Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
C/09/489143 / KG RK 15-1107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/35

zaak-/rekestnummer: C/09/489143/ KG RK 15/1107

CJIB-nummer: 177290438

Registratienummer kanton: 3389420 MB VERZ 14-5430

datum beslissing: 15 juni 2015

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoeker,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

(eiser in de hoofdzaak),

tegen de officier van justitie,

gemachtigde: mr. S. van der Waal,

(verweerder in de hoofdzaak),

strekkende tot wraking van:

mr. Y.E. Kastein,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

[verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie tot oplegging van een administratieve sanctie. Ter zitting van 16 april 2015 is het beroep behandeld. Hierbij is mr. S. van der Waal (hierna: Van der Waal) namens de officier van justitie verschenen. [verzoeker] is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen. Bij het beroepschrift is een document overgelegd waaruit onder meer blijkt dat hij Zaakrecht, h.o.d.n. Boetejuristen, machtigt om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen en alle door Zaakrecht daartoe geschikt geachte handelingen te verrichten en procedures te voeren, teneinde aan [verzoeker] opgelegde parkeer- en verkeersboetes te bestrijden. De kantonrechter heeft overwogen dat deze in algemene bewoordingen gestelde machtiging niet een bijzondere volmacht inhoudt om beroep in te stellen tegen onderhavige inleidende beschikking, nu gelet op de aard van deze procedure moet vaststaan dat [verzoeker] heeft gewild dat Zaakrecht in dit concrete geval voor hem in rechte optreedt. De kantonrechter heeft [verzoeker] daarop in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na toezending van de beslissing een machtiging over te leggen die voldoet aan de hiervoor genoemde eisen, met daarbij (een kopie van) een geldig legitimatiebewijs van [verzoeker] . De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat het beroep niet inhoudelijk zal worden beoordeeld, maar dat als [verzoeker] niet of niet tijdig voldoet aan voornoemd verzoek, hij er rekening mee moet houden dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het onderhavige wrakingsverzoek van [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) namens [verzoeker] is op 13 mei 2015 bij de rechtbank ingekomen. De wrakingskamer heeft voorts kennisgenomen van het door de kantonrechter en de griffier opgestelde en ondertekende proces-verbaal van voornoemde behandeling van het beroep. Daarnaast heeft de wrakingskamer op 29 mei 2015 van de kantonrechter een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen. Ten slotte heeft de wrakingskamer kennisgenomen van de brief d.d. 31 mei 2015 van [gemachtigde] namens [verzoeker] .

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 1 juni 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [verzoeker] en zijn gemachtigde [gemachtigde] , zijn niet verschenen. [gemachtigde] heeft bij bovengenoemde brief van 31 mei 2015 te kennen gegeven verhinderd te zijn om ter zitting van 1 juni 2015 te verschijnen.

De kantonrechter heeft haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij tevens aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

3.1.

[verzoeker] stelt dat bij hem de vrees is ontstaan dat de kantonrechter jegens hem vooringenomen is, althans dat van een onafhankelijke en onpartijdige behandeling in onderhavige zaak geen sprake is, nu de kantonrechter – zonder geldige grondslag daarvoor – van [verzoeker] een specifieke machtiging verlangt terwijl zij van de beweerde vertegenwoordiger van de officier van justitie geen machtiging heeft verlangd. Voorts is er (een kopie van) een geldig legitimatiebewijs van [verzoeker] verlangd zonder dat daar objectief gezien grond voor bestond.

3.2.

[gemachtigde] heeft namens [verzoeker] bij brief van 31 mei 2015 gereageerd op het na te noemen standpunt van de kantonrechter. Daarbij is nog het standpunt betrokken dat de kantonrechter zich reeds een eindoordeel heeft gevormd door te overwegen dat als eiser niet of niet tijdig voldoet aan het overleggen van een deugdelijke machtiging, hij er rekening mee dient te houden dat zij het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

4 Het standpunt van mr. Y.E. Kastein

De kantonrechter berust niet in de wraking en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek, nu het niet tijdig is gedaan. De kantonrechter is overigens van oordeel dat zij in de wijze waarop zij de zaak ter zitting heeft behandeld en in de daarop gebaseerde beslissing geen blijk heeft gegeven van partijdigheid en dat overigens geen sprake is geweest van feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou hebben kunnen lijden en artikel 6 EVRM zou zijn geschonden.

5 De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter van 16 april 2015, op

7 mei 2015 aan [verzoeker] is verzonden. Nu [verzoeker] het wrakingsverzoek op 13 mei 2015 heeft ingediend, te weten kort nadat hij van de beslissing op de hoogte was geraakt, kan niet gezegd worden dat het verzoek niet tijdig is gedaan. De wrakingskamer acht het wrakingsverzoek derhalve ontvankelijk.

6 De beoordeling

6.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3.

Het wrakingsverzoek is – naar de wrakingskamer begrijpt – gebaseerd op de stelling dat de kantonrechter blijk heeft gegeven van vooringenomenheid door van [verzoeker] een specifieke machtiging met (een kopie van) een geldig identiteitsbewijs te verlangen. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan een dergelijke processuele beslissing geen grond opleveren voor wraking, nu deze geen zwaarwegende aanwijzing oplevert als hiervoor bedoeld. Niet valt in te zien dat de kantonrechter met deze beslissing blijk heeft gegeven van een partijdige dan wel vooringenomen opstelling. De kantonrechter is met deze beslissing evenmin vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de zaak, noch heeft zij op enige wijze de schijn van vooringenomenheid jegens [verzoeker] gewekt.

6.4.

Nu de wrakingskamer ook niet is gebleken van andere feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de kantonrechter een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker [verzoeker] , zijn gemachtigde [gemachtigde] ;

• mr. S. van der Waal namens de officier van justitie;

• de kantonrechter mr. Y.E. Kastein;

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, R. Cats en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier en in het openbaar uitgesproken op

15 juni 2015.