Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1613

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5279
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair ambtenarenrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/5279

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. V. Dolderman)

en

De Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: W.R.C. Adang)

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om verhoging van zijn militair invaliditeitspensioen (MIP) afgewezen, dit MIP ingetrokken en het verzoek om voorzieningen en tegemoetkoming in de premiekosten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser was aangesteld als beroepsmilitair. In 1993 is eiser uitgezonden naar het voormalig Joegoslavië gedurende welke uitzending hij klachten kreeg aan zijn handen. Op 3 oktober 1999 is eiser uit militaire dienst ontslagen. In verband met de aandoening aan zijn beide handen is hem bij besluit van 4 februari 2000 met ingang van 3 oktober 1999 een MIP toegekend, waarbij het invaliditeitspercentage op 15 werd gesteld. De aandoening aan zijn handen kreeg als diagnose “Primair fenomeen van Raynaud” (primair Raynaud).

1.2

Op 29 september 2003 heeft een medisch heronderzoek plaatsgevonden naar aanleiding waarvan een rapport is uitgebracht door [verzekeringsarts A], verzekeringsarts. Blijkens dit rapport is geen wijziging opgetreden in de medische toestand van eiser. Wel is er volgens dat rapport in het verleden een foute diagnose gesteld. De juiste diagnose van de aandoening van eiser luidt Raynaud fenomeen in het kader van een CREST-syndroom”, een auto-immuunziekte (secundair Raynaud). Voor deze ziekte wordt geen dienstverband aanvaard.

1.3

Bij nota van 1 december 2003 heeft [verzekeringsarts A] dit rapport aan [medewerker verweerder], werkzaam bij verweerder, doen toekomen. In deze nota heeft hij het volgende naar voren gebracht:

“ [medewerker verweerder] gaarne jouw aandacht voor bijgaande rapportage. Het betreft hier een gewijzigd medisch inzicht. Ik heb een en ander al besproken met [medewerker juridische zaken] (JuZa).

Achteraf gezien en op grond van gewijzigd medisch inzicht is er in het verleden ten onrechte dienstverband aanvaard voor klachten, waarvan ik nu aanneem dat ze bij een algemene aandoening passen, waarvoor dienstverband niet aannemelijk is. Er is nu in feite geen dienstverbandaandoening meer. Er kan voor gekozen worden om op billijkheidsgronden het toegekende percentage (15%) voor de toekomst te handhaven of met een overgangsperiode het pensioen in te trekken. Dit is echter geen medische beslissing. Ik doe in mijn rapportage daarom geen uitspraak over invaliditeitspercentage en termijn en volsta met de conclusie dat er thans geen sprake is van een dienstverbandaandoening”.

1.4

Bij brief van 22 december 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat er geen aanleiding bestaat het hem toegekende MIP te herzien.

1.5

Bij brief van 26 januari 2009 heeft verweerder eiser bericht dat naar aanleiding van een uitgevoerd dossieronderzoek geen aanleiding gezien wordt het hem toegekende MIP te herzien, alsmede dat in 2014 de mate van invaliditeit opnieuw wordt bekeken.

1.6

Bij brieven van 10 en 15 maart 2010 is namens eiser verzocht om toekenning van een hoger MIP, vergoeding van de premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en bepaalde voorzieningen, waaronder een hobbyvoorziening, in het kader van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers.

1.7

Bij besluit van 22 april 2010 is het verzoek van eiser om een hobbyvoorziening toegewezen.

1.8

Naar aanleiding van eisers verzoeken van 10 en 15 maart 2010 is een sociaal medisch onderzoek (SMO) ingesteld, waarvan op 2 september 2010 rapport is uitgebracht door [verzekeringsarts B], verzekeringsarts. Dit rapport bevestigt het rapport uit 2003. Ook volgens dit rapport is de aandoening van beide handen een uiting van een algemene aandoening en is er geen oorzakelijk verband met de uitoefening van de militaire dienst. Voor verergerend dienstverband zijn evenmin termen aanwezig.

1.9

Bij brief van 2 september 2010 heeft verweerder eiser bericht dat hij niet in aanmerking komt voor verhoging van het MIP en dat het pensioen omgezet wordt in een blijvend pensioen tot eiser 65 jaar wordt.

1.10

Bij brief van 20 september 2010 heeft verweerder de beslissing van 2 september 2010 ingetrokken onder de mededeling dat eerst een externe expertise aangevraagd zal worden alvorens een beslissing zal worden genomen.

1.11

Bij brief van 15 juni 2011 heeft verweerder het aan eiser toegekende MIP met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd. Voorts heeft verweerder een levenslange pensioen-vervangende uitkering toegekend van gelijk niveau als het MIP en toegezegd dat bij vooroverlijden de huidige partner van eiser recht heeft op een vervangende nabestaandenuitkering van gelijk niveau als ware eiser op de datum van overlijden in het genot van een MIP. Het verzoek om toekenning van voorzieningen en een tegemoetkoming in de premiekosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt afgewezen.

1.12

Bij brief van 9 juli 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 15 juni 2011. Eiser stelt dat verweerder het MIP niet mag beëindigen omdat bij besluit van 4 februari 2000 het dienstverband is vastgesteld. Voorts stelt eiser dat voor zover hij een predispositie zou hebben voor secundair Raynaud deze predispositie geen invloed heeft gehad op het ontstaan van de primaire Raynaud.

1.13

Bij brief van 20 december 2012 heeft [verzekeringsarts C], medisch adviseur-verzekeringsarts, aangegeven dat er bij primair Raynaud geen onderliggende oorzaak aanwezig is en het klinisch verschijnsel kan optreden bij blootstelling aan koude. Bij secundaire Raynaud is sprake van een onderliggende aandoening. Bij eiser is in eerste instantie ten onrechte de diagnose primair Raynaud gesteld. Pas later is vastgesteld dat bij eiser sprake was van een onderliggende auto-immuunziekte, namelijk het Crest-syndroom. Dit begin meestal met verschijnselen passend bij het Raynaud fenomeen aan de handen en pas later ontwikkelen zich de andere verschijnselen. Dit is een autonoom proces. Het is dus beslist niet zo dat zich op basis van een primair Raynaud een secundair Raynaud heeft ontwikkeld. De verschijnselen aan de handen van eiser tijdens de blootstelling aan koude waren toen al het eerste symptoom van het Crest-syndroom.

1.14

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep primair aangevoerd dat het niet aannemen van dienstverband in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voornamelijk het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder was er al in 2003 van op de hoogte dat sprake is van een gewijzigd medisch inzicht. Verweerder heeft toen weloverwogen en bewust de beslissing genomen om het aannemen van het dienstverband en het MIP te handhaven. Voorts heeft verweerder er ook in 2009 en 2010 weloverwogen voor gekozen om het standpunt dat sprake is van dienstverband te handhaven. In 2009 heeft in verband met de periodieke herkeuring dossieronderzoek plaatsgevonden welk onderzoek voor verweerder aanleiding is geweest het MIP te handhaven. Ook is in 2010, nadat een hernieuwd dossieronderzoek had plaatsgevonden, de hobby-voorziening toegewezen. Nu de feiten en omstandigheden (behoudens een toename van de klachten) ongewijzigd zijn gebleven is het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om thans geen dienstverband meer aan te nemen en het MIP te beëindigen. Voorts stelt eiser dat verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel. Hij voert daartoe aan dat nadat een hernieuwd dossieronderzoek had plaatsgevonden en op 8 april 2010 een gesprek met eiser had plaatsgevonden de hobbyvoorziening werd toegewezen. In dit besluit heeft verweerder erop gewezen dat op grond van de dienstverbandaandoening de regelgeving de mogelijkheid biedt eenmalig een tegemoetkoming te verstrekken. Voorts heeft de heer [verzekeringsarts B] tijdens het medisch onderzoek ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud tegen eiser gezegd dat het dienstverband zou worden gehandhaafd. De heer [verzekeringsarts B] had in eerste instantie ook een rapportage opgesteld waarbij het dienstverband werd gehandhaafd. Subsidiair stelt eiser dat het onderscheid primair en secundair Raynaud niet relevant is nu de klachten behorende bij zijn ziekte immers zijn ontstaan tijdens de uitzending in Joegoslavië. Ter onderbouwing van zijn stelling doet eiser onder meer een beroep op de medische adviezen van [arts], arts, van 20 september 2014 en 6 januari 2015. Het besluit van verweerder om het dienstverband te beëindigen kan geen stand houden. Gelet hierop kan de beslissing ter zake de afwijzing van om een hogere MIP en de voorzieningen evenmin stand houden.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (het Besluit AO/IV) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.

Ingevolge het tweede lid is het bedrag van het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen gelijk aan zoveel procent van de bij de betreffende militaire betrekking behorende berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Primair is de vraag aan de orde of de beëindiging van het MIP en de afwijzing van de voorzieningen in dit geval strijd oplevert met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

Volgens vaste rechtspraak kan een bestuursorgaan een gemaakte fout herstellen, tenzij het daarbij in strijd komt met regels van geschreven en ongeschreven recht.

5.2

Niet in geschil is tussen partijen dat verweerder reeds op 1 december 2003 op de hoogte was van een gewijzigd medisch inzicht op grond waarvan voor de aandoening van eiser geen dienstverband werd aangenomen. Vast staat voorts dat verweerder bij besluiten van 22 december 2003, 26 januari 2009 en 22 april 2010 het aangenomen dienstverband , na onderzoek, steeds heeft bevestigd.

In het primaire besluit van 15 juni 2011 is vervolgens vermeld dat: “ Bij het in behandeling nemen van het verzoek bleek dat uw mate van invaliditeit in 2003 door SMO te Utrecht is herbeoordeeld. Het naar aanleiding hiervan uitgebracht rapport vermeldt dat er een wijziging is opgetreden in de diagnose…het UWV-USZO, de instantie waarbij uw invaliditeitspensioen onder beheer was, heeft er voor gekozen om geen uitvoering te geven aan de conclusie van het onderhavige rapport.”

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in het onderhavige geval geen sprake meer van het herstellen van een fout. Immers eerst na een periode van acht jaar - waarbij de wetenschap over die fout gedurende de gehele periode aanwezig is bij verweerder en in die periode tot drie maal toe wordt besloten de fout niet te herstellen, wordt het MIP beëindigd, zodat veeleer sprake is van het terugkomen op eerdere bewuste keuzes. Het toekennen aan eiser van een vervangende uitkering van gelijk niveau maakt dit niet anders, nu immers door verweerder desgevraagd is erkend dat eiser door de beëindiging van het MIP in een nadeliger positie komt te verkeren, alleen al omdat daarmee ook eisers aanspraak op voorzieningen komt te vervallen. Dit betekent dat onder die omstandigheden het beëindigen van het MIP en daarmee de afwijzing van de voorzieningen in strijd is met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

5.4

Nu de rechtbank het beroep naar aanleiding van de primaire stelling van eiser honoreert zal de rechtbank het overig aangevoerde onbesproken laten.

5.5

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu behoudens de intrekking van het MIP het bestreden besluit ook ziet op de aanvraag tot verhoging van het MIP en op de aanvraag van voorzieningen, waaromtrent nog door verweerder een beoordeling dient plaats te vinden en de rechtbank informatie ontbeert. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

5.6

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.7

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

5.8

Ten aanzien van de kosten van de deskundige [arts], arts, ad € 816,75 bij nota van 20 september 2014 en ad € 471,90 bij nota van 12 december 2014 voor zijn schriftelijke adviezen van dezelfde data, overweegt de rechtbank dat eiser er ten tijde van de inschakeling vanuit mocht gaan dat deze deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte kosten tot een bedrag van € 1288,65.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak/nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van de deskundige tot een bedrag van € 1288,65, te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser – de Boer, voorzitter, mr. D.G.J. Dop, lid, en M.P. Celie, generaal-majoor b.d. (militair lid), in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

.