Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1779

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
C-09-482047 - KG ZA 15-125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot staking tenuitvoerlegging hechtenis - na niet uitgevoerde werkstraffen - afgewezen. Niet aannemelijk dat eiser detentieongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/482047 / KG ZA 15-125

Vonnis in kort geding van 13 februari 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.A. Soebhag te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie)

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.H.K. Jansen te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1 Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 5 februari 2015 doen dagvaarden om op 13 februari 2015 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die zitting ook behandeld. Na afloop van de behandeling heeft de voorzieningenrechter - na een korte schorsing - direct mondeling uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 februari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2013 is [eiser] veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, voor het rijden tijdens een rijontzegging. Datzelfde Hof heeft [eiser] op 25 januari 2013 veroordeeld tot een werkstraf van in totaal 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, wegens overtreding van een voorschrift van de Wet personenvervoer 2000 (oud).

2.2.

De Reclassering Nederland, aan wie de tenuitvoerlegging van de werkstraffen was overgedragen, heeft de zaken op 10 december 2013 als onuitvoerbaar teruggestuurd, omdat [eiser] zich bij de uitvoering van de werkstraffen bij herhaling niet heeft gehouden aan de daarvoor geldende regels.

2.3.

Vervolgens heeft de Advocaat-Generaal op 18 februari 2014 de tenuitvoerlegging van de 55 dagen hechtenis bevolen. Het bezwaar van [eiser] tegen die beslissing(en) is op 9 mei 2014 ongegrond verklaard door het gerechtshof Amsterdam. Daartoe overwoog het Hof dat [eiser] verschillende kansen heeft gehad, maar op geen enkele wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitvoering van de werkstraffen.

2.4.

[eiser] heeft de Staat op 15 september 2014 in kort geding gedagvaard, teneinde de tenuitvoerlegging van de hechtenis te voorkomen en te bewerkstelligen dat hij de werkstraffen alsnog mag verrichten. Daartoe voerde hij aan dat het onrechtmatig is hem in hechtenis te nemen, gelet op zijn gezondheid, privésituatie en schuldenlast.

2.5.

Naar aanleiding daarvan heeft het Centraal Justitieel Incassobureau ('CJIB') op 18 september 2014 aan [eiser] bericht dat de medisch adviseur van de dienst justitiële instellingen is gevraagd een onderzoek in te stellen naar de detentiegeschiktheid van [eiser] en dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt opgeschort tot 1 december 2014, in afwachting van de uitkomsten van het medisch onderzoek. Hierop heeft [eiser] het kort geding ingetrokken.

2.6.

Op 23 september 2014 heeft de medisch adviseur een verklaring ten behoeve van het inwinnen van medische gegevens toegezonden aan [eiser], met het verzoek om de verklaring binnen zeven dagen ondertekend te retourneren. Nadat [eiser] hieraan niet had voldaan, heeft de medisch adviseur hem op 30 oktober 2014 andermaal schriftelijk verzocht een ondertekende medische toestemmingsverklaring op te sturen. Hierbij is uitdrukkelijk aangegeven dat geen advies zal kunnen worden uitgebracht indien de verklaring niet binnen één week wordt teruggezonden.

2.7.

Op 17 december 2014 heeft de medisch adviseur aan het CJIB bericht dat hij niet in staat is om te adviseren over de detentiegeschiktheid van [eiser], omdat hij - ondanks herhaalde verzoeken - geen toestemmingsverklaring voor het opvragen van medische informatie heeft ontvangen van [eiser].

2.8.

Bij brief van 12 januari 2015 heeft het CJIB aan [eiser] bericht dat de tenuitvoerlegging van de hechtenis weer is hervat, omdat geen medisch advies kan worden uitgebracht.

2.9.

Vanaf 20 januari 2015 ondergaat [eiser] de hechtenis. Bij ongewijzigde omstandigheden, eindigt deze op 16 maart 2015.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter:

primair

I. de tenuitvoerlegging van de hechtenis te staken en gestaakt te gehouden;

subsidiair

II. de tenuitvoerlegging van de hechtenis te staken en gestaakt te houden, in afwachting van een alsnog te verrichten medisch onderzoek;

meer subsidair

III. de hechtenis - in overleg tussen partijen - op een zodanige wijze te executeren dat daarbij rekening wordt gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser];

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Samengevat voert [eiser] daartoe het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser], aangezien de tenuitvoerlegging van de hechtenis disproportioneel is. Sinds het vorige - vóór de zitting ingetrokken - kort geding is de medische problematiek van [eiser] alleen maar verergerd. Hij is zowel lichamelijk als geestelijk detentieongeschikt. Verder heeft hij financiële problemen en dreigt hij zijn bijstandsuitkering te verliezen als gevolg van de tenuitvoerlegging van de hechtenis, waardoor zijn situatie nog verder zal verslechteren. De communicatie in verband met het onderzoek naar de detentiegeschiktheid van [eiser] was erg onzorgvuldig. Allereerst verbleef [eiser] enige tijd in het buitenland. Bovendien is nagelaten ook de advocaat van [eiser], die bekend was bij de Staat, op de hoogte te stellen van de door [eiser] te ondernemen acties. De tenuitvoerlegging van de hechtenis zonder onderzoek naar de detentiegeschiktheid van [eiser] staat in feite gelijk aan marteling.

3.3.

De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat in het wettelijk stelsel ligt besloten dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Hierop kan slechts een uitzondering worden aanvaard indien een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM'), waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing tot stand is gekomen in strijd met fundamentele mensenrechten, dan wel ingeval door de wijze van executie een zodanige schending van fundamentele mensenrechten dreigt te ontstaan, dat onverkorte tenuitvoerlegging niet meer kan worden beschouwd als krachtens het wettelijke stelsel toegelaten. Daarnaast is een uitzondering op de executieplicht mogelijk voor zover de wet daartoe een grondslag biedt (bijvoorbeeld in geval van gratie)

4.3.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitspraak van het EHRM in voormelde zin.

4.4.

Van een schending van fundamentele mensenrechten, zoals hiervoor aangegeven, kan sprake zijn indien - objectief - wordt vastgesteld dat [eiser] detentieongeschikt is en hij desondanks in detentie wordt genomen.

4.5.

Na het aanhangig maken van de onder 2.4 vermelde kort gedingprocedure, heeft de Staat - al dan niet coulancehalve - via het CJIB de medisch adviseur van de dienst justitiële instellingen ingeschakeld, teneinde een advies uit te brengen over de detentie(on)geschiktheid van [eiser], onder opschorting van de tenuitvoerlegging van de hechtenis. Alvorens het onderzoek kan worden gestart is het noodzakelijk dat door [eiser] toestemming wordt verleend voor het inwinnen van medische gegevens. [eiser] heeft dit ook niet bestreden. Met het oog op het verkrijgen van die toestemming heeft de ingeschakelde medisch adviseur tot tweemaal toe een 'toestemmingsverklaring' toegezonden aan [eiser], met het verzoek om deze ondertekend terug te sturen. Dit is niet gebeurd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoren de consequenties daarvan geheel voor rekening en risico van [eiser] te komen. Daarvoor is het volgende van belang.

4.6.

De toestemmingsverklaringen zijn telkens toegezonden naar het adres waarop [eiser] stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (voorheen genaamd: Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens). Aangenomen moet worden dat deze, althans in ieder geval één ervan, ook zijn (is) aangekomen op dat adres. Het tegendeel is in feite ook niet, dan wel onvoldoende onderbouwd, gesteld. De omstandigheid dat [eiser] in de betreffende periode enige tijd in het buitenland verbleef, kan hem - wat daar verder ook van zij - niet baten. Op de zitting is immers door zijn advocaat aangegeven dat zijn vrouw (en kinderen) thuis zijn gebleven. Bovendien zou [eiser] slechts "een dikke maand" in het buitenland hebben verbleven, terwijl hem - uitgaande van de verzenddatum van de brieven van de medisch adviseur en de daarin gegeven termijn om de verklaring terug te sturen - een veel ruimere periode is gegund om de toestemmingsverklaring te ondertekenen en te retourneren. Overigens dienen de gevolgen van een eventueel verblijf in het buitenland hoe dan ook voor rekening van [eiser] te komen. Het is aan hem om maatregelen te treffen om te voorkomen dat mededelingen en/of verzoeken hem tijdens zijn afwezigheid niet bereiken. Dat klemt te meer nu de Staat heeft gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van het verblijf van [eiser] in het buitenland.

4.7.

Daar komt bij dat op [eiser] ook een eigen verantwoordelijkheid rust, waaraan hij zich heeft onttrokken. Hij was ervan op de hoogte dat hij een medisch onderzoek diende te ondergaan teneinde aan de tenuitvoerlegging van de hechtenis te kunnen ontkomen. Voor zover hij gedurende enige tijd niets had gehoord van de zijde van de Staat over het onderzoek, had het op zijn weg gelegen om zich daarover te laten informeren. In feite geldt dat ook voor zijn advocaat, die eveneens op de hoogte was.

4.8.

Mede bezien in het licht van het voorgaande kan niet worden verlangd dat de brieven van de medisch adviseur aangetekend en/of (mede) aan de advocaat van [eiser] worden verzonden.

4.9.

Verder is van belang dat [eiser] na ontvangst van de onder 2.8 vermelde brief van 12 januari 2015 niet direct actie heeft ondernomen teneinde de tenuitvoerlegging van de hechtenis te voorkomen. Dat had wel van hem mogen worden verwacht, ongeacht of die actie tot resultaat zou hebben geleid.

4.10.

Een en ander brengt mee dat de Staat niet kan worden verweten dat hij de bij [eiser] gewekte verwachting dat een objectief onderzoek zal plaatsvinden naar diens detentie(on)geschiktheid niet heeft waargemaakt. Uit het voorgaande volgt dat het enkel aan het (niet-)handelen van [eiser] is te wijten dat het onderzoek geen doorgang heeft gevonden.

4.11.

In die situatie kan niet worden aangenomen dat [eiser] detentieongeschikt is. Dat klemt te meer nu [eiser] de hechtenis inmiddels vanaf 20 januari 2015 ondergaat en niet is gebleken is dat zijn situatie dermate zorgelijk is dat de detentie onmiddellijk moet eindigen. Op de vraag van de voorzieningenrechter hoe het nu met [eiser] gaat, heeft zijn advocaat enkel aangegeven dat [eiser] in zichzelf gekeerd is en erg in de war is. Zonder nadere onderbouwing, die niet wordt gegeven, brengt dat nog niet mee dat [eiser] detentieongeschikt is. Te minder nu hem in detentie ook (medische) zorg wordt aangeboden.

4.12.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt reeds dat de overige bezwaren van [eiser] (financiële problemen en consequenties) niet in de weg kunnen staan aan de tenuitvoerlegging van de hechtenis. Die omstandigheden/gevolgen zijn inherent aan het ondergaan van een vrijheidsstraf.

4.13.

Op grond van al het bovenstaande en nu de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding ziet om het medisch onderzoek alsnog te laten uitvoeren, is de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.14.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proces- en nakosten, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- veroordeelt [eiser] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.

jvl