar juist extra risico’s met zich brachten. Met de gestructureerde/exotische derivaten doelt Vestia op index-linked swaps, constant maturity swap-structuren (CMS) en andere structuren, waarbij de te betalen rente was gebaseerd op Euriborrentes enerzijds en complexe formules anderzijds.

3.21

Vestia heeft onweersproken gesteld dat de portefeuille van Vestia bij ING alleen de hiervoor aangeduide basale derivaten bevatte. Vestia heeft verder onweersproken gesteld dat ING medio 2009 reeds te kennen heeft gegeven dat zij de lopende derivaten wilde afwikkelen, maar dat dit pas in februari 2012 is gebeurd, tijdens de zogenoemde ‘doorzakoperatie’, omdat [A] weigerde daar zijn medewerking aan te verlenen. Dit betekent volgens Vestia dat, voor zover ING’s aandeel in de overhedge zou hebben bijgedragen aan de later ontstane liquiditeitsproblemen van Vestia, dit niet aan ING te wijten is, terwijl bovendien gesteld noch gebleken is dat Vestia medio 2009 schade zou hebben geleden waarvoor ING aansprakelijk gehouden zou kunnen worden. Vestia heeft tot slot onweersproken gesteld dat de swaps bij deze banken niet via een tussenpersoon zijn afgesloten.

3.22

De commissarissen, op wiens weg dat ligt, hebben hierop niet nader geconcretiseerd waarom ING hen desalniettemin dient te vrijwaren bij een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. Dit leidt tot afwijzing van hun vordering daartoe.

3.23

Voor BNG geldt eveneens dat Vestia onweersproken heeft gesteld dat de portefeuille van Vestia alleen de hiervoor bedoelde basale derivaten bevatte en dat BNG geen gebruik maakte van een tussenpersoon. Vestia voert verder aan dat het aandeel van de bij BNG aangehouden derivatenportefeuille van Vestia en de wijze van tot stand komen niet vergelijkbaar was met het aandeel van de commerciële banken en concludeert dat het handelen van BNG niet tot enige schade van Vestia heeft geleid.

3.24

De niet nader geconcretiseerde stelling van de commissarissen dat BNG haar zorgplicht heeft geschonden jegens Vestia is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – onvoldoende om te kunnen concluderen dat de commissarissen hebben voldaan aan hun stelplicht voor toewijzing van hun vordering tot oproeping van BNG in vrijwaring. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Banque Artesia

3.25

De commissarissen vorderen oproeping in vrijwaring van Banque Artesia, waar volgens Vestia geen derivaten overeenkomst mee is afgesloten. De commissarissen stellen daar tegenover dat uit een steekproef blijkt dat met Banque Artesia wel degelijk derivatentransacties zijn aangegaan (nummer D000000063), die daarom ten onrechte ontbreekt in het door Vestia als productie 63 in de hoofdzaak overgelegde overzicht.

3.26

De enkele – door Vestia betwiste – stelling van de commissarissen dat uit een niet nader aangeduide steekproef (“een steekproef”) blijkt dat sprake is geweest van een derivatentransactie met Banque Artesia, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de commissarissen hebben voldaan aan hun stelplicht voor toewijzing van hun vordering tot oproeping in vrijwaring van deze bank. Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

de andere banken

3.27

Vestia betoogt dat [A] en de commissarissen ten aanzien van de andere banken de tot vrijwaring verplichtende rechtsverhouding onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Dit – overigens niet nader geconcretiseerde – betoog treft geen doel. Zoals hiervoor is overwogen, is doorslaggevend of [A] en de commissarissen de rechtsverhouding voldoende hebben gesteld, niet of zij die aannemelijk hebben gemaakt.

3.28

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [A] en de commissarissen voldoende gemotiveerd en concreet gesteld dat de andere banken aansprakelijk kunnen zijn jegens Vestia wegens schending van hun zorgplicht. Of zij dit ook voldoende hebben gesteld voor de volgens hen bestaande rechtstreekse aansprakelijkheid van de banken jegens hen, kan onbesproken blijven. Ook als, zoals Vestia stelt, niet alle banken gebruik hebben gemaakt van een tussenpersoon, staat dit niet in de weg aan oproeping in vrijwaring, aangezien dit een aparte grondslag is naast de gestelde zorgplichtschending.

3.29

Vestia voert verder aan dat toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring zal leiden tot omvangrijke, tijdrovende, complexe en kostbare procedures in vrijwaring, tegen deels in het buitenland gevestigde banken. Alleen al de dagvaardingstermijn voor de in het buitenland gevestigde banken leidt volgens Vestia tot onredelijke vertraging. Vestia voorziet verder vanwege de toepasselijke jurisdictieclausules in door haar met de banken gesloten overeenkomsten waarin de Engelse rechter als exclusief bevoegde rechter wordt aangewezen, langslepende procedures over jurisdictie. Vestia voorziet ook complicaties vanwege de rechtskeuzeclausules die zullen nopen tot het toepassen van buitenlands recht in de vrijwaringsprocedures. Vestia wijst erop dat zij reeds door enkele banken is betrokken in protective declaratory relief procedures in Londen, die kunnen leiden tot verzoeken tot aanhouding als bedoeld in artikel 28 EEX-Vo, althans artikel 30 herschikte EEX-Vo. Vestia verwacht dat ook andere banken dergelijke procedures tegen haar zullen beginnen in London als in de onderhavige procedure wordt toegestaan hen in vrijwaring op te roepen. Daarmee zal Vestia naar eigen zeggen gedwongen worden zich te verweren in lange en kostbare procedures in het Verenigd Koninkrijk. Toewijzing van het verzoek om de andere banken in vrijwaring op te roepen, zal daarom volgens Vestia haar belangen schaden. De door de rechtbank te maken belangenafweging bij beoordeling van het verzoek van [A] en de commissarissen dient volgens Vestia te leiden tot afwijzing van de vordering tot oproeping van de andere banken in vrijwaring.

3.30

[A] en de commissarissen hebben het voorgaande gemotiveerd weersproken. Tijdens het pleidooi hebben zij te kennen gegeven bij akte feiten en omstandigheden te willen aanvoeren ter relativering van de door Vestia genoemde punten van internationaal recht en de daarmee samenhangende processuele complicaties. Vestia heeft zich daartegen verzet.

3.31

De rechtbank heeft het verzoek van [A] en de commissarissen om deze akte te nemen tijdens het pleidooi afgewezen, met de aantekening dat zij – als zij na de zitting tot de conclusie zou komen dat de partijdiscussie over de andere banken onvoldoende uitgekristalliseerd is en/of dat zij ten behoeve van haar beslissing nadere voorlichting nodig heeft van [A] en de commissarissen over de door hen bij hun bezwaar genoemde punten van internationaal recht en processuele complicaties – [A] en de commissarissen in de gelegenheid zal stellen om zich in een akte uit te laten over deze kwesties. De rechtbank zal deze gelegenheid niet bieden, omdat zij zich voldoende voorgelicht acht, na een voldoende uitgekristalliseerd partijdebat waarin recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.

3.32

Bij het nemen van de beslissing op het verzoek om de banken in vrijwaring te mogen oproepen, ziet de rechtbank onder ogen dat met het toestaan van het oproepen in vrijwaring de kring van de in vrijwaring op te roepen (rechts)personen wordt uitgebreid en dat daarmee ook het aantal vrijwaringsprocedures aanzienlijk toeneemt. Zoals iedere vrijwaringszaak, kunnen ook de vrijwaringzaken tegen de banken de procedure in de hoofdzaak vertragen. Als het gaat om de dagvaardingstermijn, zal de vertraging beperkt zijn, aangezien [A] en de commissarissen te kennen hebben gegeven dat zij ter beperking van vertraging van de vrijwaringsprocedures tegen de banken zich hebben beperkt tot de in de Europese Unie gevestigde banken en niet ook de daarbuiten gevestigde banken – voor wie een langere dagvaardingstermijn geldt – in hun vorderingen hebben betrokken. Niet uitgesloten kan worden dat vertraging kan optreden in de procedure in de vrijwaringszaken, bijvoorbeeld als – zoals Vestia stelt – de in het buitenland gevestigde banken inderdaad de door Vestia genoemde incidenten opwerpen. Verder zullen de inhoudelijke geschillen in deze zaken mogelijk feitelijk en juridische complex zijn en zal bovendien mogelijk buitenlands recht moeten worden toegepast – waarbij [A] en de commissarissen er overigens op hebben gewezen dat de complicatie in dat opzicht beperkt is, aangezien de rechtskeuzeclausules in de overeenkomsten tussen Vestia en de banken een keuze voor Nederlands dan wel Engels recht inhouden.

3.33

Daar tegenover staat dat, zoals [A] en de commissarissen terecht aanvoeren, de door Vestia tegen hen ingestelde hoofdzaak evenzeer complex en omvangrijk is en naar redelijke verwachting ook geruime tijd in beslag zal nemen. Dat relativeert de hiervoor aangeduide toename van complexiteit en potentiële vertraging van de hoofdzaak als gevolg van het in vrijwaring oproepen van de banken. De vertraging van de hoofdzaak behoeft verder niet aan de orde te zijn of kan worden beperkt als (enkele van) de procedures in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken niet gelijk opgaan. Zoals overwogen in r.o. 3.12 behoeven de procedures in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak niet (steeds) gelijk op te lopen en kunnen de zaken ook los van elkaar worden afgedaan.

3.34

De rechtbank weegt verder mee dat Vestia in de hoofdzaak [A] en de commissarissen weliswaar in hun hoedanigheid van bestuurder en commissarissen aanspreekt, maar dat dit niet wegneemt dat een eventuele veroordeling in de hoofdzaak zal worden verhaald op hun privé-vermogens. Gezien de omvang van de vordering in de hoofdzaak is het zeer waarschijnlijk dat toewijzing daarvan, zoals [A] en de commissarissen hebben betoogd, zal leiden tot hun persoonlijk faillissement. Mede gezien de omvang van de vordering in de hoofdzaak, zal toewijzing van de vordering voor hen allen zeer verstrekkende consequenties hebben. Daarmee hebben [A] en de commissarissen een zwaarwegend belang bij oproeping in vrijwaring van de banken.

3.35

Dit belang van [A] en de commissarissen weegt zwaarder dan het hiervoor genoemde – en overigens relatieve – processueel nadeel van vertraging van de hoofdzaak en weegt ook op tegen het nadeel dat Vestia stelt te (gaan) ondervinden van oproeping in vrijwaring van de banken, omdat zij verwacht dat de andere banken het voorbeeld zullen volgen van de banken die haar in het Verenigd Koninkrijk hebben betrokken in protective declaratory relief procedures. Afgezien van de vraag of alle banken dit laatste zullen doen en of deze procedures in alle gevallen zullen worden uitgeprocedeerd, blijkt uit de toelichting van Vestia dat bedoelde procedures voortvloeien uit de bedingen uit de overeenkomst die Vestia en de Staat hebben gesloten met de banken. Het is dus kennelijk de consequentie van een contractueel beding tussen Vestia en de banken dat in het kader van de belangenafweging in dit incident geldt als behorend tot de risicosfeer van Vestia en dat ook om die reden geen doorslaggevend gewicht in de schaal legt.

3.36

Het voorgaande leidt tot toewijzing van de vorderingen tot oproeping van de andere banken in vrijwaring. De rechtbank gaat voorbij aan de voorwaarde waaronder de primaire vordering van de commissarissen is ingesteld ten aanzien van de banken en laat het aan de commissarissen of zij daadwerkelijk overgaan tot oproeping in vrijwaring van de banken.

de accountants

3.37

[A] en de commissarissen leggen aan hun vordering ten aanzien van KPMG, de voormalig accountant van Vestia, onder meer ten grondslag dat KPMG bij het afgeven van een goedkeurende verklaring over de jaarrekening 2010 van Vestia beroepsfouten heeft gemaakt althans niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met Vestia en ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vestia. [A] en de commissarissen stellen dat de KPMG hiermee ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld.

3.38

De commissarissen wensen verder dat op dezelfde gronden de verantwoordelijk accountant bij KPMG, [L], in vrijwaring wordt opgeroepen en voorts naast KPMG ook Deloitte, die in het tijdvak tot en met het boekjaar 2009 het controlerend accountantskantoor van Vestia was, met als verantwoordelijk accountant [K]. In dat tijdvak zijn verder adviezen over de rentederivatenportefeuille en de boekhoudkundige benadering daarvan ingewonnen bij en verstrekt door Deloitte FAS, die om die reden ook in vrijwaring dient te worden opgeroepen. De commissarissen stellen verder dat zij er een gerechtvaardigd belang bij hebben dat deze (rechts)personen hun in de hoofdzaak ondersteunen.

3.39

Vestia refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, dat luidt dat [A] en de commissarissen voldoende gemotiveerd en concreet hebben gesteld dat zij, vanwege de gestelde aansprakelijkheid van KPMG jegens Vestia, recht en belang hebben de nadelige gevolgen van een voor hen ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op KPMG te verhalen. De rechtbank staat oproeping van KPMG in vrijwaring door [A] en de commissarissen toe. Op dezelfde gronden staat zij oproeping in vrijwaring door de commissarissen van [L], Deloitte, [K] en Deloitte FAS toe. Onbesproken kan blijven of het gestelde onrechtmatig handelen van deze (rechts)personen jegens [A] en de commissarissen (ook) grondslag voor vrijwaring kan opleveren, evenals het door de commissarissen gestelde belang van ondersteuning in de hoofdzaak.

de Staat, het CFV en het WSW

3.40

[A] en de commissarissen stellen dat zij recht en belang hebben bij de oproeping in vrijwaring van de in de wet omschreven externe toezichthouders van Vestia, te weten de Staat en het CFV, en verder bij oproeping in vrijwaring van het WSW, dat feitelijk een belangrijke toezichthoudende taak heeft vervuld. Onder verwijzing naar onder meer de bevindingen van de commissie Hoekstra en van de parlementaire enquêtecommissie stellen zij dat – kort gezegd – de Staat en het CFV, de verschillende relevante factoren die in het toezicht samenkomen in aanmerking nemend, niet in redelijkheid tot het oordeel hebben kunnen komen te handelen (waaronder begrepen na te laten) zoals zij hebben gedaan.

3.41

Aanvullend stellen [A] en de commissarissen ten aanzien van de Staat dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vestia en jegens hen door op onjuiste gronden afkoop van een aanzienlijk deel van de derivatenportefeuille tegen zeer ongunstige voorwaarden af te dwingen. Aanvullend verwijten zij het CFV, onder verwijzing naar de nota van het Tweede kamerlid P.H. Omzicht van 3 september 2013, dat het CFV al in 2007 heeft voorspeld wat Vestia deed en dat pas in 2011 daadwerkelijk heeft onderkend, toen Vestia in de problemen raakte. Het WSW verwijten [A] en de commissarissen aanvullend onder meer dat – uitgaande van de stellingen van Vestia in de hoofdzaak – door het WSW ten onrechte goedkeuring is verleend aan de door Vestia gebruikte (typen) rentederivaten. De in 2011 opgetreden vertraging in de bepaling van het jaarlijks toe te kennen faciliteringsvolume en de afwijzing door het WSW van het beroep van Vestia op liquiditeitssteun hebben volgens [A] en de commissarissen in belangrijke mate bijgedragen aan de betalingsproblemen die bij Vestia zijn ontstaan. Tot slot wijzen zij erop dat het CFV en het WSW hun falen hebben erkend en dat ook Vestia heeft gewezen op het nu door [A] en de commissarissen gestelde falen van het CFV en het WSW.

3.42

De commissarissen voegen hier nog aan toe toe dat zij in relatie tot de derivatenportefeuille nooit enige waarschuwing hebben ontvangen van de externe toezichthouders, die ook om die reden hun toezichthoudende taak niet adequaat hebben vervuld. Daarmee hebben zij een onnodig risico in het leven geroepen op het verwijt van ontoereikend toezicht dat nu aan het adres van de commissarissen wordt gemaakt en de daarmee gepaard gaande aansprakelijkheid.

3.43

[A] en de commissarissen stellen op grond van het voorgaande dat de Staat en het CFV niet hebben gehandeld als een redelijk handelend toezichthouder en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vestia. Ook het WSW heeft onrechtmatig gehandeld jegens Vestia volgens [A] en de commissarissen, die verder stellen dat de Staat, het CFV en het WSW eveneens onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Daarmee zijn zij gehouden [A] en de commissarissen te vrijwaren voor een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. Tot slot stellen de commissarissen dat zij recht en belang hebben op processuele bijstand in de hoofdzaak van de Staat, het CFV en het WSW.

3.44

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [A] en de commissarissen voldoende gemotiveerd en concreet gesteld dat zij, vanwege de door hen gestelde aansprakelijkheid van de Staat, het CFV en het WSW jegens Vestia, recht en belang hebben de nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op de Staat, het CFV en het WSW te verhalen. Zij hebben in dat verband de volgens hen bestaande feitelijk toezichthoudende taak van het WSW jegens Vestia voldoende toegelicht en zijn in hun stellingen en tijdens het pleidooi uitgebreid ingegaan op aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van een (publiekrechtelijke) toezichthouder, zoals de vraag of er sprake is van een door de toezichthouder geschonden norm die strekt tot bescherming tegen de schade die Vestia stelt te hebben geleden. De rechtbank zal dan ook oproeping van de Staat, CFV en het WSW toestaan.

3.45

De rechtbank overweegt ten overvloede dat hiermee geen oordeel is gegeven over enige aansprakelijkheid van de Staat, het CFV en het WSW jegens Vestia. Zoals onder 3.9 is overwogen, dient in de vrijwaringszaken te worden beoordeeld of de stellingen van [A] en de commissarissen daadwerkelijk kunnen leiden tot aansprakelijkheid, nadat daarover in die zaken een uitgekristalliseerd partijdebat is gevoerd. Onbesproken kan blijven of de andere feitelijke en juridische stellingen van [A] en de commissarissen ten aanzien van de Staat, het CFV en het WSW eveneens grondslag voor oproeping in vrijwaring kunnen vormen. Wat Vestia daarover te berde heeft gebracht, blijft dus ook onbesproken. De rechtbank laat voorts het door de commissarissen gestelde recht en belang bij processuele bijstand van de Staat, het CFV en het WSW onbesproken.

3.46

Evenals ten aanzien van de banken, is de rechtbank tot slot van oordeel dat het zwaarwegend belang van [A] en de commissarissen bij het toestaan van oproeping in vrijwaring van de Staat, het CFV en het WSW opweegt tegen de door Vestia genoemde processuele complicaties als gevolg van deze extra vrijwaringsprocedures.

oproepingstermijn

3.47

[A] vordert dat hem wordt toegestaan de hiervoor genoemde (rechts)personen op te roepen op een door de rechtbank te bepalen datum, gelegen minimaal zes maanden na de datum van dit vonnis. De commissarissen vorderen dat hen wordt toegestaan de hiervoor genoemde (rechts)personen in vrijwaring op te roepen op een nader door de commissarissen zelf te bepalen datum, althans niet eerder dan dat in de hoofdzaak voor antwoord is gediend, althans niet eerder dan na zes maanden na de datum van dit vonnis.

3.48

De rechtbank zal de oproepingstermijn bepalen op zes maanden. Daarmee houdt zij rekening met de aan Vestia gegunde termijn voor het verstrekken van bescheiden – waarover hierna – en met het gegeven dat het opstellen van de dagvaardingen in de vrijwaringszaken meer tijd vergt dan het opstellen van een gemiddelde dagvaarding, terwijl met deze termijn geen onredelijke vertraging optreedt in de hoofdzaak.

in de incidenten tot verstrekking van bescheiden

3.49

Vestia heeft intussen de volgende bescheiden verstrekt aan [A] en de commissarissen:

i. i) de derivatencontracten die door Vestia met de banken zijn gesloten en
die volgens haar in deze zaak onderwerp van discussie zijn;

ii) de ISDA Master Agreements op basis waarvan deze derivatencontracten zijn afgesloten;

iii) de gedeelten uit de directieverslagen van Vestia over de periode van 2005 tot en met de totstandkoming van de overeenkomst oftewel de termsheet van 18 juni
2012 die zien op de derivaten die volgens Vestia in deze zaak onderwerp van
discussie zijn, met uitzondering van gedeelten daarvan die zien op (de
totstandkoming van) de termsheet;

iv) de gedeelten uit de verslagen van de vergaderingen van de raad van commissarissen over de periode van 2005 tot en met de totstandkoming van de termsheet van 18 juni 2012 die zien op de derivaten die volgens Vestia in deze zaak onderwerp van discussie zijn, met uitzondering van gedeelten daarvan die zien op (de totstandkoming van) de termsheet;

v) de gedeelten uit het verslag van de treasurycommissie van Vestia over 2012 die zien op de derivaten die volgens Vestia in deze zaak onderwerp van discussie zijn, met uitzondering van gedeelten daarvan die zien op (de totstandkoming van) de termsheet;

vi) de correspondentie tussen Vestia en de banken over de margin calls, de eventuele opzegging van kredieten en het opeisen van gelden;

vii) de processtukken in de procedure tussen Vestia en [J], met bijbehorende producties;

viii) alle publieke stukken in de procedure tussen Vestia en Credit Suisse.

3.50

Voor zover de standpunten van [A] en de commissarissen betrekking hebben op deze, door Vestia verstrekte bescheiden, laat de rechtbank die standpunten bij gebrek aan belang onbesproken.

3.51

[A] en de commissarissen stellen dat zij op grond van de artikelen 21, 22, 85 lid 1, 843a Rv, artikel 6 EVRM en de beginselen van een goede procesorde recht hebben op en belang hebben bij verstrekking van de in hun incidentele vorderingen genoemde bescheiden.

3.52

De rechtbank overweegt met betrekking tot de artikelen 21 en 85 Rv als volgt. Artikel 21 Rv verplicht partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Op grond van artikel 85 lid 1 Rv is een partij die zich in een processtuk op enig stuk beroept, verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen. Deze verplichtingen zijn niet rechtstreeks afdwingbaar. Uit het niet voldoen aan deze verplichtingen kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Het door [A] en de commissarissen in dit incident beoogde afdwingen van het verstrekken van bescheiden door Vestia kan wel worden gegrond op – voor zover hier van belang – de artikelen 22 en 843a Rv, waar [A] en de commissarissen zich eveneens op beroepen.

3.53

Het voorgaande betekent dat bij de beoordeling in het incident onbesproken kan blijven of Vestia, zoals [A] en de commissarissen betogen, niet heeft voldaan aan de in artikel 21 en 85 Rv neergelegde verplichtingen. De rechtbank zal de incidentele vorderingen tot verstrekking van bescheiden toetsen aan de artikelen 22 en 843a Rv.

3.54

Op grond van artikel 22 Rv heeft de rechter de discretionaire bevoegdheid in elke stand van de procedure te bevelen dat een partij bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden overlegt, waarbij geldt dat partijen dat kunnen weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn.

3.55

Artikel 843a Rv ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte, die ertoe dient om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat géén algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Gegeven dat feit en ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’ is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan meerdere beperkende voorwaarden gebonden. Ten eerste dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang te stellen en te hebben. Ten tweede moet de vordering “bepaalde bescheiden” betreffen waarover, ten derde, de verweerder daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. Ten vierde dient de eiser tot exhibitie partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien. Hieronder valt ook de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks géén gehoudenheid tot overlegging indien, ten vijfde, daarvoor gewichtige redenen zijn of indien, ten zesde, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

3.56

Daarnaast kunnen de beginselen van de goede procesorde nopen tot overlegging van bescheiden, evenals het in artikel 6 neergelegde beginsel van equality of arms dat er – in dit verband – toe strekt te voorkomen dat een partij onredelijk voordeel geniet of haar wederpartij onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald stuk niet beschikbaar komt in de procedure.

de overeenkomst (termsheet)

3.57

Het in de hoofdzaak door Vestia gevorderde schadebedrag bestaat onder meer uit de € 1.941.050.000 die gemoeid was met de in juni 2012 getroffen regeling met de banken waarin de door Vestia als Risicovolle derivaten aangeduide derivaten zijn afgekocht. Deze regeling is vastgelegd in de overeenkomst, de termsheet, die niet door Vestia in het geding is gebracht.

3.58

[A] en de commissarissen stellen dat zij de overeenkomst nodig hebben om adequaat verweer te voeren in de hoofdzaak, onder meer met betrekking tot de onrechtmatigheid, de (hoogte van de) schade, causaal verband en eigen schuld. Zij concretiseren deze stelling door te wijzen op een passage uit een brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer over de overeenkomst, waarin staat:

Een nadeel is dat deze overeenkomst een verlies heeft opgeleverd van ongeveer 2 miljard euro aan maatschappelijk vermogen dat bestemd was voor de volkshuisvesting. Dit verlies zit voor ongeveer 1,3 miljard euro bij Vestia en komt voor ongeveer 700 miljoen euro ten laste van de sector via de saneringsheffing.” (TK 2011-2012, 29 453, nr. 253, p 5).

Dit illustreert en onderstreept volgens [A] en de commissarissen hun gerechtvaardigd belang om over de overeenkomst te beschikken, aangezien hieruit, zo stellen zij, blijkt dat de beweerdelijk door Vestia geleden schade 700 miljoen euro lager is dan Vestia in de dagvaarding stelt.

3.59

Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom [A] en de commissarissen de termsheet nodig hebben voor het voeren van verweer over de door Vestia gestelde aansprakelijkheid vanwege hun onbehoorlijke taakvervulling in relatie tot de opbouw van de derivatenportefeuille in de daaraan voorafgaande jaren.

3.60

[A] en de commissarissen hebben hun gerechtvaardigd belang bij verstrekking van de overeenkomst alleen geconcretiseerd of gemotiveerd voor zover het gaat om het voeren van verweer tegen de in de hoofdzaak gevorderde schade, voor zover deze bestaat uit de op grond van de overeenkomst aan de banken te betalen afkoopsom. Deze concretisering en motivering is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen oordelen dat [A] en de commissarissen een direct en concreet, voor hun rechtspositie relevant belang hebben bij verstrekking van een afschrift van de overeenkomst. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitleg van Vestia in de conclusie van antwoord in het incident (bij randnummer 3.5) met betrekking tot het hiervoor weergegeven citaat, welke uitleg steun vindt in de door [A] en de commissarissen niet geciteerde gedeelten van brief van de Minister. Boven de door [A] en de commissarissen aangehaalde passage staat onder het kopje “inhoud van de overeenkomst”:

“De gesloten overeenkomst behelst dat de derivatencontracten tussen Vestia en de 9 banken worden afgekocht voor ongeveer 2 miljard euro. Dit bedrag betaalt Vestia grotendeels zelf (namelijk voor ongeveer 1,3 miljard euro met de margin calls die de corporatie al aan de banken heeft betaald en daarnaast een extra betaling van 100 miljoen euro). Het resterende bedrag van bijna 600 miljoen euro wordt gefinancierd door een lening van het consortium van banken aan Vestia. In verband met de afbetaling van deze lening en de eerder genoemde 100 miljoen zal Vestia saneringssteun aanvragen bij het CFV. Vestia heeft zich in de overeenkomst het recht voorbehouden om banken aansprakelijk te stellen als sprake blijkt te zijn geweest van fraude, omkoping of andere ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de banken.”

3.61

In het licht van het voorgaande is de door [A] en de commissarissen geponeerde stelling dat de door Vestia gegeven uitleg over de gewraakte passage in de brief van de Minister zonder inzage in de overeenkomst niet te toetsen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om tot toewijzing van de gevorderde termsheet te concluderen. Ook het door [A] en de commissarissen genoemde kennelijk dreigement van Société Générale om – gegeven een mogelijke vrijwaringsprocedure tegen Société Générale, Vestia met een beroep op de termsheet aansprakelijk te stellen – leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie dat [A] en de commissarissen rechtmatig belang hebben bij kennisneming van de termsheet. Het enkele feit dat Vestia zich inmiddels ook tegen oproeping in vrijwaring van andere banken dan ING en BNG heeft verzet, maakt dat, zonder nadere toelichting van [A] en de commissarissen, niet anders. Er is dan ook onvoldoende grond voor toewijzing van de vorderingen ten aanzien van de termsheet.

3.62

Evenmin ziet de rechtbank, gegeven het hiervoor overwogene, bij deze stand van de procedure aanleiding om gebruik te maken van de haar bevoegdheid om op de voet van artikel 22 Rv te bevelen dat Vestia de overeenkomst overlegt. Noch het beginsel van hoor en wederhoor, noch de beginselen van de goede procesorde nopen daartoe. Afwijzing van de vordering ten aanzien van de overeenkomst is tot slot niet in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM.

3.63

De vordering om Vestia te veroordelen tot verstrekking van een afschrift van de overeenkomst en alle eventueel daarbij behorende bijlagen wordt dan ook afgewezen.

het governance rapport

3.64

Advocaten van het kantoor De Brauw Blackstone Westbroek (hierna: De Brauw) hebben in opdracht van Vestia onderzoek gedaan naar de gang van zaken binnen Vestia. Hun bevindingen zijn neergelegd in het governance rapport.

3.65

[A] en de commissarissen stellen dat zij recht hebben op en belang hebben bij kennisname van het governance rapport, omdat daarin een groot aantal onderwerpen wordt behandeld en daarin bevindingen staan die van belang zijn voor het voeren van verweer in de hoofdzaak en voor de onderbouwing van de vorderingen tegen de waarborgen in de vrijwaringszaken.

3.66

De commissarissen – die inzage hebben gehad in het conceptrapport – hebben onweersproken gesteld dat het doel van het onderzoek volgens de onderzoeksopdracht gelegen was in het verkrijgen van een onafhankelijk en objectief beeld van de feitelijke gang van zaken rond de totstandkoming van de derivatenpositie van Vestia. Uit de bij de inzage in het concept-rapport door de raadslieden van de commissarissen gemaakte aantekeningen blijkt dat in het rapport staat: “Het rapport bevat uitsluitend feitelijke bevindingen omtrent de in par. (...) vermelde onderwerpen van het Onderzoek. Het Rapport bevat geen juridische bevindingen, noch juridische kwalificaties of juridische conclusies van vermelde feitelijke bevindingen.” Verder hebben de commissarissen onweersproken gesteld dat in het rapport een voorbehoud wordt gemaakt door het uitspreken van de verwachting dat Vestia het rapport zou (moeten) delen met de relevante autoriteiten en erop gewezen dat Vestia in de aan deze procedure voorafgaande aansprakelijkstelling aan de commissarissen heeft geschreven dat De Brauw “onafhankelijk onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop de derivatenportefeuille tot stand is gekomen”. [A] heeft deze standpunten van de commissarissen onderschreven.

3.67

Gezien het voorgaande is hiermee geen sprake van een intern, adviserend en vertrouwelijk stuk over de standpuntbepaling door Vestia in eventueel door haar te voeren gerechtelijke procedures, doch van een stuk dat de weerslag vormt van een feitelijk onderzoek. De door Vestia aangehaalde mededeling van De Brauw, dat het rapport valt binnen de reikwijdte van het (functioneel) verschoningsrecht van (advocaten van) De Brauw, wordt gelogenstraft door de door de commissarissen aangehaalde passage, waarin De Brauw benadrukt dat het rapport geen juridische bevindingen, kwalificaties of conclusies bevat en door het voorbehoud ten aanzien van verstrekking van het rapport aan de relevante autoriteiten. Tevens is van belang dat er aan de commissarissen eerder reeds inzage in het rapport is verstrekt. Aldus is geen sprake van een door de advocaten van Vestia aan Vestia uitgebracht juridisch advies waarvan Vestia de inhoud in beginsel niet met derden hoeft te delen, aangezien anders het in Nederland geldende rechtsbeginsel dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene moet kunnen wenden tot een advocaat voor bijstand en advies, in te grote mate geweld zou worden aangedaan. Het door Vestia gedane beroep op het (afgeleid) verschoningsrecht van (de advocaten van) De Brauw stuit af op het voorgaande.

3.68

Het voorgaande, gevoegd bij het gegeven dat [A] en de commissarissen onmiskenbaar rechtmatig belang hebben bij verstrekking van een afschrift van dit rapport dat gaat over hun, aan de vordering in de hoofdzaak ten grondslag gelegd handelen/nalaten en de omstandigheid dat ook overigens aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan, leidt tot toewijzing van de vordering ten aanzien van het governance rapport.

3.69

Het voorgaande betekent dat Vestia zal worden bevolen aan [A] en de commissarissen een afschrift te verstrekken van het governance rapport en alle eventueel daarbij behorende bijlagen.

3.70

De vordering van de commissarissen omvat ook een overzicht van de onderzoeksdocumentatie waaraan wordt gerefereerd in het governance rapport. De commissarissen verzoeken nadrukkelijk niet om verstrekking van de onderzoeksdocumentatie zelf, maar wensen een overzicht van de gebezigde bronnen te ontvangen. Zo’n overzicht ontbrak toen zij destijds inzage hadden in het concept-rapport. De commissarissen stellen dat zij belang hebben bij zo’n overzicht, om de bevindingen te kunnen verbinden aan en te staven met de onderliggende documentatie.

3.71

De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering van de commissarissen af. Artikel 843a Rv heeft betrekking op bestaande bescheiden, niet op het opmaken daarvan en kan, nu een dergelijk overzicht kennelijk niet bestaat, daarom geen grondslag vormen voor toewijzing van deze vordering. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van haar in artikel 22 Rv neergelegde bevoegdheid om een toelichting van Vestia te vragen in de vorm van een door Vestia op te stellen overzicht als bedoeld. Het nu niet geven van een bevel om het door de commissarissen gewenste overzicht te maken, leidt niet tot strijd met de eisen van een goede procesorde en levert evenmin een met het bepaalde in artikel 6 EVRM strijdige benadeling van de positie van de commissarissen op, terwijl het bovendien naar redelijke verwachting een behoorlijke inspanning van Vestia zal vergen om zo’n overzicht op te stellen.

overzicht derivatencontracten

3.72

[A] en de commissarissen stellen dat zij een overzicht van de tijdens de bestuursperiode van [A] afgesloten derivatencontracten nodig hebben om de vorderingen tegen de banken in de vrijwaringsprocedures behoorlijk te kunnen onderbouwen. Volgens [A] blijkt uit het bij de dagvaarding gevoegde rapport van Cardano dat dit overzicht bestaat. De commissarissen stellen dat het voor de hand ligt dat Vestia een zo compleet mogelijk overzicht van de in de loopt der jaren aangegane derivatencontracten heeft opgesteld en stellen dat zo’n overzicht, gezien de door Vestia aanhangig gemaakte vorderingen die zijn toegespitst op de derivatenportefeuille, anders alsnog door Vestia moet worden opgesteld.

3.73

Vestia voert aan dat er geen overzicht bestaat dat voldoet aan de door [A] en de commissarissen genoemde kenmerken. In het rapport van Cardano staat nu juist dat het vervaardigen van een totaaloverzicht niet mogelijk was. De daarin opgenomen beschrijving van de derivatenportefeuille is gebaseerd op de jaarrekeningen en de (gecorrigeerde) administratie, waarbij is opgemerkt dat in het verleden afgewikkelde of geherstructureerde producten niet te achterhalen waren. Zij wijst erop dat de bij de dagvaarding gevoegde spreadsheet die [J] bijhield van de rentederivaten het dichtst in de buurt komt van het door [A] en de commissarissen gewenste overzicht, met de aantekening dat deze spreadsheet onvolledig en onbetrouwbaar is.

3.74

Nu er enerzijds omvoldoende aanwijzingen zijn dat het door [A] en de commissarissen bedoelde overzicht bestaat en anderzijds door Vestia gedeeltelijk aan de wens van [A] en de commissarissen tegemoet is gekomen door overlegging van een wel bestaand, zij het mogelijk incompleet, overzicht, zal de rechtbank de vordering afwijzen. Ook hier geldt dat artikel 843a Rv betrekking heeft op bestaande bescheiden, niet op het opmaken daarvan en dat er geen belang is bij een vordering die ziet op bescheiden die al zijn verstrekt. Daarnaast ziet de rechtbank bij deze stand van zaken geen aanleiding om gebruik te maken van haar in artikel 22 Rv neergelegde bevoegdheid om een toelichting van Vestia te vragen, in de vorm van dit door Vestia op te stellen overzicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Vestia de door haar gesloten derivatencontracten die volgens haar in deze zaak onderwerp van discussie zijn – en dus de omvang van het geschil in de hoofdzaak bepalen – heeft verstrekt aan [A] en de commissarissen, die op grond daarvan geacht moeten worden voldoende inzicht te hebben in het totaal aantal en de soort derivatencontracten waar de hoofdzaak betrekking op heeft. Het nu niet geven van een bevel aan Vestia om het door [A] en de commissarissen gewenste overzicht te maken, niet leidt tot strijd met de eisen van een goede procesorde en levert evenmin een met het bepaalde in artikel 6 EVRM strijdige benadeling van de positie van de commissarissen op.

bankbescheiden

3.75

[A] en de commissarissen stellen dat zij de door hen genoemde bankbescheiden nodig hebben om vorderingen tegen de banken in de vrijwaringsprocedures behoorlijk te kunnen onderbouwen en ten behoeve van hun verweer in de hoofdzaak. Hun vorderingen met betrekking tot deze bescheiden komen neer op de vordering Vestia te bevelen afschriften te verstrekken van de gehele bij haar aanwezige correspondentie tussen Vestia en de banken over de rentederivaten vanaf 2004 tot het einde van [A's] bestuursperiode, eind januari 2011, en verder alle bij haar aanwezige documentatie die de banken in die periode aan haar hebben gezonden over de rentederivaten.

3.76

[A] en de commissarissen hebben hiermee voldoende concreet aangeduid op welke bescheiden zij doelen, in ieder geval zodanig dat getoetst kan worden of zij rechtmatig belang hebben bij kennisname van deze bescheiden. De rechtbank verwerpt dan ook het tijdens het pleidooi door Vestia gevoerde verweer op dit punt. [A] en de commissarissen hebben ook rechtmatig belang bij het aan hen verstrekken van de bankbescheiden, ook als dit alleen zou zijn gelegen in het onderbouwen van de vorderingen tegen de banken in de vrijwaringsprocedures zoals [A] in eerste instantie heeft gesteld. Daarbij geldt dat niet blijkt van rechtmatig belang bij verstrekking van bescheiden van andere banken dan de banken die [A] en de commissarissen in vrijwaring mogen oproepen en dan andere banken, ten aanzien waarvan geen oproeping in vrijwaring is gevorderd maar waar de vordering van Vestia in de hoofdzaak wel op ziet.

3.77

Vestia voert aan dat zij enkel over incidentele documenten beschikt die zouden kunnen vallen onder [A's] beschrijving van de door hem gewenste bankbescheiden. Het ligt daarom volgens Vestia in de rede als [A] deze stukken opvraagt bij de banken, die – naar mag worden aangenomen – beschikken over een completere set. Verder wijst zij erop dat het bijeenzoeken van deze stukken uit de administratie van Vestia tot onredelijke kosten aan haar zijde zou leiden, mede gelet op de aanwezigheid van een afdoende alternatief.

3.78

Vestia gaat naar het oordeel van de rechtbank er echter aan voorbij dat het evenzeer kostbaar en bewerkelijk is voor [A] en de commissarissen om afgifte van deze bescheiden bij de banken te vragen of te vorderen. Daarom kan niet worden gezegd dat deze stukken ook redelijkerwijze via een andere weg verkregen kunnen worden en daarom niet door Vestia behoeven te worden verstrekt. Vestia dient dan ook afschriften van deze stukken te verstrekken aan [A] en de commissarissen.

3.79

Vestia heeft in de conclusie van antwoord in de incidenten te kennen gegeven niettemin de door haar reeds achterhaalde en verzamelde bescheiden te zullen verstrekken en heeft tijdens het pleidooi gevraagd om de veroordeling te beperken tot deze bescheiden. De rechtbank zal dat niet doen, omdat het belang van [A] en de commissarissen dat is gelegen in het kunnen beschikken over deze stukken zwaarder weegt dan de door Vestia genoemde, door haar te ondervinden praktische belasting van het moeten bijeenzoeken van deze bescheiden in haar administratie. De rechtbank zal dus bevelen dat Vestia aan [A] en de commissarissen dient te verstrekken de gehele bij haar aanwezige correspondentie over de rentederivaten vanaf 2004 tot eind januari 2011 tussen Vestia en de banken die [A] en de commissarissen in vrijwaring mogen oproepen en eventuele andere banken die in deze periode met Vestia rentederivaten hebben afgesloten waar de vordering in de hoofdzaak op ziet en verder alle bij haar aanwezige documentatie over rentederivaten die de hiervoor bedoelde banken in deze periode aan Vestia heeft gezonden.

documentatie raamovereenkomsten

3.80

Voor zover Vestia de door de commissarissen genoemde raamovereenkomsten, afgezien van die met ING, BNG en Banque Artesia en de onvoldoende bepaalde, door de commissarissen genoemde “alle andere raamovereenkomsten” nog niet of niet compleet verstrekt heeft, dient Vestia deze bescheiden te verstrekken aan de commissarissen, die daar – naar niet in geschil is – rechtmatig belang bij hebben.

3.81

Afgezien van de legal opinions vallen de bescheiden die de commissarissen opsommen onder de noemer “documentatie raamovereenkomsten” binnen de reikwijdte van de hiervoor behandelde bankbescheiden.

3.82

Vestia voert aan dat in verband met de raamovereenkomsten legal opinions zijn uitgebracht aan de banken, niet aan Vestia. Voor zover zij heeft kunnen achterhalen beschikt zij niet over deze bescheiden en voor zover dat anders is beroept Vestia zich op het afgeleid verschoningsrecht van de advocaten die de legal opinions hebben opgesteld.

3.83

Voor zover Vestia beschikt over legal opinions over de raamovereenkomsten, behoeft zij deze niet te verstrekken. Deze stukken vallen binnen de reikwijdte van het functioneel verschoningsrecht van de advocaten die deze stukken hebben opgesteld. Onder het geldende recht wordt aangenomen dat wanneer de bescheiden zich niet bij zo’n verschoningsgerechtigde bevinden, maar bij zijn cliënt, deze niet zonder meer gehouden zijn een afschrift daarvan te verschaffen, omdat het verschoningsrecht daardoor zou worden ondergraven. Dat laat onverlet dat daaraan onder omstandigheden consequenties, zoals de omkering van de bewijslast, zouden kunnen worden verbonden (vgl. Hoge Raad van 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529, B/Interpolis). Het gaat dan om een uitzondering die de regel bevestigt. In beginsel geldt dat geen afschrift van bescheiden behoeft te worden verschaft, ook al bevinden de bescheiden zich niet bij de verschoningsgerechtigde, zoals een advocaat, maar bij een derde. In de rechtspraak wordt dit afgeleide verschoningsrecht bij de toepassing van artikel 843a Rv gehonoreerd en wordt de aard van de vertrouwensrelatie met betrekking tot de bescheiden doorslaggevend geacht en niet de plaats waar de bescheiden zich “toevallig” bevinden.

3.84

Het voorgaande staat in de weg aan toewijzing van de vordering van de commissarissen met betrekking tot de door hen aangeduide legal opinions.

de overeenkomst op basis waarvan KPMG haar diensten verleende aan Vestia, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen.

3.85

Vestia, die verder niet betwist dat de vordering voldoet aan de vereisten van artikel 843a Rv, voert aan dat deze overeenkomst op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden enkel kan worden verstrekt na een bevel daartoe van de rechtbank.

3.86

Vestia, op wiens weg dat ligt, heeft op geen enkele manier geconcretiseerd waarom de door haar genoemde algemene voorwaarden in de weg staan aan het geven van een rechtelijk bevel tot verstrekking van deze overeenkomsten, zoals gevorderd door [A] en de commissarissen. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden toegewezen.

accountantsdocumentatie

3.87

Ten behoeve van het voeren van verweer in de hoofdzaak en het onderbouwen van de vorderingen tegen de accountants in de vrijwaringszaken, vorderen de commissarissen onder de noemer accountantsdocumentatie verstrekking van:

i. i) opdrachtovereenkomsten accountants;

ii) opdrachtovereenkomsten (met onderliggende documentatie) Deloitte FAS;

iii) rapporten van bevindingen en management letters;

iv) procesdossier Vestia tuchtklachten accountantskamer;

v) controle dossiers accountants,

waarbij met uitzondering van de onder iv) genoemde stukken als relevante periode geldt de periode waarin [A] bestuurder van Vestia was;

3.88

Nu de opdracht aan KPMG reeds is beoordeeld, gaat het bij de onder i) bedoelde stukken om de opdrachtbevestigingen aan Deloitte.

3.89

Vestia voert aan dat de commissarissen reeds de beschikking hebben over een aantal bescheiden. Voor zover dat zo is, behoeft zij deze niet nogmaals te verstrekken. Anders dan Vestia betoogt, hebben de commissarissen rechtmatig belang bij kennisname van de door hen genoemde, nog niet verstrekte stukken, die zij dus zal moeten verstrekken.

3.90

Vestia heeft zich niet verzet tegen een bevel tot verstrekking van het procesdossier over de tuchtklachten, behoudens voor zover dit dossier bescheiden bevat die Vestia op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden niet aan derden mag verstrekken.

3.91

Ook hier heeft Vestia, op wiens weg dat ligt, op geen enkele manier geconcretiseerd waarom de door haar genoemde algemene voorwaarden in de weg staan aan het geven van een rechtelijk bevel tot verstrekking van deze overeenkomsten, zoals gevorderd door de commissarissen.

3.92

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Vestia alle door de commissarissen genoemde accountantsdocumentatie zal dienen te verstrekken, met uitzondering van de door haar in de conclusie van antwoord in het incident (bij randnummer 3.10 en 3.11) genoemde rapporten.

rapportages derivatencontracten en de correspondentie derivatenportefeuille

3.93

De vordering van de commissarissen tot verstrekking van de ‘Rapportages Derivatencontracten’ en de ‘correspondentie derivatenportefeuille’, die de commissarissen stellen nodig te hebben voor hun verweer in de hoofdzaak en hun vorderingen in de vrijwaringszaken, is voldoende bepaald, zeker nadat de commissarissen bij gelegenheid van het pleidooi een nadere specificatie van die stukken hebben gegeven. Het verweer van Vestia dat de stukken onvoldoende bepaald zijn, faalt dus.

3.94

Dat het vergaren van deze documenten een belasting vormt voor Vestia – wat op zichzelf niet in geschil is – weegt niet op tegen het belang dat de commissarissen hebben bij verstrekking van deze bescheiden, met dien verstande dat Vestia terecht heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is openbare stukken, die gemakkelijk via internet raadpleegbaar zijn, te verstrekken. Dat betekent dat zij gepubliceerd(e) reglementen en beleid niet hoeft te verstrekken aan de commissarissen.

3.95

Vestia dient dus de door de commissarissen bij gelegenheid van het pleidooi gespecificeerde en hierna in het dictum te noemen bescheiden aan de commissarissen te verstrekken.

het strafdossier van [J]

3.96

[A] heeft te kennen gegeven dat hij beschikt over de verklaringen van [M] die deel uitmaken van het strafdossier in het strafrechtelijk onderzoek tegen [J], waarbij het openbaar ministerie grootschalig onderzoek heeft verricht naar vermoedelijke fraude van [J] in het kader van zijn werkzaamheden voor Vestia. [A], die stelt dat hij niet bekend is met de fraude waarvan [J] verdacht wordt, stelt dat het strafdossier een belangrijke bijdrage zal leveren aan de (door hem) jegens [J] in te stellen vrijwaringsprocedure. Ook de commissarissen stellen om die reden rechtmatig belang te hebben bij kennisname van het strafdossier van [J]. Zij voegen daaraan toe dat de inhoud van dit dossier naar verwachting ook de rol en de wetenschap van de banken meer inzichtelijk kan maken en dus eveneens in de vrijwaringszaken tegen de banken van belang kan zijn.

3.97

Vestia, die te kennen heeft gegeven dat zij beschikt over een deel van het strafdossier van het strafrechtelijk onderzoek tegen [J], welk onderzoek nog niet is afgerond, voert aan dat zij zich niet vrij voelt om deze stukken aan [A] en de commissarissen te verstrekken zonder dat vaststaat dat zij daartoe gehouden is.

3.98

Anders dan bij de hiervoor bedoelde bankbescheiden die ook bij de banken kunnen worden opgevraagd, is een goede rechtsbedeling ten aanzien van het strafdossier beter gediend met het primair verzoek om afgifte daarvan aan het openbaar ministerie, dat op grond van de bijzondere regeling die is neergelegd in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de eerst aangewezene is om te beslissen over verstrekking van (delen van) het strafdossier tegen [J] aan [A] en de commissarissen. De rechtbank wijst bij deze stand van zaken, waarin [A] en de commissarissen dat (nog) niet hebben gedaan, dit onderdeel van de vordering dus af.

termijn voor verstrekking bescheiden

3.99

De rechtbank zal bij bepaling van de termijn waarbinnen Vestia de bescheiden aan [A] en de commissarissen dient te verstrekken rekening houden met de bewerkelijkheid voor Vestia om deze bescheiden bijeen te zoeken. Zij houdt rekening met de door Vestia tijdens het pleidooi genoemde termijn en zal de termijn stellen op twee maanden na de datum van dit vonnis.

3.100 Nu Vestia reeds bescheiden aan [A] en de commissarissen heeft verstrekt en kenbaar heeft gemaakt te zullen meewerken aan een veroordeling tot verstrekking van meer bescheiden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van de gevorderde dwangsom.

geheimhouding

3.101 Vestia verzoekt de rechtbank – kort gezegd – een bevel te geven op de voet van artikel 29 Rv aan [A] en de commissarissen als haar bevolen wordt het governance rapport, de stukken met betrekking tot de accountants en de bankbescheiden te verstrekken.

3.102 [A] en de commissarissen hebben te kennen gegeven dat zij zullen meewerken aan zo’n bevel, met dien verstande dat [A] niet inziet waarom dit bevel zou moeten worden uitgesproken ten aanzien van de KPMG-overeenkomst, waarover Vestia heeft gesteld dat geheimhouding als bedoeld in artikel 29 Rv geboden is.

3.103 De rechtbank deelt het standpunt van [A] niet en is van oordeel dat Vestia voldoende heeft toegelicht dat geheimhouding van dit stuk geboden is, vanwege mogelijke schade voor Vestia in de nu aanhangige tuchtrechtelijke procedure die zij voert tegen KPMG en in de civiele procedure die zij nu voorbereidt tegen KPMG. Vestia heeft verder onweersproken gesteld dat de inhoud van de bescheiden waar haar geheimhoudingsplicht op ziet – inclusief de KPMG-overeenkomst – bedrijfsgevoelig is en schade kan toebrengen aan het proces van herstel van de schade waar Vestia nu mee bezig is, in het kader waarvan zij onder andere doende is een significant deel van haar woningbestand te verkopen, waarvoor zich een groot aantal institutionele beleggers heeft gemeld.

3.104 De rechtbank zal op de voet van artikel 29 Rv [A] en de commissarissen verbieden aan derden mededelingen te doen over (de inhoud van):

- het governance rapport,

- de stukken met betrekking tot de accountants en

- de bankbescheiden,

met de bepaling dat zij deze bescheiden alleen in deze procedure (de hoofdzaak) en in de vrijwaringsprocedures mogen gebruiken en dat zij deze bescheiden niet aan derden mogen verstrekken.

3.105 Nu [A] en de commissarissen op voorhand te kennen hebben gegeven te zullen meewerken aan dit bevel, ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van de door Vestia gevorderde dwangsom.

verlof tussentijds hoger beroep ?

3.106 [A] en de commissarissen verzoeken, voor het geval de vorderingen geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, verlof voor het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis, omdat dit een vonnis is waartegen, behoudens verlof, geen tussentijds appel openstaat. De commissarissen hebben ook in dit verband gewezen op hun grote persoonlijk belang bij toewijzing van de vorderingen.

3.107 Bij het nemen van de beslissing op het verzoek van [A] en de commissarissen wordt in aanmerking genomen dat het verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken. Daarbij dient belang te worden toegekend aan de eventuele omstandigheid dat alle partijen tussentijds hoger beroep hebben bepleit. Dat laatste doet zich niet voor, daar Vestia gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt tegen het verlof tot tussentijds appel. Mede gezien de door Vestia aangevoerde bezwaren, is in dezen geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het doelmatiger moet worden geacht om thans, bij dit tussenvonnis, van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel af te wijken. De rechtbank zal het verzochte verlof dan ook niet verlenen.

3.108 De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

verder verloop van de procedure in de hoofdzaak

3.109 Tijdens het pleidooi heeft de rechtbank in verkennende zin van gedachten gewisseld met partijen over het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak. Partijen hebben zich daarover schriftelijk uitgelaten na het pleidooi en hebben allemaal verzocht om een regiezitting te bepalen. De rechtbank zal daartoe een comparitie van partijen gelasten. Omdat de regievoering in de procedure mede betrekking kan hebben op afspraken over de volgorde waarin onderwerpen worden behandeld en dus ook van invloed kunnen zijn op de omvang en de diepgang waarin bepaalde onderwerpen worden besproken in de conclusie van antwoord, zal deze zitting plaatshebben voordat de conclusie van antwoord wordt genomen.

3.110 Omdat de beginselen van goede procesorde mede vergen dat de rechtbank erop toeziet dat de procedure in de hoofdzaak geen onnodige of onredelijke vertraging oploopt, bepaalt de rechtbank dat de conclusies van antwoord op woensdag 15 juli 2015 dienen te worden genomen.

3.111 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aan.

4 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

in de vrijwaringsincidenten

4.1

staat [A] en de commissarissen toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van de rechtbank van woensdag 15 juli 2015:

a) [J], wonend in ([postcode]) [woonplaats]

, gemeente [gemeente], op het adres [adres];

b) de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., al dan niet in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel van de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V., statutair gevestigd in Amsterdam, kantoorhoudende in (1082 PP) Amsterdam, op het adres Gustav Mahlerlaan 10;

c) de rechtspersoon (public limited company) naar het recht van Engeland en Wales Barclays Bank PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 5HP) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Churchill Place, tevens kantoorhoudende in (1077 XX) Amsterdam, op het adres Strawinskylaan 1453;

d) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk BNP Paribas S.A., gevestigd althans kantoorhoudende in (75009) Parijs, Frankrijk, op het adres 16, Boulevard des Italiens, tevens kantoorhoudende in (1017 CE) Amsterdam, op het adres Herengracht 595;

e) de rechtspersoon (private unlimited company) naar het recht van Engeland en Wales Credit Suisse International, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 Q4J) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Cabot Square;

f) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Ierland Depfa Bank PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in Dublin 1, Ierland, op het adres 1, Commons Street;

g) de rechtspersoon (Aktiengesellschaft) naar het recht van Duitsland Deutsche Bank AG, gevestigd althans kantoorhoudende in (60325) Frankfurt am Main, Duitsland, op het adres Taunusanlage 12, tevens kantoorhoudende in (1101 HE) Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, op het adres De Entree 99-197;

h) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Engeland en Wales J.P. Morgan Securities PLC, voorheen genaamd J.P. Morgan Securities Ltd., althans J.P. Morgan Securities Limited, gevestigd althans kantoorhoudende in (E14 5JP) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 25 Bank Street, Canary Wharf;

i) de rechtspersoon (private limited company) naar het recht van Engeland en Wales Nomura International PLC, gevestigd althans kantoorhoudende in (EC4R 3AB) Londen, Verenigd Koninkrijk, op het adres 1 Angel Lane;

j) de coöperatie Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A., onder meer handelend onder de naam Rabobank International, statutair gevestigd in Utrecht, kantoorhoudende in (3521 CB) Utrecht, op het adres Croeselaan 18;

k) de rechtspersoon (société anonyme) naar het recht van Frankrijk Société Générale S.A., gevestigd althans kantoorhoudende in (75009) Parijs, Frankrijk, op het adres 29, Boulevard Haussmann, tevens kantoorhoudende in (1096 HA) Amsterdam, op het adres Amstelplein 1;

l) de naamloze vennootschap KPMG Accountants N.V., statutair gevestigd in Amstelveen, kantoorhoudende in (1186 DS) Amstelveen, op het adres Laan van Langerhuizer 1;

m) de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), zetelend in Den Haag, kantoorhoudende in (2511 DC) Den Haag, op het adres Turfmarkt 147;

n) de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, gevestigd althans kantoorhoudende in (3743 KN) Baarn, op het adres Oude Utrechtseweg 19;

o) de stichting Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw, statutair gevestigd in Huizen, kantoorhoudende in (1213 PK) Hilversum, op het adres Marathon 6;

4.2

staat de commissarissen toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van de rechtbank van woensdag 15 juli 2015:

a) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deloitte Accountants B.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudend te Rotterdam;

b) [K] RA;

c) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deloitte Financial Advisery Services B.V., statutair gevestigd in en kantoorhoudend te Rotterdam;

d) [L] RA;

in de incidenten tot verstrekking van bescheiden

4.3

veroordeelt Vestia om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis een afschrift van de volgende bescheiden aan [A] en de commissarissen te verstrekken:

a. a) het in opdracht van Vestia door De Brauw Westbroek N.V. opgestelde ‘governance rapport’, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen;

b) de gehele bij haar aanwezige correspondentie over de rentederivaten vanaf 2004 tot eind januari 2011 tussen Vestia en de banken die [A] en de commissarissen in vrijwaring mogen oproepen en eventuele andere banken die in deze periode met Vestia rentederivaten hebben afgesloten waar de vordering in de hoofdzaak op ziet en verder alle bij haar aanwezige, documentatie over rentederivaten die de hiervoor bedoelde banken in deze periode aan Vestia heeft gezonden;

c) de overeenkomsten op basis waarvan KPMG haar diensten verleende aan Vestia, inclusief alle eventueel daarbij behorende bijlagen.

4.4

veroordeelt Vestia om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis een afschrift van de volgende bescheiden aan de commissarissen te verstrekken

a) de accountantsdocumentatie, te weten:

i) opdrachtovereenkomsten Deloitte;

ii) opdrachtovereenkomsten (met onderliggende documentatie) Deloitte FAS;

iii) rapporten van bevindingen en management letters, met uitzondering van de door haar in de conclusie van antwoord in het incident (bij randnummer 3.10 en 3.11) genoemde rapporten;

iv) procesdossier Vestia tuchtklachten accountantskamer;

v) controle dossier accountants;

waarbij met uitzondering van de onder iv) genoemde stukken als relevante periode geldt de periode waarin [A] bestuurder van Vestia was;

b) de volgende onder de noemer ‘Rapportages Derivatencontracten’ en ‘correspondentie derivatencontracten’ gevorderde bescheiden:

i) presentatie treasurer 9 april 2008 bij het WSW aan WWI en VNG;

ii) brief WSW aan Vestia van 12 oktober 2008 (omtrent geactualiseerde prognose Vestia);

iii) kredietwaardigheidsoordelen 2006, 2008 en 2010 WSW;

iv) verslagen bezoeken WSW aan Vestia 17 januari 2005, 21 april 2005, 14 oktober 2008 en 5 maart 2009;

v) presentatie van Vestia aan het WSW op 1 april 2009 (omtrent actief derivatenbeleid Vestia);

vi) e-mail 1 juli 2009 WSW relatiemanager aan treasurer (faciliteringsvolume 2009 en 2010);

vii) e-mail WSW relatiemanager aan Vestia van 4 augustus 2009 (over Deloitte FAS-rapport);

viii) brief WSW aan Vestia 21 oktober 2009 (toekenning extra faciliteringsvolume);

ix) brief 26 november 2009 WSW aan Vestia (extra faciliteringsvolume);

x) begeleidende brief WSW bij de op 3 februari 2010 geïntroduceerde nieuwe beleidsregel inzake derivatenposities;

xi) verslag bespreking tussen Vestia en het WSW op 3 oktober 2011 (omtrent ruimte in swaplimiet om eventuele calls te financieren);

xii) brief 26 april 2010 WSW aan Vestia (kredietwaardig beoordeling en faciliteringsvolume toekenning);

xiii) verslag gesprek tussen Vestia en het WSW van 10 oktober 2011 omtrent aanlevering informatie aan Corpodata en daarover gemaakte afspraken;

xiv) brief 25 juli 2011 WSW relatiemanager aan Vestia (vertraging

kredietwaardigheidstoetsing en toekenning faciliteringsvolume 2011);

xv) e-mail met opgave van kernpunten, ter bespreking tijdens het overleg van 15 augustus 2011 tussen WSW en Vestia;

xvi) e-mail treasurer 19 augustus 2011 aan het WSW (verzoek faciliteringsvolume ter beschikking stellen);

xvii) idem 12 september 2011;

xviii) e-mail treasurer 22 september 2011 aan WSW (behoefte liquiditeit);

xix) brief 26 september 2011 WSW aan Vestia (tijdelijke liquiditeitssteun);

xx) schriftelijk memorandum treasurer 14 november 2011 (reactie op analyse Cardano), gericht aan WSW en Cardano;

xxi) brief 8 november 2011 Vestia aan WSW voorgestelde maatregelen;

xxii) brief WSW aan Vestia 7 december 2011;

xxiii) e-mail 22 december 2011 aan Vestia;

xxiv) brief WSW 3 januari 2012 aan Vestia;

xxv) continuïteitsoordelen CFV 2008 t/m 2011 met begeleidende brieven;

xxvi) e-mail disctrictsadviseur van Vestia bij het CFV aan de bestuurssecretaris van Vestia van 22 mei 2008 (omtrent treasury- verslag);

xxvii) e-mail van 23 mei 2008 van de treasurer in antwoord daarop;

xxviii) presentatie treasurer aan CFV april 2011;

xxix) brief Vestia aan CFV van 12 september 2011;

xxx) advies CFV 11 november 2011 (beschrijving van de derivatenportefeuille, derivatenbeleid en de administratie organisatie en interne beheersing);

xxxi) solvabiliteitsoordeel CFV 28 november 2011 aan Vestia;

xxxii) brief 1 december 2012 CFV aan Vestia;

xxxiii) verslag financieel toezicht woningcorporaties (op verzoek Ministerie) 2008;

xxxiv) onderzoek “renterisico’s beheerst of financiële risico’s vergroot” van 2011;

xxxv) presentatie treasurer aan het CFV en aan het Ministerie van april 2011;

xxxvi) brief Minister 26 april 2012 aan Vestia (verbeterplan);

xxxvii) bevoegdhedentabel 2008 (19 december 2007 door de bestuurder vastgesteld);

xxxviii) brief Vestia 8 oktober 2010 met uitkomsten gesprek corporatieronde 2010;

xxxix) notitie treasurer aan bestuurder en directeur Financiën & Control omtrent treasury organisatie van 5 december 2010;

xxxx) notitie treasurer aan bestuurder en directeur Financiën & Control 9 oktober 2011 omtrent nadere invulling functiescheiding Financieel Statuut;

c) - voor zover niet reeds compleet verstrekt – de volgende raamovereenkomsten met banken:

i) Raamovereenkomst financiële derivaten, d.d. 10 december 2001, ABN AMRO Bank N.V. - Stichting Vestia Groep;

ii) ISDA Master Agreement, d.d. 28 april 2005, ABN AMRO N.V. - Stichting Vestia Groep;

iii) ISDA Master Agreement, d.d. 23 december 2008, Stichting Vestia Groep - Barclays Bank PLC;

iv) ISDA MasterAgreement, d.d. 6 augustus 2009, BNP Paribas - Stichting Vestia Groep;

v) ISDA Master Agreement, d.d. 23 maart 2007, Citibank NA. - Stichting Vestia Groep;

vi) ISDA Master Agreement, d.d. 9 november 2010, Credit Suisse International - Stichting Vestia Groep;

vii) ISDA Master Agreement, d.d. 31 januari 2007, Depfa Bank plc - Stichting Vestia Groep;

viii) ISDA Master Agreement, door [A] getekend op 2 augustus 2005, Deutsche Bank AG — Stichting Vestia Groep;

ix) ISDA Master Agreement, d.d. 1 december 2001, Fortis Bank (Nederland) N.V. - Stichting Vestia Estrade Groep;

x) ISDA Master Agreement, d.d. 8 februari 2011, J.P. Morgan Securities Limited - Stichting Vestia Groep;

xi) ISDA Master Agreement, d.d. 6 januari 2009, Nomura International plc – Stichting Vestia Groep;

xii) ISDA Master Agreement, door [A] getekend op 9 april 2001, Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (trading as Rabobank International) - Vestia Estrade Groep;

xiii) ISDA Master Agreement, d.d. 9 september 2008, Société Générale – Stichting Vestia Groep;

4.5

verbiedt [A] en de commissarissen aan derden mededelingen te doen over (de inhoud van):

i) het governance rapport,

ii) de onder 4.4 onder a) genoemde accountantsdocumentatie en

iii) de onder 4.3 sub b) genoemde bankbescheiden,

met de bepaling dat zij deze bescheiden alleen in deze procedure (de hoofdzaak) en in de vrijwaringsprocedures mogen gebruiken en dat zij deze bescheiden niet aan derden mogen verstrekken.

in alle incidenten

4.6

wijst af het verzoek om verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep;

4.7

houdt de beslissing over de proceskostenveroordeling aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

4.8

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak

4.8

gelast een comparitie van partijen (regiezitting) en beveelt partijen daartoe om binnen een week na het wijzen van dit vonnis hun verhinderdata voor de maanden februari en maart 2015 aan de rechtbank te doen toekomen;

4.10

verstaat dat woensdag 15 juli 2015 de roldatum is voor het nemen van de conclusies van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, W.A.G.J.W. Ferenschild en D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015.