Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:16024

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
C/09/15/714 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling, ondanks dat de schuldhulpverlenende instantie niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 285 lid 1, aanhef en sub f, Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/15/714 R

uitspraakdatum : 1 oktober 2015

[verzoekster],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

De verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 17 september 2015.

De beoordeling

1. Bij de stukken bevindt zich een zogenoemde “Verklaring ex art. 285 lid 1 f Fw.” d.d. 22 juni 2015, waarin door B.L. Menting, bewindvoerder WSNP en werkzaam bij Okkerse & Schop Advocaten te Almere, wordt verklaard dat Zuidweg en Partners als schuldbemiddelingsinstantie heeft opgetreden en dat er geen reële mogelijkheden zijn dat verzoekster tot een buitengerechtelijke schuldregeling komt met haar crediteuren.

2. B.L. Menting heeft op 22 juni 2015 eveneens een stuk ondertekend (“Rapportage schuldbemiddelaar betreffende het minnelijk traject”) waarin onder meer het volgende staat vermeld: “Namens de schuldbemiddelingsinstantie Zuidweg en Partners die voldoet aan de vereisten van artikel 48 lid 1 van de Wet op het Consumentenkrediet, verklaart de behandelend medewerker, te weten mevrouw M.S. Luitjens-Bakker hierbij dat het minnelijk traject van de verzoeker als volgt is verlopen: (...)”.

3. Artikel 285 lid 1, aanhef en sub f, Fw luidt als volgt: In het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage worden opgenomen: (...) een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan; (...).

4. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 5 november 2010 (NJ 2011/31) beslist dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat aanvaard wordt dat de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, ook kan worden afgegeven door de personen bedoeld in artikel 48 lid 1, onder c, Wet op het Consumentenkrediet (WCK). Die personen zijn: advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet of ingevolge artikel 383, zevende lid, dan wel artikel 435, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten.

5. De in artikel 285 lid 1, onder f bedoelde verklaring is een instrument om er voor te zorgen dat eerst een buitenwettelijke oplossing wordt beproefd. Van belang is dat deze verklaring een betrouwbaar kompas is voor de rechter bij de vaststelling van de vraag of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. De verwijzing naar de in artikel 48 lid 1, sub d, WCK genoemde personen, stoelt op de gedachte dat die personen op het vlak van het treffen van schuldregelingen over zodanige capaciteiten beschikken dat zij in staat zullen zijn de rechter adequaat voor te lichten over de afwezigheid van reële mogelijkheden om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen of de bij de schuldenaar aanwezige aflossingsmogelijkheden. Uit de ontstaansgeschiedenis van de per 1 januari 2008 van kracht geworden bepaling van 288 lid 2, aanhef en sub b, Fw blijkt dat achter de verwijzing naar artikel 48 lid 1 WCK de bedoeling steekt te bevorderen dat bij het pogen om buitengerechtelijke schuldregelingen tot stand te brengen personen zijn betrokken die over voldoende deskundigheid en vaardigheid daarvoor beschikken (conclusie Advocaat–Generaal mr. J.B.M.M. Wuisman bij voornoemde uitspraak van de Hoge Raad).

6. Gebleken is dat B.L. Menting niet zélf het minnelijk traject heeft uitgevoerd, maar dat dit traject door Zuidweg en Partners is uitgevoerd. Niet is gebleken van een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar aan Zuidweg en Partners gemandateerde bevoegdheid tot afgifte van een verklaring als bedoeld in 285 lid 1, aanhef en sub f, Fw. Evenmin is gebleken dat Zuidweg en Partners, dan wel de werknemer van Zuidweg en Partners die het minnelijk traject heeft uitgevoerd, kan worden aangemerkt als een persoon bedoeld in artikel 48 lid 1, onder c, WCK.

7. B.L. Menting heeft niet zélf het minnelijk traject uitgevoerd. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met het verloop van het minnelijk traject, dat hij de door hem van Zuidweg en Partners ontvangen stukken heeft bekeken, dat die stukken gelijk zijn aan de stukken die bij het onderhavige verzoek zijn overgelegd, dat hij heeft bezien of hij akkoord is met de handelwijze van Zuidweg en Partners en dat hij aldus heeft verklaard dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Deze werkwijze roept de vraag op of het minnelijk traject aldus op de juiste wijze is doorlopen.

8. Bij de beantwoording van die vraag weegt in het bijzonder mee dat, zoals uit het vorenstaande blijkt, de wetgever het uitvoeren van het minnelijk traject niet aan een ieder heeft toevertrouwd, maar aan bepaalde groepen personen van wie voldoende deskundigheid en vaardigheid moet worden verwacht om op correcte wijze een buitengerechtelijke schuldregeling tot stand te brengen. In de praktijk besteden die personen de uitvoering in sommige gevallen uit aan werknemers of aan anderen jegens wie zij een instructiebevoegdheid hebben en waarbij zij op elk moment de mogelijkheid tot (bij)sturing hebben. Die beperkte kring van personen maakt dat er een zekere garantie is voor de kwaliteit van het uitgevoerde traject en dat de daarop gebaseerde verklaring kan dienen als een betrouwbaar kompas voor de rechter bij het beantwoorden van de vraag of in voldoende mate op correcte wijze een minnelijke regeling is beproefd.

9. In dit geval is het echter omgekeerd. Het dient er voor te worden gehouden dat Zuidweg en Partners – anders dan in voornoemde verklaring is vermeld (hiervoor onder 2.) – niet voldoet aan de vereisten van artikel 48 lid 1 WCK en derhalve niet tot de kring van bevoegde personen behoort, maar een WSNP-bewindvoerder inhuurt. Die bewindvoerder staat niet in eerderbedoelde gezagsverhouding tot degenen die het traject uitvoeren. Hij kan niet op elk door hem nodig geacht moment instrueren, interveniëren of (bij)sturen. Ook is zijn bemoeienis of ingrijpen niet op elk moment tijdens het traject mogelijk, maar slechts op het moment dat het traject is afgerond. Door zijn ondertekening van de door anderen opgestelde en geselecteerde stukken verklaart hij dan ook niet dat hij het traject heeft uitgevoerd, maar dat er een traject is uitgevoerd. Dat hij door zijn het plaatsen van zijn handtekening daarvoor de verantwoordelijkheid lijkt te willen nemen, geeft niet de garantie voor een deskundige en vaardige uitvoering die de wetgever heeft willen scheppen door de kring van bevoegde personen te beperken. Dat hij geen contact heeft met schuldenaren is daarbij niet doorslaggevend, maar wel een indicatie voor de mate van zijn kennis van het uitgevoerde traject. Ook blijkt daaruit dat hij voor schuldenaren moeilijk aanspreekbaar is voor het verloop van het traject.

10. Kortom, naar het oordeel van de rechtbank maakt het inhuren van een wsnp-bewindvoerder ter controle en aftekening van de stukken van het minnelijk traject niet dat er van kan worden uitgegaan dat bij de poging om een buitengerechtelijke schuldregeling tot stand te brengen personen betrokken zijn geweest die daarvoor over voldoende deskundigheid en vaardigheid beschikken. Hierdoor kan het er niet voor worden gehouden dat een aldus tot stand gekomen verklaring een betrouwbaar kompas kan zijn voor de rechter bij de vaststelling van de vraag of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd.

11. Bij gebrek aan de door wetgever geïmpliceerde waarborg voor een juiste uitvoering van dit minnelijk traject, had het op de weg van verzoeker gelegen ten minste over de inhoudelijke kwaliteit het nodige aan te voeren. Uit het voorgaande blijkt dat de verklaring van B.L. Menting daarvoor onvoldoende is. Nu over die inhoudelijke kwaliteit niets anders is gesteld of gebleken, is de rechtbank van oordeel dat het ontbreekt aan een correcte verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 285 lid 1, aanhef en sub f, Fw.

12. Ondanks het vorenstaande zal de rechtbank verzoeker niet de dupe laten worden van de door Zuidweg en Partners en B.L. Menting gehanteerde onjuiste werkwijze, welke in beginsel tot gevolg heeft dat er opnieuw een minnelijk traject zou moeten worden opgestart. Hoewel hierbij terughoudendheid dient te worden betracht, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken bij dit verzoek in voldoende mate vaststaat dat een aantal schuldeisers, waarvan de vorderingen een substantieel deel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, zullen volharden in hun weigering om mee te werken aan een minnelijke schuldregeling. Evenmin is er voldoende uitzicht op het succesvol kunnen afdwingen van een gedwongen schuldregeling, gezien de gronden waarop een dergelijk verzoek vandaag reeds door de rechtbank is afgewezen. Dit maakt dat de rechtbank, ondanks het ontbreken van een (correcte) verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f Fw., toch tot inhoudelijke beoordeling van het verzoek toekomt.

13. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een inhoudelijke grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster]

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [postcode en woonplaats],

voorheen handelend onder de naam [X] VOF,

gevestigd te [vestigingsadres, postcode en plaats]

onder nummer [00000000];

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdprocedure is als bedoeld in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.M. Derijks,

en tot bewindvoerder C.J. van der Linden (Van der Linden c.s. B.V.),

correspondentieadres:

Postbus 187

3330 AD Zwijndrecht;

- stelt vast dat alle reeds gelegde beslagen komen te vervallen;

- kent aan de bewindvoerder voor de duur van de schuldsaneringsregeling een voorschot toe op het salaris ter hoogte van het bedrag als bedoeld in artikel 320,

lid 6 van de Faillissementswet en vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van 13 maanden.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2015 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach LL.B., griffier.

De behandelend juridisch medewerker is A.M.C. van der Zwan