Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
C/09/498222 / FT RK 15/2204
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek toepassing wettelijke schuldsanering. Mogelijke regresvordering op verzoeker: kan minnelijke schuldregeling achterwege gelaten worden omdat de WSNP daarvoor een regeling kent (art. 299 Fw.) en het buitengerechtelijke traject niet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/498222 / FT RK 15/2204

vonnis van 30 november 2015


in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoeker.

1. Verzoeker heeft op 19 oktober 2015 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2. In een begeleidend schrijven bij het verzoek heeft de heer R. de Bruijn van Westerbeek C.O.D. B.V. namens verzoeker meegedeeld dat er geen buitengerechtelijke schuldregeling is opgestart. Dit wordt als volgt toegelicht:

3. Op 2 november 2015 is het verzoek ter terechtzitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: verzoeker, bijgestaan door de heer R. de Bruijn van Westerbeek C.O.D. B.V. Na afloop van de mondelinge behandeling is beslist het verzoekschrift meervoudig af te doen.

4. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, is ná zitting namens verzoeker per e-mailbericht d.d. 2 november 2015 een nadere toelichting gegeven op het hiervoor onder 2. vermelde standpunt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank gaat er van uit dat er ten aanzien van een aantal schulden sprake is van medeschuldenaarschap van verzoeker. Het ontbreekt evenwel aan een opgave van de aard en het bedrag van de vordering ter zake waarvan schuldenaar zich als medeschuldenaar heeft verbonden. Daarmee ontbreekt bij het verzoekschrift de bijlage zoals bedoeld in artikel 285 lid 1, aanhef en onder g, van de Faillissementswet (Fw.)

7. Artikel 285 lid 1, aanhef en onder f, van de Faillissementswet (Fw.) bepaalt dat indien er geen buitenrechtelijke schuldregeling tot stand gekomen is, er door of namens het college

van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar een met redenen omklede verklaring wordt afgegeven dat geen reële mogelijk-heden zijn om tot een dergelijke regeling te komen. Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard.

8. Niet is gebleken dat er beletselen zijn voor het doorlopen van een minnelijk traject. Uit de stukken moet eerder worden opgemaakt dat er bewust voor is gekozen om het doorlopen van het minnelijk traject achterwege te laten. Volgens verzoeker kan dit worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat een wettelijk schuldsaneringsregeling ook werkt ten aanzien van na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling onvoldaan gebleven vorderingen op de schuldenaar die ontstaan krachtens artikel 6:10 van het Burgerlijk Wetboek uit hoofde van een ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuld-saneringsregeling reeds bestaande rechtsverhouding (artikel 299 lid 1, aanhef en onder e, Fw.), terwijl de schuldenaar na een minnelijk schuldregeling in volle omvang voor een zodanige regresvordering kan worden aangesproken. De rechtbank volgt verzoeker niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.

9. De rechtbank stelt voorop dat tot uitgangspunt moet dienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat (Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NLHR:2012:BU3784 (ASR/Achmea). Nu niet is gesteld of gebleken dat de ex-partner van verzoeker meer aan de desbetreffende schuldeiser(s) heeft betaald dan haar aangaat, kan er niet van worden uitgegaan dat zij thans een (regres-)vordering op verzoeker heeft.

10. De ex-partner van verzoeker heeft derhalve momenteel hooguit een, uit een huidige rechtsverhouding voortvloeiende, toekomstige vordering op verzoeker, waarvan de waarde thans onzeker is. De rechtbank tekent hierbij aan dat die waarde van een dergelijke vordering – zeker indien het om een forse hoofdvordering gaat – veelal op nihil zal kunnen worden geschat. Dit kan anders zijn indien de medeschuldenaar – hier de ex-partner van verzoeker – feiten en omstandigheden naar voren brengt op basis waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat zij in staat zal zijn de schuldeiser te voldoen voor meer dan het gedeelte dat haar aangaat. Aldus kan in een minnelijk traject een schatting worden gemaakt van de waarde van de regresvordering waarvan onzeker is of, wanneer en welke mate deze zal ontstaan. In een wettelijke schuldsaneringsregeling zal een dergelijke schatting eveneens dienen plaats te vinden, er van uitgaande een vordering als bedoeld in artikel 299 lid 1, aanhef en onder e, Fw. een in een schuldsaneringsregeling verifieerbare vordering is waarvan alsdan de waarde overeenkomstig het bepaalde in artikel 328 jº 133 Fw. kan worden geschat.

11. Voorts kan niet worden uitgegaan van een zwart-wit verschil tussen een wettelijke schuld-regeling met het bepaalde in artikel 299 lid 1, aanhef en onder e, Fw. en een buitenge-rechtelijke schuldregeling zonder een dergelijke bepaling, zoals klaarblijkelijk door verzoeker wordt gedaan. Immers, hoofdelijk schuldenaren zijn, ook voor een regres-

vordering ontstaat, in hun onderlinge verhouding verplicht zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en het instellen van een regresvordering kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (ASR/Achmea-arrest). Hierbij kan mede bepalend zijn de wijze waarop in de buitengerechtelijke schuldregeling met een potentiele regresvordering is omgegaan.

12. Hetgeen hiervoor is overwogen, maakt dat door het ontbreken van de bijlage zoals bedoeld in artikel 285 lid 1, aanhef en onder g, Fw. en het ontbreken van een minnelijk traject en daarmee van de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, aanhef en onder f Fw., het verzoek niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Het verzoek kan derhalve niet in behandeling worden genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding verzoeker een aanvullende termijn te gunnen op grond van artikel 287 lid 2 Fw. Verzoeker zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het onderhavige verzoek.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Gewezen door mrs. R. Cats, W.J. Don en J.A. van Dorp, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2015 in tegenwoordigheid van V.A. Versteegh, griffier.