Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16410

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
C/09/493491/ KG RK 15-1543
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De afwijzing door de politierechter van een getuigenverzoek is een processuele beslissing. Er is geen sprake van een beslissing die in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/52

Zaak- en rekestnummer: C/09/493491/ KG RK 15-1543

Parketnummer: 09/053584-15 (de hoofdzaak)

Datum beschikking: 7 september 2015

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [adres],

verzoeker,

raadsman: mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht,

strekkende tot wraking van:

mr. M. Renckens,

politierechter in de rechtbank Den Haag.

De officier van justitie is belanghebbende.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 20 juli 2015 heeft de politierechter de zaken tegen verzoeker met parketnummers 09/053584-15 en 09/067659-15 behandeld. Bij de behandeling waren verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. I. Verstraeten-Jochemsen, aanwezig. Het wrakingsverzoek is ingediend in de zaak met parketnummer 09/053584-15. In die zaak wordt verzoeker verdacht van mishandeling.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:

  • -

    het proces-verbaal aangaande de zaak met parketnummer 09/053584-15, in welke zaak het wrakingsverzoek is ingediend;

  • -

    het proces-verbaal aangaande de zaak met parketnummer 09/067659-15;

  • -

    de schriftelijke reactie van de politierechter op het wrakingsverzoek van 14 augustus 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van de officier van justitie op het wrakingsverzoek van 21 augustus 2015.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 24 augustus 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen. De politierechter en de officier van justitie zijn – met kennisgeving – niet verschenen. Het wrakingsverzoek is door verzoeker en zijn raadsman, aan de hand van pleitaantekeningen, toegelicht.

3 Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat de politierechter blijk heeft gegeven van de schijn van partijdigheid, doordat zij een door verzoeker ingediend getuigenverzoek (parketnummer 09/053584-15), dat ertoe strekt de onschuld van verzoeker aan te tonen en dat uitvoerig was gemotiveerd en aan alle daaraan gestelde criteria voldeed, heeft afgewezen, en wel met de motivering dat het verzoek te summier is onderbouwd. Die beslissing is in het licht van de omvang van de motivering (vijf pagina’s, met bijlagen, aangevuld met een aanvullende motivering ter zitting) zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Deze schijn wordt versterkt doordat de politierechter op dezelfde dag een verzoek door de officier van justitie tot aanhouding van de tweede strafzaak tegen verzoeker (parketnummer 09/067659-15) wel heeft gehonoreerd. Daaruit volgt dat de politierechter met twee maten meet, aldus verzoeker.

4 Het standpunt van de politierechter

De politierechter berust niet in het wrakingverzoek en concludeert tot afwijzing daarvan. Volgens haar duidt de motivering van haar beslissing op het getuigenverzoek, hoewel summier, er op geen enkele wijze op dat zij haar beslissing mede heeft gebaseerd op door haar reeds vastgestelde feiten of dat zij haar oordeel al klaar zou hebben. Het onderzoek naar de feiten moest immers nog beginnen. Volgens de politierechter is ook van meten met twee maten geen sprake, nu de beslissingen in de twee strafzaken niet met elkaar vergelijkbaar zijn.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich in haar reactie aangesloten bij de conclusie van de politierechter.

6 De beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient een rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

De wrakingskamer overweegt dat de afwijzing van het getuigenverzoek een processuele beslissing betreft. Dergelijke beslissingen, ook als deze in het nadeel van de verzoeker zijn uitgevallen en zelfs als die beslissingen als onjuist zouden moeten worden aangemerkt, vormen in het algemeen geen grond te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomenheid jegens de verzoeker koestert of dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige processuele beslissingen.

De vrees voor vooringenomenheid kan in het geval van een dergelijke beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn als de rechter een beslissing heeft genomen die in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Anders dan door verzoeker gesteld, is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van de politierechter niet aan dit criterium voldoet. Zij overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting maakt de wrakingskamer op dat de politierechter aan haar beslissing tot afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de motivering van dat verzoek gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn standaardarrest over het horen van getuigen heeft overwogen, de toets der kritiek niet kan doorstaan. Daarmee heeft de politierechter – anders dan verzoeker lijkt te suggereren – niets gezegd over de omvang van de motivering maar enkel over de inhoud van de motivering. Ook een motivering van vijf pagina’s, met bijlagen, aangevuld met een uitgebreide aanvullende motivering ter zitting kan niet voldoen aan de eisen die volgens de Hoge Raad aan (de motivering van) een getuigenverzoek mogen worden gesteld. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd leidt dan ook niet tot de slotsom dat de afwijzingsbeslissing van de politierechter onbegrijpelijk is, laat staan zodanig onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer oordeelt voorts dat door verzoeker onvoldoende is onderbouwd dat de politierechter met twee maten heeft gemeten door een verzoek van de officier van justitie in de tweede strafzaak wel toe te wijzen. Het enkele feit dat de politierechter de officier van justitie in de gelegenheid stelt een verzuim te herstellen is voor die conclusie onvoldoende.

Gelet hierop geven de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder 3. weergegeven, geen grond te vrezen dat het de politierechter aan onpartijdigheid ontbreekt, dan wel dat door haar de schijn van partijdigheid is gewekt.

De wrakingskamer zal daarom het verzoek tot wraking afwijzen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman, mr. S.T. van Berge Henegouwen;

• de officier van justitie, mr. I. Verstraeten-Jochemsen;

• de politierechter, mr. M.T. Renckens.

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 7 september 2015 door mrs. I.D. Bellaart, A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en M. Knijff, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier.