Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16419

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
C/09/483783
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Duitsland. In geschil is de gewone verblijfplaats van de kinderen. De rechtbank wijst het verzoek tot teruggeleiding van het ene kind af en verklaart de moeder ten aanzien van het andere kind niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-1502

Zaaknummer: C/09/483783

Datum beschikking: 30 juni 2015

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 26 februari 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] , Duitsland,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vader,

wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat: mr. L. Stam te Vught.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 10 maart 2015, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 26 maart 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, en de vader, bijgestaan door M.T. van Alebeek-Psara (kantoorgenoot van mr. L. Stam).

Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder-mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser.

De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder-mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 30 maart 2015 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet heeft geresulteerd in een vaststellings- of spiegelovereenkomst, maar dat zij afspraken hebben gemaakt over het contact tussen de moeder en de minderjarigen. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. De moeder handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.

Nadien heeft de rechtbank nog ontvangen:

  • -

    de brief d.d. 9 april 2015 van de zijde van de vader, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 9 april 2015 van de zijde van de moeder, met bijlagen.

De minderjarige [1. minderjarige] is op 13 april 2015, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, in raadkamer gehoord.

Op 13 april 2015 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Ter zitting zijn van de zijde van de moeder stukken overgelegd. Ter zitting heeft mr. L. Stam de meervoudige kamer gewraakt.

De wrakingskamer heeft bij beslissing van 20 april 2015 de wraking ongegrond verklaard.

Na 13 april 2015 heeft de rechtbank nog ontvangen:

  • -

    de brief d.d. 17 april 2015 van de zijde van de moeder, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 22 april 2015 van de zijde van de moeder, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 23 april 2015 van de zijde van de vader, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 25 april 2015 van de zijde van de moeder, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 28 april 2015 van de zijde van de moeder, met bijlagen;

  • -

    de brief d.d. 28 april 2015 van de zijde van de vader, met bijlagen.

In verband met verhinderingen aan de zijde van partijen, hun advocaten en de rechtbank heeft de voortgezette mondelinge behandeling niet eerder dan op 16 juni 2015 kunnen plaatsvinden. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Duitse taal;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    namens de Raad voor de Kinderbescherming: mevrouw [naam]

Van de zijde van de vader is een pleitnotitie overgelegd. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is mondeling verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling, zowel bij een toewijzende als bij een afwijzende beslissing op het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen. Dit verzoek is geregistreerd met kenmerk C/09/491244, JE RK 15-1212.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet),

primair: de onmiddellijke terugkeer van beide minderjarigen naar Duitsland, meer in het bijzonder naar de verblijfplaats van de moeder te [woonplaats moeder] , Duitsland, te bevelen,

subsidiair: de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige [2. minderjarige] naar Duitsland, meer in het bijzonder naar de verblijfplaats van de moeder te [woonplaats moeder] , Duitsland, te bevelen,

meer subsidiair: voor het geval de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding zal afwijzen: te bepalen dat [1. minderjarige] en [2. minderjarige] ieder weekend van vrijdag na school tot zondagavond en alle Nederlandse schoolvakanties bij de moeder in [woonplaats moeder] , Duitsland, zullen zijn, althans een zodanige regeling te treffen als de rechtbank juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Teruggeleiding van [1. minderjarige] en [2. minderjarige] naar Duitsland

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Duitsland zijn partij bij het Verdrag. Op de beoordeling van het verzoek is voorts van toepassing artikel 11 van de Verordening EG nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II bis).

1. Vaststaande feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het verzoek tot teruggeleiding gaat de rechtbank uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden.

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] tot [datum] . Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de volgende thans nog minderjarige kinderen: [1. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Duitsland), en [2. minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oostenrijk). Uit een eerdere relatie heeft de vader een zoon, [naam] geboren op [geboortedatum] , die bij zijn moeder in Oostenrijk verblijft. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Duitse nationaliteit.

