Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15990

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
AWB 15/17794
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin-Hongarije; interstatelijk vertrouwensbeginsel; bewijslast

Het is in beginsel aan eiseres is om specifieke omstandigheden te relateren aan onderdelen van de betreffende landeninformatie. Eiseres heeft dit nagelaten, zodat zij niet aannemelijk heeft gemaakt wat de relevantie van deze informatie is voor haar concrete zaak, temeer nu eiseres, naar zij ter zitting desgevraagd heeft toegelicht, van opvatting is dat op papier het Hongaarse systeem voor de behandeling van asielaanvragen wel in orde is, maar dat het probleem is gelegen in de uitvoering in de praktijk, zonder dit laatste nader te onderbouwen. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Hongarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 15/17794,

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Mol (zitting 14 oktober 2015)

mr. R. Jonkman (zitting 22 oktober 2015)

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing van 15 oktober 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij faxbericht van 21 oktober 2015 heeft verweerder een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen een tolk in de Luganda taal.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres heeft zich op 9 juli 2015 gemeld in het aanmeldcentrum Ter Apel en zij

heeft op 11 juli 2015 een asielaanvraag ingediend.

1.2.

Op 9 juli 2015 zijn de vingerafdrukken van eiseres naar Eurodac verzonden. Uit

Eurodac is gebleken dat eiseres op 23 juni 2015 de buitengrens van de lidstaten op illegale wijze heeft overschreden via Hongarije en dat zij op 24 juni 2015 in Hongarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

1.3.

Verweerder heeft de Hongaarse autoriteiten op 30 juli 2015 verzocht om eiseres

terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening 604/2013. De Hongaarse autoriteiten hebben niet tijdig op dit terugnameverzoek gereageerd.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, onder verwijzing naar artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Hongarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder bij voormeld faxbericht van 21 oktober 2015 de antwoorden overgelegd van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 oktober 2015 op vragen van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie (kenmerk 2015Z162 2015C34379) en van de leden van de Tweede Kamer Voortman (nr. 2015Z16492), Gesthuizen, Sjoerdsma en Voordewind (nr. 2015Z16566) en Kuiken en Maij (nr. 2015Z16476).

3. Eiseres betoogt dat ten aanzien van Hongarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres verwijst in dit verband naar de zienswijze, waarin zij een beroep op de volgende landeninformatie heeft gedaan:

- een artikel van ABC News, ‘European migrant crisis: Hungary hits back at Austria’s criticism of Nazi-like asylum seekers policies’ van 13 september 2015;

- een verzoek om informatie van Tweede Kamerlid Gesthuizen van de SP van 11 september 2015 over de stand van zaken met betrekking tot Dublinclaims op Hongarije;

- een bericht van de website Nu.nl ‘Hongaarse politie pakt vluchtelingen op bij grens’ van 15 september 2015’;

- een verwijzing naar een vijftiental berichten van de website Nu.nl van onbekende datum.

In beroep heeft eiseres nog een beroep gedaan op twee uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 september 2015 (201506653/2/V3) en 23 september 2015 (201507322/2/V3). Daarnaast heeft eiseres verwezen naar de volgende landeninformatie:

- een bericht van VluchtelingenWerk Nederland op Vluchtweb ‘VN noemt situatie in Hongarije choquerend en onacceptabel’ van 15 september 2015;

- een rapport van de Hungarian Helsinki Committee ‘New asylum rules endanger access to protection’ van 7 augustus 2015;

- een artikel van The Guardian van 17 september 2015 ‘Hungary’s treatment of refugees is shocking and unacceptable, says UN’.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat dit anders is. Verder volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 21 januari 2011 (M.S.S. tegen België en Griekenland; nr. 30696/09, www.echr.coe.int) en de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR3771) dat bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land dienen te worden betrokken. Voorts vloeit uit het arrest in de zaak M.S.S. voort dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over een of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

3.2.

In de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3588) is overwogen dat de Hongaarse asielprocedure en de daarbij geboden voorzieningen enige tekortkomingen kennen, in het bijzonder waar het betreft de opvang- en leefomstandigheden, de beschikbaarheid van rechtsbijstand en de toegang tot effectieve rechtsmiddelen. Eveneens is in die uitspraak overwogen dat asielzoekers die hun eerste aanvraag indienen recht hebben op opvangvoorzieningen en gratis gezondheidszorg alsmede dat, alhoewel beperkt in aantal, rechtshulpverleners beschikbaar zijn en dat vreemdelingen tegen een afwijzend besluit beroep bij een rechter kunnen instellen. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door de overdracht van de betreffende vreemdeling aan Hongarije geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

3.3.

Ter zitting van 14 oktober 2015 heeft eiseres de rechtbank verzocht om de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak die de Afdeling naar aanleiding van de themazitting van 9 oktober 2015 zal doen en in welk kader de Afdeling bij uitspraken van 22 en 23 september 2015 verzoeken om voorlopige voorziening heeft toegewezen. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd, nu verweerder dit verzoek desgevraagd niet heeft onderschreven. In de situatie dat een van de partijen een verzoek om aanhouding niet onderschrijft, acht de rechtbank het in beginsel niet aangewezen een dergelijk verzoek te honoreren. Dit geldt temeer, nu de wetgever mede in het belang van verweerder en de betrokken vreemdeling onder de Vw 2000 korte termijnen voor de behandeling van beroepen als het thans aanhangige beroep heeft ingevoerd. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de ingebrachte stukken en het verhandelde ter zitting van 14 oktober 2015, heeft de rechtbank de zaak naar de meervoudige kamer van deze rechtbank verwezen en een verdere behandeling van het beroep ter zitting nodig geacht.

3.4.

Met betrekking tot de door eiseres aangehaalde stukken, genoemd onder 3, overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan eiseres is om specifieke omstandigheden te relateren aan onderdelen van de betreffende landeninformatie. Eiseres heeft dit nagelaten, zodat zij niet aannemelijk heeft gemaakt wat de relevantie van deze informatie is voor haar concrete zaak, temeer nu eiseres, naar zij ter zitting desgevraagd heeft toegelicht, van opvatting is dat op papier het Hongaarse systeem voor de behandeling van asielaanvragen wel in orde is, maar dat het probleem is gelegen in de uitvoering in de praktijk, zonder dit laatste nader te onderbouwen.

Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Hongarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

3.5.

Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 17 van Verordening 604/2013, omdat zij in Hongarije als alleenstaande, donkere vrouw negatief wordt bejegend, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in voormelde omstandigheid geen aanleiding behoeft te worden gezien om het asielverzoek van eiseres onverplicht aan zich te trekken. Eiseres heeft deze stelling immers niet nader onderbouwd en bovendien is met deze omstandigheid in het in paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid, waarin artikel 17 van Verordening 604/2013 nader is uitgewerkt, al rekening gehouden, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mr. A.P. Hameete en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.