Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16416

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
C/09/490562/ KG RK 15-1253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing - Uit het proces-verbaal komt naar voren dat de rechter ter inleiding op het onderzoek ter zitting heeft weergegeven wat op dat moment haar indruk was van het beroepschrift en de overgelegde stukken. De wrakingskamer maakt hieruit op dat de opmerking van de rechter uitsluitend gericht was op het geven van een kader voor het te voeren partijdebat. Niet is gebleken dat verzoeker geen gelegenheid meer zou krijgen tot het uitleggen dan wel het aanvullen van zijn standpunt. Ook is niet gebleken dat de opmerking van de rechter een mondelinge uitspraak – een eindoordeel – betrof, als bedoeld in artikel 8:69 van de Awb. - Geen grond te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/41

zaak- en rekestnummer: C/09/490562/ KG RK 15-1253

kenmerk: AWB 15/3704 (nummer hoofdzaak)

datum beschikking: 13 juli 2015

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de zaak van:

[verzoeker]

verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. E. Tamas,

strekkende tot wraking van:

mr. E.S.G. Jongeneel,

rechter in de rechtbank Den Haag, Team bestuursrecht,

de rechter.

Belanghebbende is:

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder in de hoofdzaak,

gemachtigde: drs. J.A.M. van der Klis.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 12 juni 2015 is het beroep van verzoeker ter zitting door de rechter behandeld. Daarbij waren beide partijen in de hoofdzaak aanwezig, alsook de referente, twee tolken en twee getuigen. Van wat ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt. Uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat verzoeker kort na de aanvang van het onderzoek ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat hij de rechter wenst te wraken. De rechter heeft hierop het onderzoek ter zitting geschorst.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 29 juni 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Het wrakingsverzoek is door de gemachtigde toegelicht.

De rechter heeft bij brief d.d. 24 juni 2015 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Zij heeft meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Ook de belanghebbende is niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat de rechter vooringenomen is, omdat zij bij aanvang van het onderzoek ter zitting een oordeel heeft gegeven ten aanzien van het door verzoeker ingestelde beroep.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker nog aangegeven dat het proces-verbaal niet volledig is en met de cursieve tekst moet worden aangevuld. Volgens hem heeft de rechter gezegd:

“Ik heb de stukken en dus ook de afzonderlijke verhoren van [verzoeker] en referente gelezen en zodanige discrepanties in de verklaringen gezien, waardoor het moeilijk wordt een geloofwaardige relatie aannemelijk te maken. U heeft geprobeerd er iets van te maken in de bezwaarprocedure, maar dat vind ik te weinig.

4 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten. De rechter verklaart dat zij heeft weergegeven dat zij de gedingstukken heeft gelezen en wat haar daarbij opviel. Daarmee heeft zij willen aangeven waarop de behandeling van de zaak ter zitting zich volgens haar zou moeten concentreren en niet op een oordeel vooruit willen lopen. De rechter verzoekt dan ook het wrakingsverzoek af te wijzen.

5 De beoordeling

5.1

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3

De wrakingskamer stelt voorop dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, zodat daarvan wordt uitgegaan.

5.4

Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek alleen ziet op de opmerking van de rechter dat zij de stukken en dus ook de afzonderlijke verhoren van [verzoeker] en referente heeft gelezen, dat zij veel discrepanties in de verklaringen heeft gezien, waardoor het moeilijk wordt de relatie – tussen verzoeker en referente – aannemelijk te maken.

5.5

De wrakingskamer overweegt dat uit het proces-verbaal naar voren komt dat de rechter ter inleiding op het onderzoek ter zitting heeft weergegeven wat op dat moment haar indruk was van het beroepschrift en de overgelegde stukken. De wrakingskamer maakt hieruit op dat de opmerking van de rechter uitsluitend gericht was op het geven van een kader voor het te voeren partijdebat. Niet is gebleken dat verzoeker geen gelegenheid meer zou krijgen tot het uitleggen dan wel het aanvullen van zijn standpunt. Ook is niet gebleken dat de opmerking van de rechter een mondelinge uitspraak – een eindoordeel – betrof, als bedoeld in artikel 8:69 van de Awb.

5.6

Gelet hierop geeft het aangevoerde naar het oordeel van de wrakingskamer geen grond te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde, mr. E. Tamas;

• verweerder in de hoofdzaak p/a zijn gemachtigde, drs. J.A.M. van der Klis;

• de rechter, mr. E.S.G. Jongeneel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, O. van der Burg en I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2015.