In november 2011 zijn partijen uit elkaar gegaan. Vanaf min of meer het feitelijk uiteengaan van partijen heeft een zorgregeling gegolden, waarbij de minderjarigen wisselden tussen de ouders. Op 5 april 2013 zijn de ouders bij de arrondissementsrechtbank te [plaatsnaam] in Oostenrijk een regeling ter zake van de uitoefening van het gezamenlijk gezag overeengekomen. Deze regeling luidt (volgens de door de moeder overgelegde, beëdigde vertaling uit het Duits1) als volgt:

“De zorg voor de minderjarige [1. minderjarige] (…) alsook voor de minderjarige [2. minderjarige] (…) komt voortaan aan beide ouders toe.

De eerste verblijfplaats [in het Duits staat: hauptsächliche Aufenthalt; noot rechtbank] van de beide minderjarige kinderen bevindt zich bij de vader.

De vader verklaart zich er nu reeds mee akkoord, dat de moeder op 1 juni 2013 samen met de minderjarige kinderen in haar woning in [woonplaats moeder] (…) intrekt. De vader zal zo snel mogelijk [woonplaats vader] in Nederland als zijn woonplaats kiezen.

In goed overleg leggen de ouders van de kinderen vast, dat de moeder een contactrecht jegens de beide minderjarige kinderen zal verkrijgen, te beginnen op de vrijdag van iedere even week, voor de duur van een week tot aan de vrijdag van iedere oneven week, terwijl de vader een contactrecht te beginnen op iedere oneven week en eindigend op de vrijdag van iedere even week voor de duur van een week zal verkrijgen, zodat de contactuitoefening van de ouders er zo uitziet, dat de minderjarige kinderen de helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijven.

De vader verplicht zich ertoe, de minderjarige kinderen bij aanvang van de week van het contactrecht van de moeder op vrijdag uiterlijk om 13.00 uur naar de woning van de moeder te brengen en aan het eind van het contactrecht van de moeder op daaropvolgende vrijdag na sluiting van de kleuterschool (…) af te halen.

De ouders van de kinderen komen overeen, dat gedurende de weken van verblijf van de minderjarige kinderen bij de vader, de kinderen de kleuterschool in [woonplaats moeder] niet behoeven te bezoeken. De ouders van de kinderen komen voorts overeen, dat de vader vóórdat de school voor de minderjarige [1. minderjarige] begint, dat zal dan in de herfst van 2015 zijn, een woonplaats zal kiezen met een straal van maximaal 50 kilometer van [woonplaats moeder] .” Deze regeling is met een rechterlijke uitspraak op 18 juni 2013 definitief van kracht geworden.

Op 25 mei 2013 is de moeder met de minderjarigen naar [woonplaats moeder] verhuisd en gingen de minderjarigen daar naar de kleuterschool. De in Oostenrijk overeengekomen wekelijkse wisseling tussen de ouders, zoals hiervoor weergegeven, vond niet plaats. De minderjarigen waren van 14 juni 2013 tot 19 juli 2013 bij de vader. Het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Duitsland is bij beschikking d.d. 16 juli 2013 van de arrondissementsrechtbank [plaatsnaam] te Oostenrijk afgewezen, onder de overweging dat de vader het alleenrecht heeft om de woonplaats van de minderjarigen te bepalen (het zogenaamde “Aufenthaltbestimmungsrecht”), waardoor er volgens de arrondissementsrechtbank [plaatsnaam] geen sprake was van ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Verdrag. Vervolgens verbleven de minderjarigen van 19 juli 2013 tot en met 23 augustus 2013 bij de moeder in [woonplaats moeder] . Van 24 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013 verbleven de minderjarigen bij de vader in Nederland en van 31 augustus 2013 tot en met 13 september 2013 verbleven zij bij de moeder in [woonplaats moeder] . Van 14 september 2013 tot en met 12 december 2013 verbleven de minderjarigen bij de vader, vanaf 29 september 2013 met hem in Nederland. Op 13 december 2013 wisselden de minderjarigen naar de moeder in [woonplaats moeder] . Op 5 januari 2014 weigerde de moeder de minderjarigen volgens de afspraak mee te geven aan de vader. Het Amtsgericht [plaatsnaam] (Duitsland) wees op 28 maart 2014 het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland af, nu volgens het Amtsgericht op 5 januari 2014 van de minderjarigen geen gewone verblijfplaats in de zin van het Verdrag kon worden vastgesteld, vanwege de voortdurende wisselingen van de minderjarigen tussen Duitsland en Nederland.

Op 15 april 2014 vaardigde het Amtsgericht [woonplaats moeder] voor bepaalde tijd tot uiterlijk 30 juni 2014 tegen de vader een benaderingsverbod betreffende de minderjarigen uit, met uitzondering van de door de moeder vrijwillig toegelaten of door de rechter verplichte omgangscontacten. Hierbij liet het Amtsgericht meewegen dat zich in januari 2014 een voorval had voorgedaan, waarbij, volgens de moeder, de vader heeft geprobeerd de beide kinderen tot zich te nemen en hen tegen de wil van verzoekster mee te nemen. Om een hernieuwde poging de kinderen – in eigenrichting – mee te nemen en hen daardoor ernstige psychische schade te berokkenen, te voorkomen achtte het Amtsgericht dit verbod nodig.

Op 5 juni 2014 heeft de vader de minderjarige [1. minderjarige] overgebracht naar Nederland, waar de minderjarige tot op heden nog verblijft.

Bij beschikking van 13 augustus 2014 van het Amtsgericht [woonplaats moeder] (Duitsland) is de overeenkomst van 5 april 2013 gewijzigd, in die zin dat het recht tot bepaling van verblijf (het ‘Aufenthaltbestimmungsrecht’) dat volgens die overeenkomst op de vader was overgedragen voor zover het [2. minderjarige] betreft op de moeder is overgedragen.

Op 5 november 2014 heeft de vader de minderjarige [2. minderjarige] overgebracht naar Nederland, waar de minderjarige tot op heden nog verblijft.

2. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag?

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Het Verdrag heeft tot doel - voor zover hier van belang - in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en procedures vast te stellen die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft. Het Verdrag beoogt een zo snel mogelijk herstel van de status quo, de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering. Een snel herstel van de aan de overbrenging of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen te beperken.

De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de kinderen ten tijde van de overbrengingen hun gewone verblijfplaats bij haar in Duitsland hadden en dat de vader de kinderen zonder haar toestemming en in strijd met haar gezagsrecht heeft overgebracht naar Nederland. De moeder heeft zich niet gewend tot de Centrale Autoriteit.

De vader is van mening dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot teruggeleiding, dan wel dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Op grond van de overeenkomst van 5 april 2013 hebben de minderjarigen het hoofdverblijf bij de vader verkregen. Bovendien heeft de vader het recht te bepalen waar de minderjarigen zullen verblijven, het zogenaamde Aufenthaltsbestimmungsrecht, zoals ook uit de beslissing van de Oostenrijkse rechter blijkt. Gelet hierop hadden de minderjarigen al sinds april 2013 hun hoofdverblijf bij de vader in Nederland moeten hebben. De inschrijving van de minderjarigen in Nederland is feitelijk gerealiseerd in oktober 2013. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats bij hem in Nederland hebben, stelt de vader dat er geen sprake is van het ongeoorloofd overbrengen of vasthouden van de minderjarigen.

De moeder betwist de stellingen van de vader en de wijze waarop hij de overeenkomst van
5 april 2013 uitlegt. Gelet op de gelijke zorgverdeling tussen de ouders kan de vader er niet aan vasthouden dat hij het alleenrecht heeft om het hoofdverblijf van de minderjarigen te bepalen.

