Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16412

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
C/09/493501/ KG RK 15-1546
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Dat de politierechter niet (nader) wilde ingaan op een vraag van verzoeker geeft geen blijk van vooringenomenheid. (Nader) ingaan op die vraag zou immers het gevaar in zich bergen dat de politierechter een voorschot zou nemen op haar oordeel over het aan verzoeker verweten feit nog voordat de officier van justitie haar requisitoir had gehouden en verzoeker daarop had kunnen reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/53

Zaak- en rekestnummer: C/09/493501/ KG RK 15-1546

Parketnummer: 09/208448-13 (de hoofdzaak)

Datum beschikking: 7 september 2015

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. S.L.M. STAALS,

politierechter in de rechtbank Den Haag.

De officier van justitie is belanghebbende.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 23 juli 2015 heeft de politierechter de zaak tegen verzoeker met parketnummer 09/208448-13 behandeld. Verzoeker wordt verdacht van mishandeling. Bij de behandeling waren verzoeker en de officier van justitie, mr. I. Verstraeten-Jochemsen, aanwezig. Ter terechtzitting heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting en van de wraking;

  • -

    de schriftelijke reactie van de politierechter op het wrakingsverzoek van 24 juli 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van de officier van justitie op het wrakingsverzoek van 21 augustus 2015.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 24 augustus 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De politierechter is verschenen. Verzoeker en de officier van justitie zijn (de laatste met kennisgeving) niet verschenen.

3 De beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

Verzoeker heeft, verkort en zakelijk weergegeven, aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het de politierechter aan onpartijdigheid ontbreekt, danwel dat door haar de schijn van partijdigheid is gewekt. Volgens hem heeft de politierechter namelijk ten onrechte – in het kader van zijn verweer dat het proces-verbaal van zijn verhoor vervalst is – niet (nader) willen ingaan op zijn vraag hoe zij heeft vastgesteld dat het proces-verbaal dat zich in het originele dossier bevindt door hem is ondertekend.

De politierechter berust niet in het wrakingsverzoek en concludeert tot afwijzing daarvan. De officier van Justitie heeft zich in haar reactie aangesloten bij de conclusie van de politierechter.

De wrakingskamer is van oordeel dat niet is gebleken dat er op grond van hetgeen verzoeker ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek heeft aangevoerd grond is te vrezen dat het de politierechter aan onpartijdigheid ontbreekt, danwel dat door haar de schijn van partijdigheid is gewekt. Daarbij is van belang dat verzoeker aan de politierechter vroeg om aan te geven hoe zij wist dat het proces-verbaal van zijn verhoor door hem was ondertekend nog voordat de officier van justitie middels het requisitoir haar visie op de zaak (en daarbij ook op het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker) had kunnen geven en verzoeker ook weer de mogelijkheid had gekregen daarop te reageren. Het onderzoek ter terechtzitting was derhalve nog in volle gang. Dat de politierechter op dat moment niet (nader) wilde ingaan op de vraag van verzoeker geeft dan ook geen blijk van vooringenomenheid. De politierechter kon op dat moment ook niet ingaan op de vraag van verzoeker. (Nader) ingaan op die vraag zou immers het gevaar in zich bergen dat de politierechter een voorschot zou nemen op haar oordeel over het aan verzoeker verweten feit nog voordat de officier van justitie haar requisitoir had gehouden en verzoeker daarop had kunnen reageren.

Het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de officier van justitie, mr. I. Verstraeten-Jochemsen;

• de politierechter, mr. S.L.M. Staals.

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 7 september 2015 door mrs. I.D. Bellaart, A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en M. Knijff, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier.