Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16040

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2015
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
C/09/487740/ KG RK 15-936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/32

zaak-/rekestnummer: C/09/487740 / KG RK 15-936

FT RK 15/211 + FT RK 15/212

datum beschikking: 8 juni 2015

BESLISSING

op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

JOYSTAR INTERNATIONAL B.V., en

STELLA GIOIA B.V.,

te Amsterdam,

verzoekers,

bestuurder en enig aandeelhouder: [bestuurder] ,

(verweerder in de hoofdzaak),

tegen

Van Delft Advocaten N.V.,

te Waddinxveen,

gemachtigde: mr. W. van Leuveren,

(verzoekster in de hoofdzaak),

strekkende tot wraking van:

mr. J.A. van Dorp,

rechter in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

JOYSTAR INTERNATIONAL B.V. (hierna: Joystar) en STELLA GIOIA B.V. (hierna: Stella) zijn verweerders in een zaak waarin Van Delft Advocaten N.V. (hierna: Van Delft) verzoekt om Joystar en Stella in staat van faillissement te verklaren. Aan dit verzoek heeft Van Delft ten grondslag gelegd dat Joystar en Stella op grond van een vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2014 – dat in kracht van gewijsde is gegaan – hoofdelijk een bedrag van (in hoofdsom) € 5.278,71 aan haar verschuldigd zijn, welk bedrag zij onbetaald hebben gelaten. Nu er volgens Van Delft in de zaak van Stella ook andere vorderingen onbetaald zijn, heeft zij in dit verband in haar verzoekschrift als steunvordering een vonnis van 25 mei 2011 in het geding gebracht, waarin Stella jegens Booney B.V. bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.586,-, te vermeerderen met rente en kosten.

Bij de eerste behandeling van beide faillissementsverzoeken op de zitting van 7 april 2015, is een betalingsregeling afgesproken die inhield dat Joystar en Stella binnen twee weken een bedrag van € 2.000,- aan Van Delft zouden betalen, waarna zij nog een termijn van vier weken zouden krijgen om de rest van het verschuldigde bedrag te voldoen. De behandeling van beide zaken is vervolgens aangehouden tot de zitting van 21 april 2015, tenzij Van Delft verder uitstel zou verzoeken, welk verzoek de griffie niet voor 21 april 2015 heeft ontvangen.

De ter zitting van 21 april 2015 namens Van Delft verschenen mr. W. van Leuveren heeft desgevraagd medegedeeld dat zijn kantoor nog geen betaling van Joystar en Stella had ontvangen. Nadat [bestuurder] namens Joystar en Stella had aangegeven dat er op 19 april 2015 een spoedbetaling was gedaan en dat hij hiervan ter zitting bewijzen kon overleggen, is de zitting door mr. J.A. van Dorp (hierna: de rechter) onderbroken om mr. Van Leuveren de gelegenheid te geven na te gaan of het bedrag was ontvangen. Na hervatting van de zitting heeft mr. Van Leuveren bevestigd dat het bedrag van € 2.000,- inmiddels was ontvangen. De rechter heeft daarop de zaak voor vier weken aangehouden. [bestuurder] heeft vervolgens namens Joystar en Stella aangegeven dat hij met zijn advocaat zou gaan overleggen en hem zou vragen om de rechtbank te wraken.

Het onderhavige wrakingsverzoek van [bestuurder] namens Joystar en Stella is op 22 april 2015 bij de rechtbank ingekomen. De wrakingskamer heeft voorts kennisgenomen van het door de rechter en de griffier opgestelde en ondertekende proces-verbaal van de zitting van 21 april 2015. Op 6 mei 2015 heeft de wrakingskamer een aanvulling op het wrakingsverzoek ontvangen. Voorts heeft de wrakingskamer op 22 mei 2015 van de rechter een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen. Ten slotte is op 1 juni 2015 een schriftelijke reactie van Van Delft ontvangen.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 1 juni 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Namens Joystar en Stella is verschenen [bestuurder] . Het wrakingsverzoek is door hem ter zitting toegelicht.

De rechter is als aangekondigd niet ter zitting verschenen en heeft zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt.

Mr. Van Leuveren heeft – namens Van Delft – het standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij tevens te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Volgens [bestuurder] was er tijdens de faillissementszitting van 21 april 2015 sprake van duidelijke vooringenomenheid van de rechter, waarvan hij ter zitting blijk gaf en die veel verder ging dan louter de schijn wekken van partijdigheid. Zo interesseerde de rechter zich uitsluitend voor hetgeen door mr. Van Leuveren namens Van Delft naar voren werd gebracht en niet voor hetgeen namens Joystar en Stella werd betoogd. De rechter was zelfs niet bereid om kennis te nemen van de betalingsbewijzen die [bestuurder] wilde overleggen. Daarnaast heeft de rechter [bestuurder] herhaaldelijk – al dan niet met stemverheffing – het woord ontnomen. Hierdoor voelde [bestuurder] zich niet alleen ernstig geschoffeerd, maar ook zeer benadeeld om de zaak te bepleiten, dan wel bewijs aan te dragen.

