Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2185

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
AWB 14/5225
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK, asielwens geuit op 25 januari 2013, formele aanvraag ingediend op 11 juli 2013, door nodeloos lange wachttijd tussen asielwens en formele aanvraag heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig gehandeld en had daarom niet in redelijkheid kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Beroep gegrond.

Samenvatting:

Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Voorts heeft verweerder ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, omdat eiser niet valt onder het beleid voor alleenstaande minderjarigen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser voert primair aan dat hij zijn asielwens heeft geuit op 24 januari 2013 en zich op 25 januari 2013 in AC Ter Apel heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Daarom moet 25 januari 2013 als aanvangsdatum van zijn asielprocedure gelden en niet 11 juli 2013, zodat aan het beleid voor amv’s had moeten worden getoetst zoals dat gold op 25 januari 2013. Subsidiair voert eiser aan dat moet worden getoetst aan het oude beleid, omdat hij niet binnen redelijke termijn nadat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag in te dienen, zodat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. De rechtbank volgt het primaire standpunt van eiser niet. Op het moment dat eiser aan alle wettelijke vereisten voor het indienen van de aanvraag heeft voldaan, is de aanvraagprocedure gaan lopen. Nu eiser op 11 juli 2013 zijn aanvraag heeft ingediend, heeft verweerder in beginsel terecht getoetst aan het herijkte amv-beleid, als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vc. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank dat het oordeel dat de aanvraag is ingediend op 11 juli 2013 niet betekent dat pas vanaf die datum de wettelijke beslistermijn, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw, is gaan lopen. Op 24 januari 2013 heeft eiser immers zijn asielwens geuit en dit moet ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn. Hoewel voor het ambtshalve verlenen van een amv-verblijfsvergunning geen wettelijke beslistermijn geldt, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er bij ambtshalve besluiten geen rechtsbescherming tegen trage besluitvorming is. Uit het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel vloeit voort dat verweerder gehouden is om – gelet op alle omstandigheden van het geval- voldoende voortvarendheid in zijn besluitvorming te betrachten en binnen redelijke termijn te beslissen. Onder omstandigheden zou zelfs sprake kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat tussen de datum dat eiser zijn asielwens heeft geuit (en daarmee ook de termijn voor de ambtshalve beslissing of eiser in aanmerking komt voor een amv-vergunning is gaan lopen) en de datum waarop eiser door verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn formele asielaanvraag in te dienen, een periode van ongeveer vijf en een halve maand is gelegen. Verweerder heeft geen afdoende verklaring gegeven voor dit tijdsverloop, zodat moet worden geoordeeld dat sprake is van een nodeloos lange wachttijd en dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit in redelijkheid niet kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/5225

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1996], van Burkinabese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Voorts heeft verweerder ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 13 juni 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer van de rechtbank, waarbij het onderzoek is gesloten. Bij brief van 15 juli 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft, samengevat en feitelijk weergegeven, het volgende aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Burkina Faso en is opgevoed door zijn moeder. Zijn vader is overleden toen eiser nog klein was. Nadat zijn moeder in 2010 is overleden, heeft hij even samengewoond met [A], de vriend van zijn moeder, en is daarna opgevangen door een oom van vaderszijde, [B]. Bij deze oom kreeg eiser niet goed te eten en moest hij huishoudelijke werkzaamheden verrichten. Als hij zijn taken niet uitvoerde, werd hij door zijn oom geslagen met een riem. In 2013 is hij door zijn oom met de bus naar Mali gestuurd. Daar is hij opgevangen door [C], een vriend van zijn oom. [C] heeft hem naar het dorp [dorp] meegenomen, waar eiser de koeien en schapen moest hoeden. Op een dag kwam er een blanke man, genaamd [D], naar het dorp om de koeien te vaccineren. Eiser heeft aan [D] verteld dat hij naar het dorp was gestuurd door zijn oom en dat [C] hem had achtergelaten bij de koeien en de schapen. [D] heeft tegen eiser gezegd dat hij niet in het dorp moest blijven omdat er problemen waren en omdat het gevaarlijk was. Omdat eiser niet terug wilde keren naar zijn oom, heeft [D] hem meegenomen naar Ghana. Ongeveer een week later is eiser met het vliegtuig vertrokken vanuit Ghana naar Nederland. Als eiser terug zou moeten keren naar Burkina Faso, dan weet hij niet waar hij naar toe moet gaan, omdat hij daar niemand meer heeft.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten overgelegd ter staving van zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, is de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en moet er van het relaas positieve overtuigingskracht uitgaan. Verweerder concludeert dat van de verklaringen van eiser over het overlijden van zijn ouders, de relatie van zijn moeder met [A] en het gestelde dat hij bij zijn oom is gaan wonen, geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Daarom worden ook de mishandelingen door zijn oom niet geloofwaardig geacht. Voorts heeft verweerder ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Eiser valt niet onder het beleid voor alleenstaande minderjarigen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Door eiser zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de toepassing van de beleidsregels een zodanig onevenredig nadeel zou opleveren voor eiser, dat deze belangenafweging, in afwijking van het beleid, alsnog zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

3. De rechtbank stelt vast dat er geen inhoudelijke gronden zijn gericht tegen de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij zich neerlegt bij het niet verlenen van de vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a dan wel b, van de Vw.

4. Ten aanzien van het ambtshalve niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd stelt eiser zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder diende te toetsen aan het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) zoals dat gold tot 1 juni 2013.
Hiertoe voert eiser primair aan dat hij zijn asielwens heeft geuit op 24 januari 2013 en zich op 25 januari 2013 in AC Ter Apel heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Daarom moet 25 januari 2013 als aanvangsdatum van zijn asielprocedure gelden en niet 11 juli 2013, de datum dat hij zijn aanvraag heeft ingediend, zodat aan het beleid voor amv’s had moeten worden getoetst zoals dat gold op 25 januari 2013.

Subsidiair voert eiser aan dat moet worden getoetst aan het oude beleid, omdat hij niet binnen redelijke termijn nadat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag in te dienen, zodat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het uitzonderlijk lange tijdsverloop heeft er namelijk toe geleid dat de aanvraag van eiser onder het herijkte beleid voor amv’s, dat geldt per 1 juni 2013, is komen te vallen en aldus een voor eiser minder gunstig beleid van toepassing is. Volgens verweerder was de lange wachttijd gelegen in het feit dat eiser in een besloten opvang zat en er een deprogrammeringstijd gold van drie maanden en omdat er een gebrek aan gespecialiseerde hoorcapaciteit was. Dit kan volgens eiser echter niet als een deugdelijke motivering worden beschouwd omdat eiser niet in een besloten, maar in een beschermde opvang woonde en er dus nooit een deprogrammeringstijd is geweest. Het gebrek aan gespecialiseerde hoorcapaciteit kan eiser niet worden tegengeworpen.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat als datum voor het toepasselijke beleid geldt de datum waarop het asielverzoek is ondertekend, te weten 11 juli 2013. De stelling dat verweerder nader had dienen te motiveren waarom gezien het op 1 juni 2013 in werking getreden herijkte amv-beleid - eiser pas na de inwerkingtreding in de gelegenheid is gesteld zijn asielverzoek in te dienen, volgt verweerder niet. Verweerder voert geen speciaal logistiek beleid dat rekening houdt met speculaties over de uitkomst van procedures in relatie tot mogelijke toekomstige wet- en regelgeving. In het geval van eiser was de oorzaak voor de lange wachttijd gelegen in het feit dat hij verbleef in een besloten opvang, althans dat de beslismedewerker in de veronderstelling verkeerde dat eiser in de besloten opvang verbleef. Ten aanzien van jongeren die verbleven in een besloten opvang gold een periode van drie maanden deprogrammeringstijd alvorens daadwerkelijk een asielverzoek werd ingediend of een aangifte werd gedaan. Voorts was in de periode van belang de (gespecialiseerde) hoorcapaciteit bij verweerder niet zodanig dat zij gelijke tred kon houden met de gewenste aanvragen vanuit de besloten opvang. Wel was alvast op 8 april 2013 een Medifirst onderzoek gehouden.

6. Ingevolge artikel 36 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw of tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Ingevolge artikel 37, aanhef en onder a, van de Vw, voor zover van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw, voor zover thans van belang, wordt op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd binnen zes maanden na ontvangst beslist.

Ingevolge artikel 3.108, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een door onze Minister te bepalen plaats.

Ingevolge artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), zoals dit gold tot 1 januari 2014, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Vw, gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij die regeling met de letter i aangeduide model. Per 1 januari 2014 is deze bijlage als model M35-H opgenomen bij de Vc en is artikel 3.38 van het VV vervallen.

In paragraaf B8/6 van de Vc, zoals dit geldt per 1 juni 2013, is het volgende overgangsrecht neergelegd:

Per 1 juni 2013 geldt voor nieuwe verblijfsaanvragen nieuw beleid.

De IND beoordeelt verblijfsaanvragen van amv’s die op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid een aanvraagprocedure hebben lopen op grond van het oude recht zoals dat gold voor 1 juni 2013, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Dit laatste is het geval wanneer de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de buitenschuldvergunning voldoet.

7. De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van de Vw, het Vb en het VV (thans de Vc) volgt dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend op de dag dat aan alle in enig wettelijk voorschrift gestelde vereisten voor het indienen van een aanvraag om een zodanige vergunning is voldaan. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 juli 2013 het formulier ‘Model I Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd’ heeft ondertekend en ingediend, zodat hij op dat moment aan alle wettelijke vereisten voor het indienen van de aanvraag heeft voldaan en zijn aanvraag derhalve is gedaan. Uit het voornoemde overgangsrecht volgt dat verblijfsaanvragen van amv’s die op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid een aanvraagprocedure hebben lopen, getoetst worden aan het oude recht zoals dat gold voor 1 juni 2013. Nu eisers aanvraag is ingediend op 11 juli 2013 en derhalve op dat moment zijn aanvraagprocedure is gaan lopen, in welk kader verweerder ook ambtshalve heeft getoetst of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning als amv, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel terecht getoetst aan het herijkte amv-beleid, als bedoeld in paragraaf B8/6 van de Vc. Het primaire standpunt van eiser slaagt niet.

8. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank als volgt.
Het oordeel dat de aanvraag is ingediend op 11 juli 2013 betekent niet dat pas vanaf die datum de wettelijke beslistermijn, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw, is gaan lopen. Op 24 januari 2013 heeft eiser immers zijn asielwens geuit. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (de Procedurerichtlijn) en moet de asielwens worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Dat deze aanvraag nog niet is ingediend op de wettelijk voorgeschreven wijze brengt niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. De rechtbank wijst op de uitspraak van de ABRvS van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4264). De termijn waarbinnen een vreemdeling na het uiten van zijn asielwens in de gelegenheid moet worden gesteld een asielaanvraag in te dienen, is niet geregeld in de Procedurerichtlijn. Deze termijn lost in het Nederlandse recht als het ware op in de beslistermijn. Uit een uitspraak van de ABRvS van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2079) blijkt dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb rechtsbescherming biedt tegen trage besluitvorming door de aanvrager de mogelijkheid te geven om bij het overschrijden van de wettelijke beslistermijn van zes maanden (waarin is inbegrepen de termijn tussen het uiten van de asielwens en het indienen van de asielaanvraag) beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Voor het ambtshalve verlenen van een amv-verblijfsvergunning, waarvan in case sprake is, geldt echter geen wettelijke beslistermijn en het uitblijven van een dergelijke beslissing kan daarom volgens vaste rechtspraak van de ABRvS niet ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb worden gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen geen voorziening als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, Awb openstaat. De rechtbank verwijst onder meer naar de uitspraak van de ABRvS van 27 januari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW4056). Dit betekent echter niet dat er bij ambtshalve besluiten geen rechtsbescherming tegen trage besluitvorming is. Uit het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel vloeit voort dat verweerder gehouden is om – gelet op alle omstandigheden van het geval – voldoende voortvarendheid in zijn besluitvorming te betrachten en binnen een redelijke termijn te beslissen. Onder omstandigheden zou zelfs sprake kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:3 van de Awb, indien verweerder om oneigenlijke redenen de minderjarige vreemdeling pas na lange tijd in de gelegenheid stelt een asielaanvraag in te dienen en aldus de in het kader van de asielprocedure ambtshalve te nemen beslissing over het verlenen van een amv-vergunning, uitstelt.
Nu eiser minderjarig is en daarom in het kader van zijn asielprocedure ook ambtshalve wordt beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een amv-vergunning, is de termijn voor die ambtshalve beslissing net als de termijn voor de beslissing op het asielverzoek aangevangen op 24 januari 2013, de datum dat eiser zijn asielwens heeft geuit. De rechtbank stelt vast dat tussen die datum en de datum waarop eiser door verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn formele asielaanvraag in te dienen, een periode van ongeveer vijf en een halve maand is gelegen. Verweerder heeft erkend dat deze termijn langer dan gebruikelijk is en heeft daarvoor de hiervoor onder 4 en 5 vermelde redenen gegeven. Tussen partijen is in geschil of eiser in een besloten opvang heeft verbleven waardoor er een deprogrammeringstijd van drie maanden gold. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden blijven, aangezien eiser ook niet kort na een periode van drie maanden in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag in te dienen, maar pas na vijf en een halve maand. Verweerder heeft als reden voor dit tijdsverloop na afloop van een eventuele deprogrammeringsperiode gesteld dat sprake was van interne capaciteitsproblemen. Dergelijke problemen kunnen echter – zoals eiser terecht aanvoert – niet aan eiser worden tegengeworpen en vormen dus geen rechtvaardiging voor de lange wachttijd. Nu andere redenen voor het tijdsverloop niet zijn gesteld, moet worden geoordeeld dat sprake is van een nodeloos lange wachttijd en dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Vaststaat dat verweerder, indien eiser kort na verloop van een termijn van drie maanden in de gelegenheid zou zijn gesteld zijn asielaanvraag in te dienen, voor de ambtshalve beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een reguliere vergunning zou hebben getoetst aan het tot 1 juni 2013 geldende amv-beleid. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit in redelijkheid niet kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen grond dit gebrek te passeren, nu verweerder ter zitting heeft erkend dat eiser (enig) belang heeft bij toetsing aan het oude in plaats van het herijkte amv-beleid. Het bestreden besluit zal dus worden vernietigd. In de aard en gevolgen van het gebrek ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen, waarbij wordt getoetst aan het oude amv-beleid. Wat eiser heeft aangevoerd over het herijkte amv-beleid, kan buiten bespreking blijven.

9. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter- Rijksen en mr. H. Gorter, leden, in aanwezigheid van mr. I.G. te Pas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2015.

de griffier is verhinderd te ondertekenen voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.