Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1701

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
09/820104-13; 09/797170-14 (ttz. gev.); 09/797322-14 (ttz. gev.) en 22/003563-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 22-jarige man voor zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin in november 2013, bedreiging met de dood van haar moeder tussen eind 2013 en begin 2014 en zware mishandeling van een medegevangene in augustus 2014. Hij krijgt hiervoor vier jaar celstraf en daarnaast tbs met dwangverpleging.

Terwijl hij in de laatste fase van zijn detentie voor onder meer een poging doodslag bij Parnassia verbleef, heeft de man op het terrein van Parnassia zijn toenmalige vriendin zwaar mishandeld. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan ernstig letsel opgelopen. In de penitentiaire inrichting waar hij weer gedetineerd zat, heeft hij ruim een half jaar later heet water over een medegevangene gegooid, terwijl deze naakt onder de douche stond. Ook dit had zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

De man heeft zich onbeheerst en agressief gedragen. Het is goed voorstelbaar dat zijn slachtoffers en ook de mensen in hun omgeving hem als zeer bedreigend ervaren. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat zij nog lang de gevolgen van het letsel ondervinden en ook nog dagelijks gevoelens van angst ervaren.

Een behandeling in een zwaar beveiligde omgeving is nodig om het gevaar op herhaling zoveel mogelijk in te perken, zo oordelen meerdere deskundigen. De rechtbank trekt de conclusie dat de problemen van de 22-jarige man zo ernstig zijn dat een langdurige behandeling noodzakelijk is.

Alles bij elkaar opgeteld, legt de rechtbank naast de gevangenisstraf ook de maatregel op van de terbeschikkingstelling van de verdachte, met het bevel dat de verdachte door de overheid wordt verpleegd. Verdachte pleegde de zware mishandelingen terwijl hij nog vastzat. Een hoge graad van beveiliging is daarom nodig om hem te weerhouden van het plegen van dit soort feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/820104-13; 09/797170-14 (ttz. gev.); 09/797322-14 (ttz. gev.) en 22/003563-11 (tul)

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 februari 2014, 11 april 2014, 14 mei 2014, 25 juli 2014, 17 oktober 2014, 5 januari 2015 en 5 februari 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.A.W. van ‘t Westeinde en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. C.Y. Kekik, advocaat te Schiedam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van 09/820104-13 (hierna feit A):

hij op of omstreeks 05 november 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk - die [slachtoffer 1] (meermalen) bij de keel heeft vastgepakt en/of (daarbij) in

die keel heeft geknepen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) in het gezicht heeft gestompt/geslagen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] (meermalen) ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 1] terwijl zij op de grond lag (met kracht) (meermalen) tegen de zij

en/of tegen de ribben, althans tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 november 2013 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen en/of een klaplong en/of één of twee gebroken ribben en/of één of twee wonden op het voorhoofd die gehecht moest(en) worden), heeft toegebracht, door opzettelijk

- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) in het gezicht te stompen/slaan,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] (meermalen) ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 1] (terwijl zij op de grond lag) (met kracht) (meermalen) tegen

de zij en/of de ribben, althans tegen het lichaam te schoppen;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 november 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] bij de keel heeft vastgepakt en/of (daarbij) in die keel heeft

geknepen en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met kracht) in het gezicht heeft gestompt/geslagen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] (meermalen) ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 1] (terwijl zij op de grond lag) (met kracht) (meermalen) tegen de zij

en/of tegen de ribben, althans het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van 09/797170-14 (hierna: feiten B1 en B2)

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 21 januari 2014 te Zoetermeer en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 1] in die periode 57 maal, althans veelvuldig gebeld en/of

- die [slachtoffer 1] in die periode veelvuldig gevraagd om haar aangifte in te

trekken en/of

- meermalen [vriendin slachtoffer], een vriendin van die [slachtoffer 1] gebeld om via deze

vriendin aan die [slachtoffer 1] te (doen) vragen of zij haar aangifte wilde

intrekken en/of via deze vriendin in contact te komen met [slachtoffer 1] en/of

- [vader slachtoffer], de vader van die [slachtoffer 1] gebeld om hem onder

meer te vragen de aangifte van die [slachtoffer 1] in te (doen) trekken;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 21 januari 2014 te Zoetermeer, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of haar moeder, mevrouw [slachtoffer 1], telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd:

- " Ik maak je kankermoeder dood" en/of

- " Ik maak je dood als ik vrij kom" en/of

- " Het is eigenlijk geen enkele moeite om iemand te pakken, het is maar één

telefoontje werk" en/of

- " Het zou beter zijn als je je aanklacht intrekt want ik weet je te vinden

als ik vrijkom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

ten aanzien van 09/797322-14 (hierna: feit C)

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven

te beroven, (een pan met) (kokend) heet water over/tegen het gezicht en/of het lichaam en/of

de armen en/of de benen van die [slachtoffer 2] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Zoetermeer aan een persoon (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (brandwonden), heeft toegebracht, door (opzettelijk) (een pan met) (kokend) heet water over/tegen het gezicht en/of het lichaam en/of de armen en/of de benen van die [slachtoffer 2] te gooien;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (een pan met) (kokend) heet water over/tegen het gezicht en/of het lichaam en/of de armen en/of de benen van die [slachtoffer 2] heeft gegooid, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Beoordeling

3.1.

Vrijspraak

ten aanzien van feit B1

Verdachte wordt vrijgesproken van de aan hem verweten stalking nu het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat.

3.2

Bewijsoverwegingen

ten aanzien van feit A subsidiair

Op 5 november 2103 omstreeks 20:30 uur werd [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster) afgeleverd bij het ziekenhuis Vlietland met meerdere verwondingen.

Verdachte heeft erkend dat hij aangeefster die avond op het terrein van Parnassia in Den Haag één keer hard in het gezicht heeft geslagen. Volgens aangeefster heeft verdachte haar met de vuist twee keer een harde klap in het gezicht gegeven. Toen zij als gevolg daarvan op de grond lag heeft hij haar twee à drie keer tegen haar linkerzij geschopt. De rechtbank constateert dat het letsel in haar gelaat en aan haar ribben past bij haar verklaring. De stelling van verdachte dat zij dit letsel heeft opgelopen omdat zij na die eerste klap hard is weggerend en vervolgens is gevallen, mogelijk op het ijzeren fietsenrek, vindt geen steun in het dossier en wordt ook weerlegd door de rapportage van het NFI. Daarin wordt immers aangegeven dat het veel waarschijnlijker is dat het letsel is veroorzaakt door botsend geweld tegen gelaat en borst dan door botsing tegen een oppervlak, bijvoorbeeld door een val.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de handelingen die verdachte worden verweten wettig en overtuigend bewezen. Naar hun aard (met de vuist in het gezicht slaan en hard schoppen in de linkerzij) zijn dit handelingen die zwaar lichamelijk letsel kunnen opleveren. Gelet op het bij aangeefster geconstateerde letsel is daarvan ook sprake.

ten aanzien van feit B2

Verdachte heeft bekend dat hij via de telefoon de moeder van aangeefster heeft bedreigd en dit laatste blijkt ook uit het opgenomen telefoongesprek van 10 januari 2014 tussen hem en aangeefster. Voor andere bedreigingen bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken

ten aanzien van feit C subsidiair

[slachtoffer 2] (hierna: aangever) heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2014 van verdachte, terwijl hij zich stond af te drogen in de douchecel, een pan heet water over zich heen heeft gekregen. Bewakers die naar aanleiding van het gillen van aangever bij de doucheruimte kwamen, zagen dat verdachte aangever in een houdgreep hield.

Verdachte heeft verklaard dat hij, terwijl hij in de badruimte zijn tanden stond te poetsen, van achteren uit het niets is besprongen door aangever en dat zij vervolgens door de bewakers uit elkaar zijn gehaald. Dit scenario van verdachte dat erop neerkomt dat een ander dan verdachte heet water naar aangever heeft gegooid, is niet aannemelijk geworden.

Uit het dossier blijkt immers dat de reiniger tegen anderen heeft verklaard dat verdachte direct voorafgaand aan het incident een pan water heeft gekookt en daarmee de keuken is uitgelopen. Vaststaat verder dat aangever tweedegraads brandwonden heeft opgelopen over 28% van zijn lichaam. Het verloop van de brandwonden past volgens de deskundige bij een situatie dat aangever voorovergebogen heeft gestaan toen hij het water over zich heen kreeg. Die situatie past veel meer bij de verklaring van aangever dat hij in de douche heeft geprobeerd zich te verdedigen en reeds in gevecht is geraakt met verdachte dan bij de verklaring van verdachte dat aangever, nadat hij van een ander een pan heet water over zich heen had gekregen, de douchecel is uitgekomen en – zonder verdere aanleiding – verdachte in de rug is gesprongen.

De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat verdachte de dader is. Aangever heeft ernstige brandwonden opgelopen onder meer in zijn gezicht, op zijn borst, armen en kruis. Dergelijk letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

4 De bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hierna volgende feiten heeft begaan op die wijze dat:

ten aanzien van feit A subsidiair:

hij op 05 november 2013 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en een gebroken jukbeen en een klaplong en twee gebroken ribben en twee wonden op het voorhoofd die gehecht moest(en)

worden), heeft toegebracht, door opzettelijk

- die [slachtoffer 1] meermalen met kracht in het gezicht te stompen/slaan,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en

- die [slachtoffer 1], terwijl zij op de grond lag, met kracht meermalen

tegen de zij te schoppen;

ten aanzien van feit B2:

2.

hij in de periode van 24 december 2013 tot en met 21 januari 2014 in Nederland, de moeder van

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kankermoeder dood";

ten aanzien van feit C subsidiair:

hij op 02 augustus 2014 te Zoetermeer aan [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (brandwonden) heeft toegebracht, door een pan met heet water over/tegen het gezicht en het

lichaam en de armen en de benen van die [slachtoffer 2] te gooien.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit A en feit C:

zware mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit B 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van vijf jaren

wordt opgelegd met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een ongemaximeerde terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke straf op zijn plaats is en dat verdachte behandeling nodig heeft. De verdediging is echter van mening dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging geen gepaste straf voor de verdachte is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte die in de laatste fase van zijn detentie voor onder meer een poging doodslag bij Parnassia verbleef, heeft op het terrein van Parnassia zijn toenmalige vriendin zwaar mishandeld. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan ernstig letsel opgelopen.

In de PI waar hij weer gedetineerd zat, heeft hij ruim een half jaar later heet water over een medegedetineerde gegooid, terwijl deze naakt onder de douche stond. Ook dit had zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Het optreden van verdachte in deze beveiligde situaties getuigt van onbeheerst en agressief gedrag en het is alleszins voorstelbaar dat zijn slachtoffers en ook de mensen in hun omgeving verdachte als zeer bedreigend ervaren. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat zij nog lang de gevolgen van het letsel ondervinden en ook nog dagelijks gevoelens van angst ervaren.

Uit zijn strafblad volgt dat verdachte, ondanks zijn relatief jonge leeftijd, vaker voor geweldsdelicten is veroordeeld. Als laatste is hem een gevangenisstraf van vier jaar waarvan een jaar voorwaardelijk opgelegd voor onder meer de reeds genoemde poging doodslag.

De rechtbank vindt het positief dat verdachte ter zitting van 25 juli 2014 enigszins opening van zaken heeft gegeven over hetgeen zich op het terrein van Parnassia afspeelde. Dit draagt bij aan de verwerking door het slachtoffer en heeft daarnaast de rechtbank de mogelijkheid gegeven een nieuw en diepergaand onderzoek naar zijn persoonlijkheid te laten doen. De rechtbank heeft daarom met name op de laatste twee deskundigenrapportages acht geslagen.

Uit de pro justitia rapportage van 4 november 2014, opgesteld door M.M. Loomans, arts, psychiater in opleiding, onder supervisie van B.J.H. van der Hoeven, psychiater, volgt dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat daarvan ook sprake was ten tijde van het plegen van de mishandeling van zijn (ex) vriendin. Er wordt geadviseerd om verdachte voor dat feit verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De impulsiviteit, de gebrekkige regulatie van zijn emoties en van zijn agressie zijn factoren die de kans op recidive vergroten. De neiging van verdachte om zichzelf als slachtoffer te zien en de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag buiten zichzelf te leggen en zijn gebrek aan ziekte inzicht verminderen zijn motivatie voor behandeling. Echter zonder intensieve behandeling en begeleiding wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt daarom om verdachte te laten behandelen in het kader van een TBS met dwangverpleging bij een nader te bepalen instelling.