[bestuurder] heeft ter zitting gesteld dat de betaling aan Van Delft reeds op 20 april 2015 om 7.57 uur is ontvangen, hetgeen voor Van Delft vanaf 10.00 uur in de ochtend ook zichtbaar moet zijn geweest. Nadat het [bestuurder] – die voor zaken reeds onderweg was naar Duitsland – aan het einde van de dag voor de zitting, na telefonische navraag, was gebleken dat er door Van Delft nog geen aanhoudingverzoek voor de zitting van 21 april 2015 was gedaan, heeft hij zijn zakenreis moeten afbreken en zijn zakelijke afspraken voor 21 april 2015 moeten afzeggen. Als gevolg hiervan heeft [bestuurder] bedrijfsschade geleden en onnodige kosten gemaakt. De rechter was niet bereid om dit ter zitting te bespreken en heeft [bestuurder] daarentegen het woord ontnomen. Ten slotte heeft de rechter, door zich ter zitting uit te spreken over het naar zijn verwachting naderende faillissement, blijk gegeven van vooringenomenheid, aldus [bestuurder] .

In voornoemde aanvulling op het wrakingsverzoek heeft [bestuurder] namens Joystar en Stella gewezen op een aantal onjuistheden in het van de faillissementszitting van 21 april 2015 opgemaakte proces-verbaal en voor het overige gepersisteerd bij het verzoek.

3.2

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van 1 juni 2015 heeft [bestuurder] verklaard en toegelicht dat en waarom hij zich ter zitting van 21 april 2015 onheus bejegend voelde door de rechter, nu [bestuurder] door de rechter – naar zijn idee – werd weggezet als frauderende handelsman.

4 Het standpunt van mr. J.A. van Dorp

4.1

De rechter berust niet in de wraking en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het wrakingsverzoek, nu er op grond van het wrakingsverzoek niet kan worden gesproken van feiten en omstandigheden waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De rechter heeft het verloop van de procedure uiteengezet en stelt dat de zaken op 21 april 2015, conform de ter zitting van 7 april 2015 gemaakte afspraken, vier weken zijn aangehouden. Buiten de constatering dat de vordering van Van Delft en de steunvordering van Booney B.V. op Stella vastliggen in onherroepelijke vonnissen, heeft er geen verdere inhoudelijke behandeling van beide faillissementsverzoeken plaatsgevonden. Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting ontkent de rechter enige uitspraak te hebben gedaan over de vraag of Joystar en Stella al dan niet in faillissementstoestand verkeren. De rechter ontkent voorts dat hij heeft geweigerd kennis te nemen van de betalingsbewijzen. [bestuurder] heeft die bewijzen verder niet gepresenteerd en er was vanwege de erkenning van Van Delft dat de betaling ontvangen was geen noodzaak meer om hiervan kennis te nemen. Het betoog van [bestuurder] over zijn (bedrijfs)schade valt buiten het bestek van een faillissementszitting. Het eenmaal verheffen van zijn stem en tweemaal onderbreken van het betoog van [bestuurder] was volgens de rechter noodzakelijk met het oog op de orde en het goede verloop van de zitting.

4.2

Mr. Van Leuveren heeft namens Van Delft in een e-mailbericht van 1 juni 2015 kenbaar gemaakt dat hij het standpunt van de rechter onderschrijft en dat er geen reden is voor wraking.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

Blijkens zijn mondelinge toelichting koestert [bestuurder] met name bezwaren tegen de wijze waarop de rechter hem ter zitting bejegend heeft. Ter illustratie heeft [bestuurder] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de rechter niet wilde kijken naar de betalingsbewijzen die [bestuurder] in zijn handen had en ook niet wilde praten over de schade die [bestuurder] stelt te hebben geleden doordat de zitting niet was aangehouden, waardoor hij zijn reis naar Duitsland heeft moeten afbreken.

5.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kunnen voornoemde bezwaren van [bestuurder] geen grond opleveren voor wraking. Dat de rechter kennelijk geen noodzaak (meer) zag om kennis te nemen van de betalingsbewijzen is een processuele beslissing waartegen in beginsel niet het middel van wraking kan worden ingezet. In het licht van de taak van de rechter om de regie te voeren ter zitting en in dat kader de feiten boven water te krijgen die relevant zijn voor zijn beslissing is de wrakingskamer van oordeel dat de rechter met de door [bestuurder] genoemde handelwijze op geen enkele wijze de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker heeft gewekt. Nu de wrakingskamer voor het overige evenmin is gebleken van andere feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• [bestuurder] namens Joystar en Stella;

• mr. W. van Leuveren namens Van Delft Advocaten N.V.;

• de rechter mr. J.A. van Dorp.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, O. van der Burg en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2015.