Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16278

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
4377694 RL EXPL 15-24744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Concentratie van verweer. Artikel 128 lid 3 Rv. Is er geen principaal verweer gevoerd terwijl door gedaagde een incident tot overlegging stukken is ingediend, dan vervalt het recht op het voeren van principaal verweer. Fishing expedition art. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team kanton Den Haag

WtC

Rolnr.: 4377694 RL EXPL 15-24744

12 november 2015

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUDY DE WINTER DRESSAGE STABLES B.V.,

gevestigd te gemeente Schouwen Duiveland, kantoorhoudende te Bruinisse,

eisende partij in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing,

tegen

[gedaagde sub 1] en

[gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

gemachtigde: mr. L.M. Schelstraete.

Partijen worden aangeduid als “De Winter” en “ [gedaagden] ”.

De verdere procedure:

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    de dagvaarding van 17 maart 2015 met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot verwijzing zijdens [gedaagden] met productie;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord zijdens De Winter met producties;

  • -

    het verwijzingsvonnis d.d. 8 juli 2015;

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv en/of 22 Rv zijdens [gedaagden] met productie;

  • -

    de incidentele conclusie antwoord.

De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

Het incidenteel verwijzingsvonnis d.d. 8 juli 2015 is gewezen na een daartoe strekkende incidentele vordering zijdens [gedaagden] . In die incidentele conclusie is geen verweer ten principale opgenomen.

Na verwijzing hebben [gedaagden] in hun daarna genomen incidentele conclusie tot exhibitie wederom geen verweer ten principale gevoerd. In hun incidentele conclusie merken [gedaagden] op: Alvorens in de hoofdzaak van conclusie van antwoord te dienen (…). Ook nu weer wordt er geen relevant verweer ten principale gevoerd. In randnummer 12 van de incidentele conclusie geven [gedaagden] ook met zoveel woorden aan dat zij pas verweer kunnen voeren als ze beschikken over stukken, die zij volgens eigen zeggen niet kennen.

Het wettelijk voorschrift tot concentratie van verweer, neergelegd in artikel 128 lid 3 Rv, beoogt het procedureel “tijdrekken” uit te bannen. In een procedure is ook geen ruimte voor fishing expeditions, er op gericht om aan de hand van opgevraagde stukken te bezien of (en hoe) er inhoudelijk verweer gevoerd kan worden. Zulks is immers strijdig met de goede procesorde.

Vastgesteld moet worden dat [gedaagden] eerst een incidentele conclusie tot (interne) verwijzing namen en daarna ook nog eens een afzonderlijke incidentele conclusie tot overlegging stukken, terwijl de zaak voor antwoord ten principale stond. In beide door [gedaagden] genomen conclusies ontbreekt zelfs ook maar (het begin van) een globale uiteenzetting waarom [gedaagden] de vordering van De Winter bestrijden.

Indien niet ten principale is geantwoord vervalt het recht daartoe, zo bepaalt artikel 128 lid 3 Rv. Dat is in deze zaak het geval. De Winter heeft zich terecht op deze regel beroepen. Reeds daarom hebben [gedaagden] geen belang bij de overlegging van de stukken. Voorts moet - het zij herhaald - worden vastgesteld dat [gedaagden] geen relevant verweer ten principale voerden tegen de vorderingen van De Winter. [gedaagden] hebben hun recht op het voeren van inhoudelijk verweer verspeeld. Daarom kan de zaak thans ten principale worden afgedaan.

Op grond van het voorgaande zijn de vorderingen van De Winter, die de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, toewijsbaar. De Winter wenst toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten op grond van het rapport Voorwerk. Aangenomen kan worden dat punt III van het petitum op deze vergoeding ziet. Het rapport Voorwerk II kent voor een vordering van deze omvang de forfaitaire vergoeding van

€ 1.500,00 exclusief BTW. Dat bedrag is toewijsbaar nu aangenomen mag worden dat BTW verrekenbaar is voor De Winter.

Bij deze uitslag zullen [gedaagden] in de kosten van de hoofdzaak veroordeeld dienen te worden. De kosten van de incidenten worden gecompenseerd nu één incident (de verwijzing) slaagde en het andere faalde. Voorzover nakosten gemaakt worden, levert dit vonnis voor die nakosten een titel op.

De beslissing

De kantonrechter:

In het incident ex artikel 843a Rv.:

wijst de incidentele vorderingen van [gedaagden] af;

In beide incidenten:

compenseert de kosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat een van hen betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Winter te betalen de somma van € 60.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat een van hen betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Winter te betalen een bedrag van € 1.452,00 voor iedere ingegane maand vanaf 1 februari 2015, gedurende welke De Winter belast is met de zorg en training van paard ‘ [Z] ’;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat een van hen betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Winter wegens buitengerechtelijke kosten te betalen de somma van € 1.500,00;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat een van hen betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure, tot de dag van de uitspraak aan de zijde van De Winter begroot op € 1.617,89, waarin begrepen een bedrag ad € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. ten Cate, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting d.d. 12 november 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.