De rechtbank overweegt dat de zorg voor de minderjarigen sinds het uiteengaan van de ouders in 2011 steeds in gelijke mate tussen de ouders is verdeeld. Dat een co-ouderschapsregeling ook het uitgangspunt is geweest bij het opstellen van de overeenkomst van 5 april 2013, blijkt uit de opmerking van de Oostenrijkse rechter ‘dat het lijkt alsof de ouders het eens zijn over een regeling betreffende de gezamenlijke zorg. Geschilpunt is de eerste verblijfplaats van de kinderen, die zowel door de vader als de moeder beide voor zichzelf wordt opgeëist.’ Desgevraagd hebben de vader en de moeder vervolgens ieder voor zich ten overstaan van de Oostenrijkse rechter verklaard dat, erop vertrouwende dat de 50:50 contactregeling in ieder geval zal functioneren, de eerste verblijfplaats voor hen niet uitmaakt. Ook uit de thans ter zitting gedane verklaringen van de ouders blijkt dat ze destijds voor ogen hebben gehad dat de minderjarigen om en om bij de ouders zouden verblijven, die op niet te grote afstand van elkaar zouden wonen. De minderjarigen hebben – hoewel niet exact conform de afspraken – na het sluiten van de overeenkomst feitelijk ook ongeveer 50:50 van de tijd afwisselend bij de vader en bij de moeder verbleven. Gelet op de bedoeling van partijen en de feitelijke uitvoering daarvan, is de rechtbank van oordeel dat de vader het aan hem toekomende ‘Aufenthaltbestimmungsrecht’ slechts in die zin heeft uitgeoefend, dat de inschrijving van de kinderen bij hem in de Nederlandse basisadministratie heeft plaatsgevonden. Daarmee is echter niet de gewone verblijfplaats uitsluitend bij de vader bepaald. Doordat de zorg voor de minderjarigen tot aan de overbrenging van [1. minderjarige] op 5 juni 2014 afwisselend bij de vader, aanvankelijk in Oostenrijk en later in Nederland, en bij de moeder in Duitsland is geweest, zonder dat daarbij het middelpunt overwegend bij één van hen heeft gelegen, hebben de minderjarigen bij beide ouders een ‘thuis’, een vertrouwde omgeving ervaren.

Zij gingen bij beide ouders naar het kinderdagverblijf, spreken beide talen en hadden bij beide ouders – in de mate passend bij hun leeftijd – vriendschappen opgebouwd. Op deze wijze kregen zij conform de bedoelingen van partijen bij ieder van hun ouders op volwaardige wijze de kans hun leven verder uit te bouwen en is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk geen sprake geweest van één gewone verblijfplaats in de zin van het Verdrag. Dat de minderjarigen in Nederland zijn ingeschreven, is daarbij van ondergeschikt belang.

2.a. [1. minderjarige]

Bij deze stand van zaken kan de overbrenging van [1. minderjarige] door de vader naar Nederland – erop neerkomend dat hij van zijn ene vertrouwde omgeving in Duitsland is overgebracht naar zijn andere vertrouwde omgeving in Nederland – niet worden beschouwd als ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in de zin van het Verdrag, nu voor [1. minderjarige] geldt dat hij op 5 juni 2014 zowel in Duitsland als in Nederland zijn gewone verblijfplaats had.

De naar het oordeel van de rechtbank onacceptabele, kwalijke en niets en niemand ontziende manier, waarop de vader deze overbrenging tot stand heeft gebracht, welke manier als een vorm van kindermishandeling is te beschouwen, maakt dit niet tot een ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Verdrag. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [1. minderjarige] .

2.b. [2. minderjarige]

De hiervoor omschreven situatie geldt evenzeer voor [2. minderjarige] , die na de overbrenging van [1. minderjarige] bij de moeder in Duitsland is gebleven. De omstandigheden zijn nadien echter gewijzigd door de beschikking van 13 augustus 2014 van Amtsgericht [woonplaats moeder] , waarbij het 'Aufenthaltsbestimmungsrecht' aan de moeder is overgedragen.

Uit de overwegingen die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen volgt dat de Duitse rechter met deze wijziging - uitgaande van de feitelijke situatie waarbij [1. minderjarige] bij de vader verbleef en [2. minderjarige] bij de moeder - een verdeling van (de woonplaatsen van) de minderjarigen tussen de ouders heeft beoogd, teneinde rust in de situatie te creëren:

“Van doorslaggevend belang voor de rechtbank is, dat beide kinderen naast de wisselingen, die al jaren door de ouders of een van de ouders worden geïnitieerd, niet nog verdere wisselingen kunnen worden aangedaan. [2. minderjarige] bevindt zich nu vanaf 13-12-2013 bij de moeder in [woonplaats moeder] , ook al is dat, wanneer er geen ontbrekende feitelijke verblijfplaats zou zijn vastgesteld, op grond van het wederrechtelijk achterhouden door de moeder op 5-1-2014. Zoveel plaatselijke continuïteit heeft ze lange tijd niet meegemaakt. Dit dient door middel van een voorlopige beschikking niet te worden gewijzigd, maar is daarentegen een deugdelijke reden, de enige rechtspositie van de vader betreffende de bepaling van de woonplaats ten gunste van de moeder te wijzigen. (… ) Doorslaggevend voor de rechtbank is, dat met de verdeling van de kinderen er een kans bestaat, dat de ouders de situatie accepteren en er op die manier voor de kinderen een meer ontspannen situatie ontstaat. Deze is voor het welzijn van de kinderen dringend noodzakelijk. Want een uitvoering van een wisselmodel in wederzijds goedvinden is in het verleden niet uitvoerbaar gebleken en het is niet mogelijk de beide kinderen in tweeën te splitsen. Wat resteert, is de verdeling van de woonplaatsen van de kinderen. (…) Het betreft bij voorlopige beschikkingsprocedure slechts een naar het zich laat aanzien tijdelijke qua tijd beperkte oplossing, totdat in de hoofdzaak is beslist. In deze voorlopige beschikkingsprocedure is het enige doel, eerst voor rust voor de kinderen te zorgen(…).”

Deze beslissing van de Duitse rechter heeft naar het oordeel van de rechtbank tot een (voorlopige) wijziging van het verblijf van [2. minderjarige] geleid, in die zin dat – gelet op de bewoordingen en de motivering van deze beschikking – de moeder het Aufenthaltsbestimmungsrecht kreeg en zij heeft dat in die zin ook uitgeoefend door [2. minderjarige] bij zich in Duitsland te houden. De rechtbank tekent daarbij aan dat van de eerder genoemde zorgregeling inhoudende de wisselingen tussen de ouders, op dat moment al geruime tijd geen sprake meer was. Ondanks deze beschikking van de Duitse rechter, heeft de vader de minderjarige [2. minderjarige] op 5 november 2014 overgebracht naar Nederland, op een zelfde gewelddadige en onacceptabele manier als bij [1. minderjarige] . Hiermee heeft de vader eenzijdig de verblijfplaats van [2. minderjarige] gewijzigd naar Nederland, terwijl het recht om de hoofdverblijfplaats vast te stellen – met wijziging in zoverre van de overeenkomst van partijen van 5 april 2013 – nu juist bij deze rechterlijke beschikking aan de moeder is overgedragen. De rechtbank is van oordeel dat de vader aldus op 5 november 2014 in strijd met het gezagsrecht van de moeder heeft gehandeld wat tot de conclusie leidt dat de overbrenging van [2. minderjarige] op 5 november 2014 ongeoorloofd is geweest. Dat de beschikking van 13 augustus 2014 een voorlopige beslissing is geweest en de vader nadien hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak, maakt dit niet anders.

3. Onmiddellijke terugkeer van [2. minderjarige] ?

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [2. minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [2. minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

4. Weigeringsgronden?

De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Een terugkeer van [2. minderjarige] zal betekenen dat zij feitelijk zal worden gescheiden van haar broer [1. minderjarige] , hetgeen niet in het belang van de minderjarigen kan worden geacht. Gelet op het kleine leeftijdsverschil zijn de minderjarigen erg op elkaar gesteld. In een situatie waar zoveel strijd is tussen de ouders, hebben de minderjarigen elkaar nog meer nodig. Worden de minderjarigen door de teruggeleiding van [2. minderjarige] van elkaar gescheiden, dan levert dit een ondragelijke toestand als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag op, aldus de vader. Daar komt nog bij dat de moeder weigert met hem te communiceren waardoor de vader vreest dat zij elk contact van hem met [2. minderjarige] zal tegenhouden. De vader acht zichzelf daarentegen wel in staat het contact tussen de minderjarigen en de moeder te waarborgen en staat een ruime zorgregeling voor.

