Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:2154

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
VK-14_23135
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libie, intrekking verblijfsvergunning asiel bt, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/23135

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 maart 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. J. Singh,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,
gemachtigde: mr. J.C.O. Stiphout.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Oublal, tolk Arabisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Libische nationaliteit te bezitten. Op 2 juni 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eiser bij besluit van 24 november 2009 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend met ingang van 2 juni 2009 geldig tot 2 juni 2014. Op 27 september 2013 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verleende vergunning. Eiser heeft op 24 april 2014 een aanvraag verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsook een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 20 juli 2012 omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. Verweerder heeft bij hetzelfde besluit, zo begrijpt de rechtbank uit pagina 9 van dit besluit, de aanvraag verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsmede de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libië van 25 mei 2012 blijkt dat de verandering van omstandigheden door de regimewijziging en de dood van Gadaffi een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter heeft en er in het algemeen geen beperkingen voor Libiërs gelden om het land in en uit te reizen. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op grond van zijn eerdere relaas (ex-tunctoets) dan wel zijn huidige situatie (ex-nunctoets) niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op een van de (overige) gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar de zienswijze, aangevoerd dat de aan hem verleende asielvergunning ten onrechte is ingetrokken. Eiser wijst erop dat hij werkzaam is geweest voor een overheidsinstantie, het Fonds voor Sociale en Economische Ontwikkeling, in de periode 2007 tot begin 2009. Eiser wordt nu gezocht vanwege een aanklacht van samenwerking met het voormalige regime. Ook andere familieleden worden gezocht vanwege betrokkenheid bij het regime van Gadaffi. Bij terugkeer wacht eiser een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), hij staat immers in de negatieve belangstelling van de Libische autoriteiten. Eiser stelt verder dat de veiligheidssituatie in Libië is verslechterd en dat in Libië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer een arrestatiebevel overgelegd, alsmede een stuk getiteld “UNHCR position on returns to Libya” van november 2014 en een negatief reisadvies van de rijksoverheid met betrekking tot Libië.
Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij afkomstig is uit de regio Tripoli.

4. Verweerder handhaaft in het verweerschrift zijn standpunt. Aanvullend heeft verweerder opgemerkt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkzaamheden voor Gadaffi bekend zijn bij het huidige regime. Wat betreft de veiligheidssituatie erkent verweerder dat die in de steden Tripoli en Benghazi zorgelijk is, maar desondanks kan er niet gesproken worden van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2011/95/EU, voorheen richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn).

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

6. Ingevolge artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), voor zover hier van belang, wordt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet, wordt ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, van de Wet, in aanmerking genomen of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voorvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er als gevolg van de regimewijziging in 2011 in Libië sprake is van een wijziging van omstandigheden in Libië van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter, in de zin van artikel 3.37e van het VV 2000. Verweerder heeft zich in dit verband kunnen beroepen op het algemeen ambtsbericht over Libië van de minister van Buitenlandse zaken van mei 2012 en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2013 (201207680/1/V4). Daarmee is de grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, op basis waarvan eiser een asielvergunning werd verleend, niet langer aanwezig.

8. Vervolgens ligt ter beantwoording de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn individuele asielrelaas.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit, asielrelaas of reisroute. Gelet hierop heeft verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen. Ter verklaring van het feit dat eiser niet over reisdocumenten beschikte, heeft eiser betoogd dat hij met de boot in een container van Libië naar Turkije is gereisd en vervolgens met een vrachtauto verder naar Nederland is gegaan. Hij is begeleid door een reisagent. Er zouden tijdens de reis voor eiser geen documenten gebruikt zijn. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de op eiser rustende verantwoordelijkheid om de afgelegde reisroute met documenten te onderbouwen. De rechtbank is ook niet gebleken van dwang van de zijde van de reisagent, op grond waarvan het ontbreken van reisdocumenten eiser niet valt toe te rekenen.

10. Dit betekent voor de beoordeling van het asielrelaas het volgende. Om het asielrelaas van eiser alsnog geloofwaardig te achten, mogen daarin geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet derhalve een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig te worden geacht. Verweerder heeft deze maatstaf terecht aangelegd bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser.

11. Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 13 oktober 2009 verklaard dat hij wordt gezocht door de Libische autoriteiten. Naar eisers zeggen zou hij een officier van de veiligheidsdienst met een stok geslagen hebben omdat deze zijn vader sloeg. Daarbij beledigde hij Gadaffi. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser in aanwezigheid van vier andere leden van de veiligheidsdienst een stok uit zijn auto kon pakken en de officier kon slaan zonder dat hij daarbij tegengehouden werd en vervolgens eenvoudig kon ontsnappen door weg te rennen. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij in Nederland bij de Libische ambassade een paspoort had aangevraagd omdat hij zijn zieke vader wilde bezoeken. Hij zou daar volgens het ambassadepersoneel geen recht op hebben, maar hij kreeg wel zijn identiteitskaart terug. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou staan. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert.

12. De rechtbank overweegt vervolgens dat eiser tijdens het gehoor van 1 oktober 2014 verklaard heeft dat hij werkzaamheden voor een overheidsinstantie van 2007 tot begin 2009 heeft verricht, dat wil zeggen dat hij werkzaam geweest zou zijn voor het voormalige regime van Gadaffi en dat ook familieleden worden gezocht vanwege betrokkenheid bij het regime van Gadaffi. De rechtbank stelt vast dat verweerder hier in de motivering van het bestreden besluit aan voorbij is gegaan. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Beoordeeld zal worden of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

13. Verweerder heeft verder in het verweerschrift gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot een van de risicogroepen of kwetsbare minderheden behoort. Daaronder kunnen worden gerekend leden van stammen die loyaal waren aan Gadaffi. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser op dit argument niet heeft gereageerd. Dat neemt niet weg dat verweerder het door eiser overgelegde arrestatiebevel niet bij zijn beoordeling betrokken heeft. Dit stuk onderbouwt de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit stuk niet heeft doen onderzoeken op echtheid.

14. De rechtbank merkt tenslotte op dat er in het bestreden besluit, pagina negen, een omissie is, in die zin dat ‘niet’ per abuis niet is vermeld. De rechtbank begrijpt uit het verhandelde ter zitting en de tekst van het besluit dat de aanvraag van eiser voor een verlenging van de asielvergunning voor bepaalde tijd, dan wel verlening van een asielvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen is.

15. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van het beroep van eiser artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, thans weergegeven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000.

16. Gelet op het vooroverwogene zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand laten.

17. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 980 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 490).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 980 (negenhonderdtachtig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.