Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16400

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
C/09/496386/ KG RK 15-1840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Tweede wraking kantonrechter in Mulderzaak; het niet als eerste het woord geven aan verzoeker is geen grond voor wraking; tweede wrakingsgrond tardief en niet-ontvankelijk; wrakingsverbod opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/62

zaak-/rekestnummer: C/09/496386/ KG RK 15-1840

Registratienummer kanton: 3436153 MB VERZ 14-5996

datum beschikking: 28 oktober 2015 (bij vervroeging)

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. O. van der Burg,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Belanghebbende in deze zaak is het Openbaar Ministerie.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen een beslissing van de officier van justitie, gegeven naar aanleiding van het administratief beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen een opgelegde administratieve sanctie.

1.2.

Op 3 juni 2015 is er een zitting geweest van de kantonrechter in de rechtbank in Den Haag in verband met dit beroep. Ter zitting heeft verzoeker de kantonrechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is bij beslissing van de wrakingskamer van 29 juni 2015 ongegrond verklaard.

1.3.

De mondelinge behandeling bij de kantonrechter van de hoofdzaak is op 16 september 2015 voortgezet. Op die zitting heeft verzoeker de kantonrechter voor de tweede maal gewraakt.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 19 oktober 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek nader toegelicht. De kantonrechter heeft schriftelijk verweer gevoerd en daarbij meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 16 september 2015 blijkt dat verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat hij er bezwaar tegen heeft dat de kantonrechter hem niet als eerste het woord heeft gegeven. In het proces-verbaal is verder opgenomen dat verzoeker de kantonrechter heeft gewraakt omdat de kantonrechter hem het woord heeft ontnomen en omdat de kantonrechter de regels blijkbaar niet kent.

3.2.

In zijn brief van 2 oktober 2015, ter griffie ontvangen op 5 oktober 2015, heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht en meegedeeld dat het proces-verbaal van de zitting een onjuiste weergave van de feiten geeft. Volgens verzoeker heeft de kantonrechter, nadat hij de zaak had samengevat, eerst het woord gegeven aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. Nadat verzoeker daartegen bezwaar maakte, deelde de kantonrechter op arrogante wijze mee dat hij bepaalt wie ter zitting het woord krijgt. De kantonrechter was niet in zijn verhaal geïnteresseerd, aldus verzoeker ter zitting van de wrakingskamer op 19 oktober 2015.

3.3.

Verzoeker heeft in de hiervoor genoemde brief van 2 oktober 2015 een aanvullende wrakingsgrond opgeworpen. Verzoeker heeft op 16 september 2015 gezien dat de kantonrechter, de griffier en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie ongeveer 45 minuten nadat de mondelinge behandeling van zijn zaak als gevolg van het wrakingsverzoek was geschorst, gezamenlijk de zittingszaal verlieten. Even later zag verzoeker de kantonrechter, de griffier en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie gezamenlijk een ruimte verlaten waar hij een koffiekamer vermoedt. Verzoeker werpt het gezamenlijk koffie drinken op als een aanvullende wrakingsgrond. Het vormt een ernstige aantasting van verzoekers vertrouwen in de rechtstaat en het is volgens verzoeker een belediging voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zijn aanvullende wrakingsgrond tijdig heeft ingediend.

4 Het standpunt van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft in zijn op 17 september 2015 bij de griffie ingekomen verweer aangevoerd dat hij de bezwaren van verzoeker tegen de opgelegde verkeersboete heeft samengevat en dat verzoeker zich met die samenvatting kon verenigen. Daarop heeft de kantonrechter de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie gevraagd een standpunt in te nemen, hetgeen ook gebeurde. Vervolgens heeft de kantonrechter verzoeker gevraagd om een reactie. Van de aldus geboden mogelijkheid om zijn standpunt nader toe te lichten wilde verzoeker geen gebruik maken, omdat hij vond dat hem die gelegenheid eerder geboden had moeten worden. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de gang van zaken geen (schijn van) vooringenomenheid.

4.2.

De kantonrechter geeft de wrakingskamer in overweging om verzoeker een verbod op te leggen om de kantonrechter in deze zaak een derde maal te wraken. De kantonrechter beschouwt de ongefundeerde wrakingsverzoeken als misbruik van recht en als een poging om de rechtsgang te belemmeren.

4.3.

Bij e-mail van 12 oktober 2015 heeft de kantonrechter verweer gevoerd tegen de aanvullende wrakingsgrond. De kantonrechter voert primair aan dat de aanvullende wrakingsgrond te laat is ingediend. Subsidiair voert de kantonrechter aan dat het gezamenlijk naar de koffieautomaat lopen geen grond oplevert voor de gestelde schijn van vooringenomenheid. De kantonrechter voegt daaraan toe dat hij met de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie niet heeft gesproken over zaken en dat het gezamenlijk naar de koffieautomaat lopen niet wezenlijk verschilt van de situatie waarin de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie tezamen met de kantonrechter in de zittingszaal zit. Over de laatste situatie heeft de wrakingskamer al eerder uitspraken gedaan, waaronder de uitspraak van 29 juni 2015 in de eerdere wrakingszaak.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

De wrakingskamer overweegt dat het aan de rechter is om de orde van de zitting te bepalen en om te beslissen in welke volgorde partijen in een zaak het woord krijgen. De kantonrechter heeft in deze zaak, zo staat tussen partijen vast, eerst het standpunt van verzoeker samengevat en vervolgens het Openbaar Ministerie gevraagd standpunt in te nemen. Daarop heeft de kantonrechter verzoeker in de gelegenheid gesteld te reageren, hetgeen door verzoeker ook niet wordt ontkend. Het debat over de zaak is gelet op deze gang van zaken niet verhinderd door het handelen van de kantonrechter; hij heeft het beginsel van hoor en wederhoor toegepast. De gang van zaken ter zitting op 16 september 2015 vormt naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek tot wraking van de kantonrechter, voor zover gestoeld op de eerste wrakingsgrond, zal worden afgewezen.

5.5.

Ten aanzien van de aanvullende wrakingsgrond is de wrakingskamer van oordeel dat deze niet tijdig is ingediend. In artikel 8:16 Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het verzoek tot wraking dient te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft op 16 september 2015 gezien dat de kantonrechter en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie zich gezamenlijk naar de koffieautomaat begaven. Hij heeft deze omstandigheid ruim twee weken later als aanvullende wrakingsgrond aangevoerd. Dit is naar het oordeel van de wrakingskamer te laat. De wrakingskamer heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat verzoeker geen verklaring voor het tijdsverloop heeft gegeven. Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het is gestoeld op de aanvullende wrakingsgrond.

6 Wrakingsverbod

De kantonrechter heeft tot slot verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de omstandigheid dat verzoeker reeds twee keer tevergeefs een wrakingsverzoek heeft ingediend in dezelfde hoofdzaak tegen dezelfde kantonrechter in samenhang met het gehalte van het huidige wrakingsverzoek (voor zover ontvankelijk), is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van het middel wraking. Zij ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht, aan verzoeker het gevraagde wrakingsverbod op te leggen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking voor zover gestoeld op de eerste wrakingsgrond af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking, voor zover gestoeld op de aanvullende wrakingsgrond;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker [verzoeker] ;

• belanghebbende in de hoofdzaak, het Openbaar Ministerie;

• de kantonrechter mr. O. van der Burg.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, F.J. Verbeek en K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs als griffier en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 28 oktober 2015.