Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2199

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
awb 14 / 3475
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1F restrictief moet worden geïnterpreteerd.

Verweerders standpunt komt er op neer dat het enkele feit dat eiser als sergeant gelegerd was in de provincie Tunceli in 1995, bezien tegen de achtergrond van de aldaar gepleegde oorlogsmisdrijven door het Turkse leger, maakt dat eiser knowing and personal participation had ten aanzien van een vijftal hem door verweerder verweten misdrijven tegen de PKK en de burgerbevolking in de dorpen.

Eiser heeft zeer gedetailleerd verklaard over de organisatie van het leger en zijn positie daarin. De door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde informatie, ontleend aan een aantal rapporten, biedt geen specifieke informatie over de interne organisatiestructuur van het Turkse leger en in het bijzonder over de interne taakverdeling binnen eisers legerkorps. Verweerder heeft met de door hem aangehaalde bronnen, bezien in het licht van de verklaringen van eiser zelf, niet deugdelijk gemotiveerd dat er bij eiser sprake is van ‘knowing and personal participation’ aan vier van de vijf door verweerder tegengeworpen misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank behoren de door eiser beschreven werkzaamheden tot de normale strijd tegen de PKK die jarenlang heeft gewoed in Zuidoost-Turkije. Zij hebben onvoldoende direct, feitelijk en substantieel effect gehad op de door het Turkse leger (althans de elitetroepen) begane misdrijven in Zuidoost-Turkije om te kunnen oordelen dat eiser, door het uitvoeren van zijn werkzaamheden, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan deze misdrijven.

Wat betreft het overdragen van gevangen PKK-ers aan een militaire post waren de werkzaamheden van eiser mogelijk faciliterend van aard ten aanzien van de op grote schaal gepleegde martelpraktijken. Verweerder heeft echter met de citaten uit de door hem gebruikte bronnen onvoldoende gemotiveerd dat eiser toentertijd ook op de hoogte was van hetgeen de gevangenen te wachten stond, waarmee het element “knowing” ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/3475

[V-nr.]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. H.C.Ch. Kneuvels),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M. Garabitian).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 (uitgereikt op 7 februari 2014) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 september 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Tevens heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd. Op

11 februari 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Erik, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig K. Manuelyan, tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.


Overwegingen

1. Eiser is vanaf oktober 1994 gedurende dertien à vijftien maanden beroepssergeant geweest in het Turkse leger. Eiser heeft hierover, voor zover relevant, het volgende verklaard. Eiser was vice-commandant van een team van 35 à 40 soldaten. Hij leidde dienstplichtige soldaten op, las kaarten en gaf coördinaten op aan de artillerie. Vanaf januari/februari 1995 tot oktober 1995 was eiser gestationeerd in de provincie Tunceli en heeft hij gestreden tegen de Partiya Karkerên Kurdistan (PKK). Eiser heeft verklaard dat hij operaties heeft uitgevoerd in de bergen en omliggende dorpen en dat hij heeft deelgenomen aan doorzoekingen van huizen in de dorpen. Hij deed mee aan operaties om de dorpelingen te beschermen. Het is voorgekomen dat PKK-strijders zich overgaven in de bergen waarna eiser en zijn team hen oppakten en overdroegen aan een militaire post. Volgens eiser werden de PKK-strijders daar goed behandeld. Eiser heeft tijdens operaties in totaal vijftien à zestien gewapende confrontaties met de vijand meegemaakt. In oktober 1995 is er een confrontatie geweest met de PKK waarbij 17 PKK-strijders zijn omgebracht. Eiser heeft daarbij zelf twee PKK’ers neergeschoten. Na dat incident heeft eiser een ontslagverzoek ingediend dat in november 1995 is geaccepteerd.

2.2

Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.3

Volgens paragraaf C2/6.2.8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, zoals dat gold ten tijde van belang, is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen.

2.4

Er is onder meer sprake van “knowing participation” indien betrokkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, bijvoorbeeld voor een onderdeel van het leger, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was.

2.5

Van “personal participation” is onder meer sprake wanneer de desbetreffende vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage moet worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de desbetreffende vreemdeling had vervuld dan wel indien de desbetreffende vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

2.6.

Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, moet verweerder aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft hij niet te bewijzen volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet hij niettemin zorgvuldig motiveren. Als er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient die vreemdeling, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1(F) van toepassing wordt verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.

3.1.

Verweerder heeft aan de afwijzing van eisers asielaanvraag en aan de oplegging van het inreisverbod ten grondslag gelegd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Ter motivering hiervan heeft verweerder verwezen naar een aantal gezaghebbende en algemene toegankelijke bronnen met betrekking tot de situatie in Zuidoost Turkije in de periode waarover eiser heeft verklaard. Verweerder stelt op grond van deze bronnen, onder andere afkomstig van Amnesty International, U.S. Department of State, Human Rights Watch (HRW) en de Norwegian Refugee Council, dat het Turkse leger zich in de betreffende periode op grote schaal heeft beziggehouden met misdrijven tegen de burgerbevolking van de dorpen in Tunceli alsmede jegens strijders van de PKK. Verweerder brengt eiser in verband met de volgende oorlogsmisdrijven: 1.) mishandeling en marteling van burgers, woonachtig in de dorpen in Tunceli; 2.) gedwongen evacuatie van de bewoners van Tunceli; 3.) vernietiging van dorpen in Tunceli; 4.) het afsnijden van voedseltoevoer van dorpen in Tunceli alsmede 5.) marteling van PKK-strijders.

3.2

Vervolgens stelt verweerder dat eiser gelet op zijn rang van sergeant en vice-commandant weet heeft gehad of had behoren te hebben van de betreffende misdrijven (knowing participation) alsmede dat hij hieraan persoonlijk heeft deelgenomen dan wel dat hij deze misdrijven heeft gefaciliteerd (personal participation). Verweerder baseert zich voornamelijk op het rapport van HRW, genaamd “Weapons transfers and violations of the laws of war of Turkey” uit november 1995, waaruit volgens verweerder volgt dat alle in Tunceli aanwezige troepen, dus ook het reguliere leger, hebben deelgenomen aan de verweten handelingen. Verweerder heeft onder meer deze passage geciteerd:

“Regular Army units are frequently used as supporting forces during raids on villages by special Jandarma or police forces, which are notorious for their abusive behavior, and also work alongside regular Jandarma forces during rural operations.”

4. Eiser stelt dat hij nimmer betrokken is geweest en ook niet op de hoogte is geweest van hetgeen verweerder hem tegenwerpt. Uit de enkele omstandigheid dat eiser beroepsmilitair was in dienst van het Turkse leger en in 1995 in de provincie Tunceli was gestationeerd, kan niet automatisch worden afgeleid dat hij heeft geweten van de aldaar begane misdaden en deze ook zelf heeft gepleegd. Eiser stelt dat de misdaden in Tunceli met name zijn gepleegd vóór zijn stationering, tijdens “het dieptepunt” van de strijd in 1994 en bovendien door de “Security Forces”, zijnde de gendarmerie (Jandarma) en de “village guards” waartoe hij niet behoorde. Zijn reguliere legereenheid was in 1995 helemaal niet betrokken bij de gedragingen waarmee hij door verweerder in verband wordt gebracht. Dat volgt uit de door verweerder geciteerde rapporten en eveneens uit een door eiser zelf overgelegd rapport van de Universiteit Utrecht, genaamd ‘Forced evacuations and destruction of villages in Dersim (Tuncelli), and western Bingöl, Turkish Kurdistan, September-November 1994’. Eiser verwijst ook naar de informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Turkije van 2002, waarin staat dat de strijd tegen de PKK in de eerste plaats werd gevoerd door speciale eenheden. Eiser stelt dat verweerder selectief citeert uit de algemeen toegankelijke bronnen, zonder acht te slaan op de context en zonder de onderzoeksmethode waarop de rapporten zijn gebaseerd te verifiëren. Eiser voert aan dat verweerder volledig voorbijgaat aan de organisatiestructuur van het leger en zijn rol daarin, zulks onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 november 2004 (JV 2005/12). Ten slotte wijst eiser erop dat de PKK als een terroristische organisatie wordt gezien en de strijd van de Turkse staat tegen de PKK als legitiem en dat informatie over misdaden gepleegd tegen PKK-strijders pas in de laatste jaren in Turkije in de openbaarheid is gekomen.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat uit de ratio van het Vluchtelingenverdrag voortvloeit dat de in het verdrag opgesomde cessation clauses, zoals artikel 1(F), als uitzonderingen op de aanspraak op een vluchtelingenstatus, restrictief moeten worden geïnterpreteerd.

5.2

Uit het onderzoek ter zitting blijkt dat verweerders standpunt erop neerkomt dat het enkele feit dat eiser als sergeant gelegerd was in de provincie Tunceli ten tijde van belang, bezien tegen de achtergrond van de aldaar gepleegde oorlogsmisdrijven door het Turkse leger, maakt dat eiser knowing and personal participation had ten aanzien van de vijf hierboven opgesomde misdrijven. Verweerder heeft ten aanzien van de positie van eiser in het leger benadrukt dat niet wordt gevolgd dat eiser nauwelijks meer was dan een gewone soldaat. Verweerder ziet hierin aanwijzing voor het feit dat eiser zijn positie en zijn daden in het leger bagatelliseert. De rechtbank overweegt dat eiser over de organisatie van het leger en zijn positie daarin zeer gedetailleerd heeft verklaard. Eiser heeft immers verklaard dat hij deel uitmaakte van het[het Turkse leger]. Eiser had de rang “Uzman Cavus” wat in het Nederlandse rangensysteem overeenkomt met sergeant. Hij staat in de militaire hiërarchie derhalve net boven een soldaat zonder rang.

5.3

De door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde informatie, ontleend aan de in rechtsoverweging 3.1 genoemde rapporten, biedt evenwel geen zodanig specifieke informatie over de interne organisatiestructuur van[het Turkse leger] en in het bijzonder over de interne taakverdeling binnen eisers legerkorps, laat staan over de bijdragen van de afzonderlijke eenheden aan het plegen van de door verweerder bedoelde misdrijven. Het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport “Weapons transfers and violations of the laws of war of Turkey” van HRW, waaruit verweerder veelvuldig heeft geciteerd, had niet specifiek de interne organisatiestructuur van het Turkse leger als onderzoeksonderwerp. Ook is van belang dat in dit rapport van HRW weliswaar veel eenheden van het Turkse leger worden genoemd, echter de specifieke afdelingen waartoe eiser behoort, komen in dit rapport niet voor.

5.4

De rechtbank stelt vast dat verweerders standpunt, inhoudende dat alle eenheden van het Turkse leger samenwerkten en met elkaar verwoven (‘intertwined’) zouden zijn bij het plegen van de misdrijven, slechts in één door verweerder aangehaalde passage in meergenoemd HRW rapport van november 1995 voor komt:

“Human Rights Watch disputes the notion of Turkish Army and Air Force innocence of involvement in severe human rights abuses and violations of the laws of war. The Army and Air Forces are inextricably intertwined with the Jandarma and police in the southeast and many operations are conducted jointly.

(…)

The reality, however, is one in which all elements of the Turkish armed forces, including the military, Jandarma, village guards and the police, operate in an integrated counterinsurgency program and take part in the types of abuses documented in this report.”

Andere rapporten, zoals het rapport van de UNHCR van oktober 1997 en het ambtsbericht inzake Turkije/dienstplicht uit 2002 van het ministerie van Buitenlandse Zaken (het ambtsbericht), onderbouwen juist wat eiser stelt, namelijk dat slechts de elite troepen verantwoordelijk zijn voor de in Zuidoost Turkije gepleegde misdrijven. Op bladzijde 57 van het ambtsbericht staat te lezen:

“Betrokkenheid van de landmacht bij mishandeling, foltering en andere vormen van excessief geweld in het kader van opsporing en ordehandhaving komt vrijwel niet voor, omdat deze laatste taken in principe door de Jandarma worden uitgevoerd.”

