Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16411

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
C/09/493505/ KG RK 15-1547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

In de overgelegde stukken wordt het standpunt van de bestuursrechter dat verzoeker in het wrakingsverzoek is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling bevestigd, hetgeen door verzoeker ook niet meer is weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/54

Zaak- en rekestnummer: C/09/493505/ KG RK 15-1547

Kenmerk: SGR AWB 15/616 WOB G CC (de hoofdzaak)

Datum beschikking: 7 september 2015

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , Cyprus,

verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

strekkende tot wraking van:

mr. D.G.J. DOP,

bestuursrechter in de rechtbank Den Haag.

De minister van Veiligheid en Justitie (CVOM) is belanghebbende.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

De openbare behandeling van het beroepschrift van verzoeker heeft plaatsgevonden op 30 juni 2015. Verzoeker noch mr. Niederer voornoemd waren daarbij aanwezig. Ter zitting heeft de bestuursrechter het onderzoek geschorst na vast te hebben gesteld dat door verzoeker een ontoereikende machtiging was overgelegd en bepaald dat verzoeker in de gelegenheid zou worden gesteld binnen twee weken alsnog een – niet algemene – machtiging over te leggen.

Na de zitting heeft verzoeker schriftelijk een wrakingsverzoek ingediend.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van:

  • -

    het wrakingsverzoek;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 30 juni 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van de politierechter op het wrakingsverzoek van 14 augustus 2015.

Van de zijde van belanghebbende is geen reactie ontvangen.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 24 augustus 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker, mr. Niederer noch de belanghebbende zijn ter zitting verschenen. De bestuursrechter is met kennisgeving niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat de bestuursrechter in de schorsingsbeslissing van 30 juni 2015 al een oordeel heeft geveld over de rechtsvraag die in beroep aan haar voorligt. Volgens verzoeker betreft de rechtsvraag in beroep of in de bezwaarschriftprocedure een rechtsgeldige volmacht is overgelegd. Door in de schorsingsbeslissing te overwegen ‘te hebben vastgesteld dat door eiser een ontoereikende machtiging is overgelegd’ heeft de bestuursrechter de indruk gewekt dat zij al op dat moment een ten opzichte van verzoeker negatief oordeel had gevormd over het voorliggende beroepschrift.

De bestuursrechter berust niet in het wrakingsverzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat verzoeker in het wrakingsverzoek uitgaat van een onjuiste rechtsvraag. Anders dan verzoeker stelt, ziet de beroepschriftprocedure op de vraag of de minister van Veiligheid en Justitie (CVOM) terecht wegens het niet (tijdig) ontvangen van een machtiging tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van verzoeker is overgegaan. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift zag niet op de indiening van een ontoereikende machtiging. De constatering van de bestuursrechter dat een ontoereikende machtiging was overgelegd zag bovendien op de machtiging die door verzoeker in het kader van de beroepschriftprocedure was overgelegd. Hieruit volgt volgens de bestuursrechter dat zij zich niet heeft uitgelaten over de houdbaarheid van het bestreden besluit.

De wrakingskamer is van oordeel dat niet is gebleken dat er grond is te vrezen dat het de bestuursrechter aan onpartijdigheid ontbreekt, dan wel dat door haar de schijn van partijdigheid is gewekt. In de overgelegde stukken wordt het standpunt van de bestuursrechter dat verzoeker in het wrakingsverzoek is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling bevestigd. Dit is door verzoeker ook niet meer weersproken. Dit brengt met zich mee dat alleen al op die grond het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde, mr. drs. J.M.C. Niederer;

• verweerder(s) in de hoofdzaak, de minister van Veiligheid en Justitie (CVOM);

• de bestuursrechter, mr. D.G.J. Dop.

Deze beslissing is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en M. Knijff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2015.