Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
C/09/489823/ KG RK 15-1163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek. De aanwezigheid van de vertegenwoordigster van de officier van justitie in de zittingszaal samen met de kantonrechter buiten de behandeling van zaken door geeft op zichzelf geen grond te vrezen dat het de behandelend kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt. De stelling van de kantonrechter dat hij op geen moment buiten de aanwezigheid van verzoeker met de vertegenwoordigster van het openbaar ministerie over de zaak van verzoeker heeft gesproken, is door verzoeker niet weersproken, zodat daarvan wordt uitgegaan. Dit betekent dat – anders dan in de zaak waarover het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde – ook overigens niet is gebleken van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid aan de zijde van de kantonrechter. Geen wrakingsverbod omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/38

zaak-/rekestnummer: C/09/489823/ KG RK 15-1163

Registratienummer kanton: 3436153 MB VERZ 14-5996

datum beschikking: 29 juni 2015

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. O. van der Burg,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Belanghebbende in deze zaak is het Openbaar Ministerie.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen een beslissing van de officier van justitie, gegeven naar aanleiding van het administratief beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen een opgelegde administratieve sanctie.

1.2.

Op 3 juni 2015 is er een zitting geweest van de kantonrechter in de rechtbank in Den Haag in verband met dit beroep. Ter zitting heeft verzoeker de kantonrechter gewraakt.

1.3.

De kantonrechter heeft op 4 juni 2015 per e-mail gereageerd op het wrakingsverzoek en de wrakingskamer in overweging gegeven aan verzoeker een wrakingsverbod op te leggen, voor zover het ziet op wrakingsverzoeken op dezelfde grond als die in het onderhavige verzoek.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 15 juni 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek toegelicht. De kantonrechter is niet verschenen.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1.

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.

Verzoeker stelt dat voor de behandeling van zijn beroep de vertegenwoordigster van de officier van justitie al in de zittingszaal aanwezig was. Dit betekent dat er vooroverleg kan zijn gevoerd, waardoor de schijn van partijdigheid is gewekt. Verzoeker is daarom van mening dat de vertegenwoordigster van de officier van justitie voor het uitroepen van een zaak, en derhalve ook tussen het sluiten van het onderzoek in de ene zaak en het uitroepen van de volgende zaak, niet samen met de kantonrechter in de zittingszaal kan blijven; de kantonrechter dient daar op toe te zien. De wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een vergelijkbare zaak het wrakingsverzoek toegewezen (ECLI:NL:GHARL:2014:6715). Volgens verzoeker heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met deze uitspraak duidelijk het signaal gegeven dat de voortdurende aanwezigheid van de vertegenwoordigster van de officier van justitie in de zittingszaal niet wenselijk en een grond voor wraking is. Volgens verzoeker moet de wrakingskamer de uitspraak van de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgen.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter berust niet in de wraking. Hij verwijst daartoe naar het proces-verbaal van de zitting van 3 juni 2015, waarin is opgenomen dat de kantonrechter aan verzoeker heeft medegedeeld dat er geen vooroverleg tussen hem en de vertegenwoordigster van de officier van justitie heeft plaatsgevonden.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat in bestuursrechtelijke zittingen als de onderhavige de vertegenwoordigster van de officier van justitie vaak tussen de (veelheid van) zaken door, uit pragmatische en/of efficiencyoverwegingen in de zittingszaal aanwezig blijft. Het principiële standpunt van verzoeker dat de vertegenwoordigster van de officier van justitie tussen het doen van een uitspraak of het sluiten van het onderzoek in de ene zaak en het uitroepen van de volgende zaak niet in de zaal aanwezig mag blijven, levert naar het oordeel van de wrakingskamer als zodanig geen grond voor wraking op. De aanwezigheid van de vertegenwoordigster van de officier van justitie in de zittingszaal samen met de kantonrechter buiten de behandeling van zaken door geeft op zichzelf immers geen grond te vrezen dat het de behandelend kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat de zitting in dit soort zaken openbaar is en dat de zaal waar de zitting plaatsvindt op ieder moment tijdens die zitting betreden kan worden. Het stond verzoeker aldus vrij om voor aanvang van de behandeling van zijn zaak in de zaal plaats te nemen.

5.4.

De wrakingskamer stelt voorts vast dat verzoeker de mededeling van de kantonrechter dat hij op geen moment buiten de aanwezigheid van verzoeker met de vertegenwoordigster van de officier van justitie over de zaak van verzoeker heeft gesproken, niet heeft weersproken. De wrakingskamer gaat er daarom vanuit dat de kantonrechter en de vertegenwoordigster van de officier van justitie vooraf niet over zijn zaak hebben gesproken. Dit betekent dat – anders dan in de zaak waarover het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde, waarin de raadsheer en de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zich beiden niet hebben uitgelaten over de vraag of er al dan geen vooroverleg had plaatsgevonden en de wrakingskamer aldus niet kon vaststellen dat daarvan geen sprake was geweest – ook overigens niet is gebleken van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid aan de zijde van de kantonrechter.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek tot wraking van de kantonrechter zal worden afgewezen.

5.6.

De wrakingskamer ziet geen aanleiding om verzoeker een wrakingsverbod op te leggen ter voorkoming van het door verzoeker indienen van wrakingsverzoeken op dezelfde grond als in de onderhavige zaak. Daartoe wordt overwogen dat het in gevallen als deze onder omstandigheden (zoals in voormelde zaak van de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) niet ondenkbaar is dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kan ontstaan dat het de kantonrechter jegens hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Van misbruik van procesrecht is in casu geen sprake.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker [verzoeker] ;

• belanghebbende in de hoofdzaak, het Openbaar Ministerie;

• de kantonrechter mr. O. van der Burg.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, D.G.J. Dop en J.A. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.F. Ritmeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2015.