Uit de pro justitia rapportage van 5 november 2014, opgesteld door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, volgt eveneens dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook de psycholoog komt tot het advies verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten ten aanzien van de zware mishandeling van zijn (ex)vriendin. Behandeling zal moeizaam zijn en tijd kosten en het recidiverisico op toekomstig gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat. Zowel tijdens het verblijf bij Parnassia als in detentie in PI Zoetermeer vonden immers ernstige incidenten plaats. Om die reden wordt – bij een bewezenverklaring – een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk geacht. Vanwege de optelsom van een hoog recidiverisico op een geweldsdelict, een dringende behandelnoodzaak, weinig zelfinzicht en motivatie, en de noodzaak tot een hoog beveiligingsniveau, wordt TBS met dwangverpleging geïndiceerd geacht.

Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 6 februari 2014 en het aanvullend reclasseringsadvies van 9 december 2014, beiden van GGZ Reclassering Palier. Uit het aanvullend reclasseringsadvies volgt dat ook de reclassering van mening is dat een TBS met voorwaarden niet haalbaar/uitvoerbaar wordt geacht. Alleen een behandeling in een hoog beveiligde setting in het kader van een TBS met verpleging van overheidswege is voldoende toereikend om het gevaars- en recidiverisico zoveel mogelijk in te perken. Geadviseerd wordt dan ook aan verdachte een TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid over. Gelet op de aard van de stoornis en de daarmee samenhangende agressie is de rechtbank van oordeel dat deze stoornis ook een rol heeft gespeeld bij de zware mishandeling van de medegedetineerde. Ook ten aanzien van dit feit zal de rechtbank verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de geadviseerde TBS-maatregel een voor verdachte zeer ingrijpende strafrechtelijke maatregel is die alleen aan de orde is als de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist en andere, minder ingrijpende maatregelen niet effectief zijn. Op grond van de bevindingen van de deskundigen komt de rechtbank tot de vaststelling dat de problemen van verdachte dusdanig ernstig zijn dat een langdurige behandeling noodzakelijk is. De aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de verwachte behandelduur die het gevolg is van het chronische ziektebeeld met gebrek aan ziektebesef, de veiligheid van personen en het gevaar voor herhaling en escalatie van ernstige geweldsdelicten, dat op grond van het strafblad van de verdachte en de thans bewezen verklaarde feiten moet worden gevreesd, maken dat de rechtbank thans geen andere maatregel kan opleggen dan die van de terbeschikkingstelling van de verdachte, met het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat beide zware mishandelingen gepleegd werden tijdens de detentie van verdachte en een hoge graad van beveiliging kennelijk geboden is om verdachte te weerhouden van het plegen van dergelijke feiten.

Nu de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten zware mishandeling van zijn (ex-)vriendin en van een medegedetineerde, zal een totale duur van meer dan vier jaren, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet op voorhand uitgesloten zijn.

De ernst van de feiten en de persoon van verdachte beschouwend is de rechtbank van oordeel dat naast de TBS met dwangverpleging ook een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 13.780,82.

[slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.780,00.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 13.780,82.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 13.780,82, subsidiair 103 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 4.780,00.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.780,00, subsidiair 57 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering nu vrijspraak voor dit feit dient te volgen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1] is door de verdediging niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder parketnummer 09/820104-13 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 13.780,82.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 5 november 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder parketnummer 09/820104-13 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 13.780,82, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 november 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

De vordering van [slachtoffer 2] is door de verdediging niet inhoudelijk betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder parketnummer 09/797322-14 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.780,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 2 augustus 2014 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder parketnummer 09/797322-14 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.780,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering van 13 maart 2014 tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 4 juli 2012 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen kennis kan nemen van de vordering, omdat de rechtbank niet in het bezit is gesteld van het zaaksdossier waarop de vordering tot tenuitvoerlegging betrekking heeft, waardoor de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de aan de veroordeling ten grondslag liggende tenlastelegging en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde delict is gepleegd.

De raadsman heeft tevens aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de proeftijd nog niet is ingegaan.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie van 13 maart 2014, in de zaak met ressortsparketnummer 22-003563-11, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 4 juli 2012 van het Gerechtshof te Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder meer een jaar gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Dat deze proeftijd eerst is ingegaan na de in dit vonnis bewezen verklaarde periode doet volgens vaste rechtspraak niet af aan de mogelijkheid tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14g, 37a, 37b, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/820104-13 onder primair, bij dagvaarding met parketnummer 09/797170-14 onder 1 en bij dagvaarding met parketnummer 09/797322-14 onder primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/820104-13 onder subsidiair, de bij dagvaarding met parketnummer 09/797170-14 onder 2 en bij dagvaarding met parketnummer 09/797322-14 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van parketnummer 09/820104-13 subsidiair en parketnummer 09/797322-14 subsidiair:

zware mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 09/797170-14, feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 13.780,82, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf

5 november 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot €13.780,82 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 103 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], een bedrag van € 4.780,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.780,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 4 juli 2012, gewezen onder ressortsparketnummer 22-003563-11, te weten gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr.drs. E.C.M. Bouman, rechter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2015.

De bewijsmiddelen

De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:

Met betrekking tot feit A

1.1.

de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 juli 2014, voor zover luidende zakelijk weergegeven -:

Ik heb [slachtoffer 1] geslagen. Ik heb haar met mijn hand in haar gezicht geslagen. Het was een mep en ik denk dat ik haar toen hard heb geslagen.

1.2.

van het proces-verbaal van de Politie Haaglanden, nr PL1534-2013217340, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (blz. 1- 283). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

a. het proces-verbaal aangifte van de politie Eenheid Rotterdam, nr. PL17A0-2013340879-1, d.d. 6 november 2013. Dit proces‑verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer 1] (blz. 40-41):

Op dinsdag 5 november 2013 had ik in Den Haag met [verdachte] afgesproken. Ik had met hem afgesproken bij Parnassia. (…)Hij zette mij tegen een muurtje met een glazen deur. Hierop sloeg [verdachte] mij in mijn gezicht. (…) Ik viel op de grond. (…) Ik stond weer op. (…) Ik kreeg gelijk weer een klap van [verdachte]. Ik viel hierdoor in de bosjes, Toen schopte hij mij twee of drie keer in mijn linkerzij. (…) Hij schopte ter hoogte van mijn ribben. (…)

b. een geschrift, te weten een brief van de vakgroep Chirurgen van het Vlietland ziekenhuis d.d. 11 februari 2014 met bijlagen (blz. 190):

Ten gevolge van de mishandeling waren de volgende letsels aanwezig:

Pneumathorax aan de linkerzijde met een fractuur van de negende rib aan die zijde

(…) Fractuur voorwand linker sinus maxcillaris en een fractuur van het os nasale

1.3.

een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 januari 2015, met daarin de conclusie (blz. 8):

Inwendig waren er aangezichtsbreuken ter hoogte van het linkerjukbeen en aan de neus,…, en lichte scheefstand van het neustussenschot. Daarnaast waren er botbreuken van aan de zijwaarts-achterwaartse zijde van de 9e rib links, en daarnaast een scheurtje van de 8e rib, met een bijkomende samengevallen long (‘klaplong’, ‘pneumothorax’).

Het letsel is passend bij hevig botsend mechanisch geweld op het gelaat en op de borst.

Het aantreffen van deze bevindingen zijn waarschijnlijker onder een hypothese van plaatselijk geweld door een uitstekend voorwerp of lichaamsdeel, dan onder een hypothese dat deze waren opgelopen door bijvoorbeeld een oppervlak, zoals bijvoorbeeld in het kader van een val op of tegen een vlak oppervlak of een slag met een groter voorwerp.

Met betrekking tot feit B2

1.4.

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juli 2014

- het proces-verbaal van aangifte van de Politie Haaglanden, nr PL1534-2013217340, d.d. 24 januari 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1], blz. 202

- het proces-verbaal van bevindingen van de Politie Haaglanden, nr PL1534-2013217340, d.d. 27 juni 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, blz. 268.

Met betrekking tot feit C

1.5.

Het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2014179623, d.d.

