Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1767

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
AWB 15/1856
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, Dublinclaimant, hoger beroep afwachten in Nederland, medische omstandigheden, lichter middel, beroep gegrond, bewaring opgeheven

Wetsartikelen: artikel 59a, eerste lid, Vw en artikel 28, tweede lid, Dublinverordening

Samenvatting:

Verweerder heeft op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan eiser op 27 januari 2015 de maatregel van bewaring opgelegd. Eisers overdracht stond gepland voor 4 februari 2015. Deze overdracht heeft niet plaatsgevonden, omdat eiser niet fit-to-fly is verklaard. Uit het dossier komt naar voren dat eiser verschillende medische klachten heeft waar hij voor wordt behandeld door een huisarts en specialist. Verder heeft de voorzieningenrechter van de ABRvS bij uitspraak van 2 februari 2015 bepaald dat eiser zijn hoger beroep in Nederland mag afwachten. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS en in de medische situatie van eiser had verweerder aanleiding moeten zien om ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening op basis van een individuele beoordeling na te gaan of de maatregel van bewaring evenredig is en of andere minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast. Van een dergelijke beoordeling is niet gebleken. De bewaring is vanaf 3 februari 2015 niet in redelijkheid gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1856

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1951], van gestelde Eritrese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. J.F. de Ruijter de Wildt),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.M.C. Vissers).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 januari 2015 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 4 februari 2015 nadere stukken ingediend en verweerder heeft op 6 februari 2015 nadere stukken ingediend. Op 7 februari 2015 heeft eiser de gronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven te reageren op de nagekomen stukken van 4 februari 2015. Bij fax van 11 februari 2015 heeft verweerder zijn reactie toegezonden. Op 12 februari 2015 heeft eiser daarop gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat een andere zitting achterwege blijft, heeft zij het onderzoek gesloten en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

  2. Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw kan verweerder vreemdelingen op wie de Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Verordening 604/2013) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van die verordening.

Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verordening 604/2013 mogen de lidstaten wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, deze persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en enkel voor zover bewaring evenredig is en wanneer andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van artikel 28, derde lid, van de Verordening 604/2013 duurt de bewaring zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd.

Op grond van artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in bewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien (a) een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening 604/2013; en (b) een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Op grond van artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in 5.1a, tweede lid, van het Vb slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

3. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat eiser: (a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; (b) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; (c) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten en (d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Over de grond onder (c) heeft eiser aangevoerd dat hij bij binnenkomst in Nederland zijn nationale identiteitsbewijs bij zich had en direct aan de vreemdelingenpolitie heeft overhandigd voor onderzoek. In dit kader heeft eiser erop gewezen dat het document echt is bevonden. Pas tijdens zijn asielprocedure is duidelijk geworden dat hij (vermoedelijk) met een vals paspoort en visum heeft gereisd. Verder heeft eiser aangevoerd dat ook in die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, steeds, aan de hand van hetgeen door eiser omtrent zijn gedrag en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, dient te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in zijn geval daadwerkelijk kunnen dragen. Volgens eiser is verweerder bij het opleggen van de maatregel van bewaring eraan voorbijgegaan waarom in zijn geval sprake is van een significant risico als bedoeld in artikel 28 van de Verordening 604/2013. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2996). In dit kader heeft eiser aangevoerd dat verweerder op de hoogte was van zijn medische gesteldheid, hij zich altijd aan zijn meldplicht heeft gehouden, hij ten tijde van zijn aanhouding in het asielzoekerscentrum Luttelgeest verbleef en geen belang had om zich te onttrekken aan het toezicht omdat hij onder medische behandeling van de huisarts en een specialist stond. Tevens heeft eiser gesteld dat zijn medische toestand het hem alleen al onmogelijk maakt om onder te duiken, zich zelfstandig te redden of zonder begeleiding te kunnen reizen. Eiser heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat verweerder heeft miskend dat in zijn geval een zodanig risico ontbreekt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden onder (a), (b) en (d) niet inhoudelijk heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden, in onderlinge samenhang bezien, in beginsel voldoende grond geven om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. De door eiser aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 1 augustus 2014 biedt geen aanleiding voor een ander oordeel nu in die zaak de vreemdeling had toegezegd te zullen meewerken aan zijn vertrek als zijn beroep ongegrond zou worden verklaard. Dat is in onderhavige zaak niet het geval. De hiervoor genoemde bewaringsgronden kunnen de maatregel dan ook dragen. Gelet op het voorgaande behoeft de grond onder (c) geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder met een lichter middel had kunnen volstaan. In dit kader heeft eiser naar voren gebracht dat er niets is gedaan met de brieven en de informatie die van zijn kant aan verweerder zijn verstrekt. Uit deze stukken komt naar voren dat eiser medische klachten heeft en hiervoor onder behandeling staat. Volgens eiser zullen de inbewaringstelling en het voortduren van de bewaring er alleen toe leiden dat zijn gezondheidssituatie zal verslechteren. Verder heeft eiser gesteld dat de voorgenomen overdracht niet opweegt tegenover het belang van eiser om in ieder geval de uitslag van zijn hoger beroep in Nederland te mogen afwachten. Ook heeft eiser gesteld dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat hij het asielzoekerscentrum zou verlaten, omdat hij noodzakelijke medische behandelingen onderging en zich bewust was van de risico’s van een onderbreking van die behandeling.

7. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser een moeilijk te reguleren diabetes heeft met secundaire orgaanschade op oogheelkundig gebied. Daarnaast heeft eiser essentiële hypertensie en is er nier schade gemeld. Voor zijn klachten staat hij onder behandeling van een huisarts en specialist. Verder komt uit de stukken naar voren dat eiser op 4 februari 2015 zou worden overgedragen aan Italië. Deze overdracht heeft niet plaatsgevonden, omdat eiser niet fit-to-fly is verklaard op 2 februari 2015. Bij uitspraak van 2 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter van de ABRvS bepaald dat eiser niet mag worden overgedragen totdat op het door hem ingestelde hoger is beslist. Uit het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep op 10 maart 2015 staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 2 februari 2015 en in de medische situatie van eiser aanleiding moeten zien om ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Verordening 604/2013 op basis van een individuele beoordeling na te gaan of de maatregel van bewaring evenredig is en of andere minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast. De rechtbank stelt vast dat van een dergelijke individuele beoordeling niet is gebleken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de aan orde zijnde maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2015 in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De beroepsgrond slaagt.

8. Gelet op het voorgaande en artikel 94, vierde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf 3 februari 2015 onrechtmatig is.

9. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 februari 2015.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

11. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vijftien dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de bewaring ten bedrage van 15 x

€ 80 = € 1.200,-.

12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 februari 2015;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van schadevergoeding tot een bedrag van € 1.200, te betalen door de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.

griffier rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.200,- (zegge: twaalfhonderd euro).

Aldus vastgesteld op 17 februari 2015 door mr. D. Verduijn.

rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.