De moeder is van mening dat dit verweer niet opgaat, nu een terugkeer van [2. minderjarige] evenzeer een ondragelijke toestand voor [1. minderjarige] oplevert, hetgeen juist moet leiden tot teruggeleiding van [1. minderjarige] . Overigens ging het met [2. minderjarige] goed bij de moeder, ook toen zij van [1. minderjarige] gescheiden was. Daar komt bij dat onduidelijkheid bestaat over de opvoedingssituatie bij de vader. Volgens de moeder woont de vader op een industriegebied, waar een methadonkliniek gevestigd is. Dit is niet een omgeving waar de minderjarigen moeten opgroeien, aldus de moeder.

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De rechtbank acht de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de vader [2. minderjarige] heeft overgebracht zonder meer een vorm van kindermishandeling en schadelijk voor het welzijn en ontwikkeling van [2. minderjarige] . De vader heeft daarmee de beslissing van de Duitse rechter, die beoogde rust voor de minderjarigen te creëren, terzijde geschoven. De rechtbank ziet zich echter thans geconfronteerd met een situatie waarbij de minderjarigen op dit moment tezamen bij de vader verblijven en de rechtbank niet de teruggeleiding van [1. minderjarige] zal gelasten. De ouders hebben zich dusdanig ingegraven in hun onderlinge strijd om het hoofdverblijf van de minderjarigen, dat zij niet meer met elkaar (kunnen) communiceren en de wisseling van de minderjarigen van de ene naar de andere ouder in het kader van de zorgregeling niet meer haalbaar lijkt. Na de beslissing van het Amtsgericht te [woonplaats moeder] is de situatie door het eigenmachtig optreden van de vader zodanig gewijzigd dat de rechtbank het thans niet meer mogelijk acht het conflict tussen de ouders te doorbreken door de kinderen (tijdelijk) over de ouders te verdelen. In deze situatie, waarin de minderjarigen als speelbal worden ingezet in de voortdurende strijd tussen de ouders, vormen zij voor elkaar de enige stabiele factor. De minderjarigen zijn in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank dermate op elkaar aangewezen dat het schadelijk wordt geacht hen uit elkaar te halen. Teruggeleiding van [2. minderjarige] levert een onaanvaardbaar risico op dat de minderjarigen elkaar helemaal niet meer zullen zien, hetgeen als schadelijk voor hun welzijn en ontwikkeling moet worden beschouwd. Gelet hierop en gelet op het feit dat de vader meermalen heeft laten zien zich niet gebonden te achten aan rechterlijke beslissingen en geweld en intimidatie in het bijzijn van de minderjarigen niet te schuwen met als (enig) doel beide kinderen bij zich te kunnen hebben, acht de rechtbank een onaanvaardbaar risico aanwezig dat [2. minderjarige] bij terugkeer naar Duitsland in een ondragelijke toestand komt te verkeren als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder b van het Verdrag. Deze ondraaglijke toestand kan naar het oordeel van de rechtbank naar zijn aard niet worden opgeheven of verminderd door het treffen van adequate voorzieningen in Duitsland, zoals bedoeld in artikel 11 lid 4 van de Verordening Brussel II-bis.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarige [2. minderjarige] zal weigeren.

5. Conclusie

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaart in haar verzoek tot teruggeleiding van [1. minderjarige] en het verzoek tot teruggeleiding van [2. minderjarige] zal afwijzen.

Zorgregeling

Het meer subsidiaire verzoek van de moeder strekt tot vaststelling van een zorgregeling. Nu de minderjarigen bij de vader in [woonplaats vader] verblijven, is deze rechtbank niet bevoegd te oordelen ten aanzien van dit verzoek. Zij zal het verzoek, in de stand waarin het zich bevindt, ter beoordeling en beslissing verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot teruggeleiding van [1. minderjarige] naar Duitsland;

wijst het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [2. minderjarige] af;

verklaart zich onbevoegd van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling kennis te nemen;

verwijst de zaak ten aanzien van dit verzoek in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Oost-Brabant (team Familie- en Jeugdrecht).

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, I.D. Bellaart en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.

1 De rechtbank volgt deze vertalingen ook bij de hierna geciteerde overwegingen uit Duitstalige uitspraken.