1 september 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (blz. 1 – 87). Dit proces‑verbaal houdt onder meer in:

a. het proces-verbaal van aangifte inhoudende de op 14 augustus 2014 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] (blz. 11-12):

Ik zat gedetineerd in de penitentiaire afdeling in Zoetermeer. Op zaterdag 2 augustus 2014 ben ik gaan douchen. (…) Ik zie vanuit de douche dat [verdachte] binnenkomt. (…) ik zie dat [verdachte] een grote pan in zijn handen heeft. Ik zag rook vanuit de pan komen (…) Ik zag dat hij de inhoud van de pan met een boog over mij heen gooide (…) Ik kreeg het hete water over mijn gezicht, borst, schouders, bovenarmen, onderarmen en mijn geslachtsdeel heen. Dat deed ontzettend veel pijn. (…)[verdachte] liep op mij toe en sloeg mij met zijn vuist in het gezicht. (…)

b. het proces-verbaal verhoor getuige inhoudende de op 13 augustus 2014 tegenover de s opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 2] (blz. 40-41):

Ik werk als gevangenenbewaarder in de [peniteniaire inrichting 2]. Op zaterdag 2 augustus 2014 omstreeks 08:05 bevond ik mij in de teamkamer (…) Ik hoorde iemand hard gillen, het was niet normaal. Ik hoorde ook iets op de grond vallen. Ik liep direct naar beneden. Als je de trap afloopt, kom je bij de doucheruimte. Daar zag ik gedetineerde [verdachte] [slachtoffer 2] in een houdgreep vast hield. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 2] met zijn arm om zijn ([slachtoffer 2]) nek vast hield (…) Ik heb ook een pan op de grond zien liggen bij de douches.

c. het proces-verbaal verhoor getuige inhoudende de op 14 augustus 2014 tegenover de s opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 1] (blz. 47):

Mijn functie in de [peniteniaire inrichting 2] is senior gevangenenbewaarder. Ik hoorde van de reiniger dat [verdachte] om een pan vroeg om soep te maken. Hij vroeg dit gelijk om 07:45 toen de celdeur open ging. De reiniger zag dat [verdachte] hier water in deed en op de elektrische kookplaat zette. (…) Een kwartier later zag de reiniger [verdachte] lopen met de pan de keuken uit. Dit vertelde de reiniger mij. Hij vertelde mij dat hij niet zag waar [verdachte] naar toe liep. [getuige 3], [getuige 4] en ik liepen op het gegil af. Ik zag dat ze elkaar beet hadden. [getuige 4] maakte ze los en ik heb [verdachte] ingesloten in zijn cel. [verdachte] was heel rustig.

d. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 december 2014, waarin is opgenomen de conclusie (ongenummerd):

Het patroon van de brandwonden past, gezien de uitsparing ter hoogte van de buik en de genitaliën meer bij een vloeistofverbranding waarbij de romp zich in een verticale, mogelijk voorovergebogen bevond, dan bij een verbranding waarbij de romp zich in een horizontale positie bevond. Omdat de graad van verbranding relatief oppervlakkig was, heeft de temperatuur van het water volgens prof. dr. Kreis waarschijnlijk niet meer bedragen dan 65 à 80° Celsius, oftewel betrof het waarschijnlijk heet kraanwater.

Het letsel bestond uit oppervlakkige tweedegraads brandwonden in het gelaat en aan weerszijden in de hals, rechts meer dan links, aan de bovenzijde van de borst, de voorzijde van beide schouders, de buigzijde van de rechterbovenarm, de buigzijde van beide onderarmen en de voorzijde van beide bovenbenen met een totaal verbrand lichaamsoppervlakte van circa 28%.

1.6.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de op 8 december 2014 afgelegde verklaring van de getuige wiens gegevens bij de rechter-commissaris bekend en gecontroleerd zijn (punt 6):

(…)De verdachte heeft de afdelingsreiniger gevraagd om een pan te lenen en vervolgens de pan op het vuur gezet. (…) Volgens de afdelingsreiniger kookte het water. De verdachte liep met het pannetje water de keuken uit. Dat verhaal heb ik persoonlijk gehoord van de afdelingsreiniger op zaterdagmiddag, na het voorval

De hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen zijn - ook in onderdelen - slechts gebruikt ten aanzien van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.