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom verweerder meer waarde hecht aan de rapportage van HRW dan aan het ambtsbericht. Het ambtsbericht wordt aangemerkt als een deskundigenadvies en bevat informatie van meer recente datum. Zou de rechtbank verweerder en het HRW rapport volgen, dan zou dit betekenen dat aan iedere in 1994-1995 in Zuid-Oost Turkije gelegerde sergeant in het Turkse leger de misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kunnen worden tegengeworpen. De overige door verweerder aangehaalde rapporten en het door eiser aangehaalde Utrechtse rapport ondersteunen die verstrekkende conclusie niet. Verweerder heeft geen op de persoon van eiser gericht individueel ambtsbericht uitgebracht, zodat los van diens eigen verklaringen, geen informatie beschikbaar is over het specifieke peloton van eiser en eisers persoonlijke activiteiten.

5.5

De conclusie is dat verweerder met de door hem aangehaalde bronnen, bezien in het licht van de verklaringen van eiser zelf over zijn positie in het leger en zijn activiteiten en werkzaamheden, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er bij eiser sprake is van ‘knowing and personal participation’ in de zin van paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 aan de door verweerder onder 1.) tot en met 4.) tegengeworpen misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank behoren de door eiser beschreven werkzaamheden, zoals hiervoor onder 1 weergegeven, tot de normale strijd tegen de PKK die jarenlang heeft gewoed in Zuidoost-Turkije. Zij hebben onvoldoende direct, feitelijk en substantieel effect gehad op de door het Turkse leger (althans de elitetroepen) begane misdrijven in Zuidoost-Turkije om te kunnen oordelen dat eiser, door het uitvoeren van zijn werkzaamheden, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan deze misdrijven.

5.6

Ten aanzien van het verwijt van verweerder aan eiser dat hij PKK-strijders heeft gemarteld, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verklaard bij operaties PKK-strijders te hebben opgepakt en overgedragen aan militaire posten, waarna zij werden overgebracht naar een militaire gevangenis. Verweerder stelt dat uit de informatie uit de algemene bronnen blijkt dat politieke gevangenen, zoals PKK-strijders, daar routinematig werden gemarteld. Derhalve bestond volgens verweerder ook ten aanzien van de PKK-strijders die eiser met zijn team aanhield en overdroeg een aanmerkelijke kans dat zij zouden worden gemarteld. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de werkzaamheden van eiser mogelijk faciliterend van aard waren ten aanzien van de op grote schaal gepleegde martelpraktijken. Verweerder heeft echter met de citaten uit de door hem gebruikte bronnen onvoldoende gemotiveerd dat eiser ook op de hoogte was van hetgeen de gevangenen te wachten stond. Dat deze wetenschap thans in diverse rapporten van NGO’s en ook in Turkije zelf, waar men thans afrekent met het verleden, wijd verspreid is, impliceert nog niet dat eiser dit anno 1995 ook reeds wist. Het komt de rechtbank niet onaannemelijk voor dat eiser, zoals hij zelf stelt, met zijn langdurige verblijf in de bergen van Tunceli en met een zeer beperkte vrije nieuwsgaring, geen kennis had van deze praktijk. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser “knowing participation” had van de marteling van PKK-strijders. Aangezien het bij “personal and knowing participation” gaat om cumulatieve voorwaarden, is aan eiser ten onrechte artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen.

5.7

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het besluit van 9 januari 2014 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

5.8

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5.9

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor één).

Beslissing


De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,--, te betalen aan

eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, voorzitter, en mrs. M.C. Eggink en Y.E. Schuurmans, rechters, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AG

Coll.:
D: B
VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.