Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB 15/15988 en AWB 15/15989
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, onder de beperking “tijdelijk humanitaire gronden” afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar partner onmogelijk is om de zorg van zijn dochter, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, op zich te nemen.

Het is tussen partijen niet in geschil dat de partner zich schuldig heeft gemaakt aan het huiselijk geweld jegens eiseres. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1349) volgt dat het huiselijk geweld van belang is voor het antwoord op de vraag of de zorg voor het kind aan de zich aan het huiselijk geweld schuldig gemaakte ouder kan worden toevertrouwd. De rechtbank begrijpt uit deze uitspraak dat het, indien het huiselijk geweld aannemelijk wordt geacht, aan verweerder is om deugdelijk te motiveren dat de zorg van het kind kan worden toevertrouwd aan de ouder die in de Europese Unie mag blijven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de zorg van het kind aan de partner kan worden toevertrouwd, terwijl de partner ondersteuning nodig heeft bij zijn dagstructuur en financiën en een ernstige vorm van ADHD heeft. Verweerder heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dochter zodanig van haar afhankelijk is, dat zij als gevolg van de weigering om aan eiseres hier te lande verblijf toe te staan, geen andere keus heeft dan met haar het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De beroepsgrond slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/15988 (beroep)

AWB 15/15989 (voorlopige voorziening)

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 17 februari 2015 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1995, van Braziliaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.M. Franssen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “tijdelijk humanitaire gronden” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 augustus 2015 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 28 augustus 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Op diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres woont naar eigen zeggen sinds 2009 in Nederland en heeft in Nederland nimmer rechtsmatig verblijf gehad.

1.2

Medio augustus 2012 is eiseres, naar eigen zeggen, met [de man] (de partner) een relatie aangegaan. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2014 [kind] (de dochter) geboren. Zij is door de partner erkend en heeft de Nederlandse nationaliteit.

1.3

Blijkens de behandelovereenkomst van het [ziekenhuis] van 31 maart 2014 heeft de partner ondersteuning nodig bij zijn dagstructuur en financiën. Blijkens de verklaring van huisarts [naam] van 2 september 2015 heeft de partner een ernstige vorm van ADHD en een ernstige nierinsufficiëntie. Uit laatstgenoemde verklaring blijkt voorts dat de partner voor de tweede keer een niertransplantatie heeft ondergaan.

1.4

Op 5 februari 2015 is eiseres door een huisarts onderzocht vanwege het gepleegde geweld door de partner jegens haar. Op 9 februari 2015 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Bij haar aanvraag heeft eiseres aangegeven dat zij het slachtoffer is van huiselijk geweld. Op 12 februari 2015 heeft eiseres aangifte gedaan van voornoemd huiselijk geweld.

1.5

Bij uitspraak van 14 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 15/10773), de door eiseres op 2 juni 2015 verzochte voorziening, die ertoe strekte de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaarschrift was beslist, toegewezen.

2.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) plichtig is en er geen aanleiding bestaat om eiseres van het mvv-vereiste vrij te stellen. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan de vereisten, zoals genoemd in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragrafen B8/2.1 en B8/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor de partner onmogelijk is om de zorg van zijn dochter op zich te nemen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan, geen schending van het recht op eerbiediging van het privéleven betekent, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2

Eiseres heeft een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano. Daartoe heeft eiseres, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1349), aangevoerd dat zij, door middel van overlegging van het proces-verbaal van aangifte van mishandeling en de brieven van behandelaars, heeft aangetoond dat de partner feitelijk niet in staat is de zorg voor haar dochter op zich te nemen. Hieruit volgt volgens eiseres dat haar dochter bij haar gedwongen vertrek niet bij de partner kan verblijven.

2.3

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat aannemelijk wordt geacht dat de partner zich schuldig heeft gemaakt aan het huiselijk geweld. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat aan de partner, naar aanleiding van haar aangifte van het huiselijk geweld, een taakstraf is opgelegd.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8619) doet de situatie dat een burger van de Europese Unie (Unie) die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het VWEU) voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van verweerder een andere keuze heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

3.2

Aangezien de dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, bezit zij ingevolge artikel 20 van het VWEU dan ook de status van burger van de Unie. Zij kan zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij de status behorende rechten beroepen.

3.3

Uit eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 april 2015 volgt dat het huiselijk geweld van belang is voor het antwoord op de vraag of de zorg voor het kind aan de zich aan het huiselijk geweld schuldig gemaakte ouder kan worden toevertrouwd. De rechtbank begrijpt uit deze uitspraak dat het, indien het huiselijk geweld aannemelijk wordt geacht, aan verweerder is om deugdelijk te motiveren dat de zorg van het kind kan worden toevertrouwd aan de ouder die in de Europese Unie mag blijven.

3.4

Verweerder heeft dat als volgt gemotiveerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de partner vanwege het huiselijk geweld in het geheel niet voor zijn dochter kan of mag zorgen, nu dit niet middels informatie van daartoe bevoegde instanties, zoals Jeugdzorg en de Raad van Kinderbescherming is aangetoond. Ter zitting heeft verweerder ter aanvulling nog aangevoerd dat gebleken noch gesteld is, dat het huiselijk geweld (mede) tegen de dochter gericht was. Bovendien kan de partner hulp en ondersteuning van maatschappelijk organisaties krijgen bij de zorg en opvoeding van zijn dochter.

3.5

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven motivering onvoldoende volgt dat de zorg van het kind aan de partner kan worden toevertrouwd, terwijl die ondersteuning nodig heeft bij zijn dagstructuur en financiën en een ernstige vorm van ADHD heeft. Verweerder heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dochter zodanig van haar afhankelijk is, dat zij als gevolg van de weigering om aan eiseres hier te lande verblijf toe te staan, geen andere keus heeft dan met haar het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De beroepsgrond slaagt.

4. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte van het horen heeft afgezien overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Gelet op hetgeen eiseres in bezwaarfase heeft overgelegd en op hetgeen hiervoor is overwogen, was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een dergelijke situatie. Verweerder heeft derhalve in strijd gehandeld met artikel 7:2 van de Awb.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De overige beroepsgronden, waaronder het beroep op een schending van artikel 8 van het EVRM, behoeven daarom geen bespreking.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/15988,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/15989,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,-- zegge: driehonderdvierendertig euro ) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.488,-- (zegge: veertienhonderd achtentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Berk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.

griffier

rechter