Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
AWB 15/14012
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de aanvraag om in Nederland te blijven terecht is afgewezen. De man heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake was van een schijnrelatie, die is aangegaan met als enig oogmerk hem alsnog verblijfsrecht te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/14012

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam vreemdeling],

geboren op [geboortedatum] 1971,

van Pakistaanse nationaliteit,

V-nummer [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.G. Brands),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. ter Riet).15/14012

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van de procedure Toegang en Verblijf (TEV) afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij schrijven van 10 september 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Tevens was aanwezig mevrouw [referente] (referente). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder de onderhavige aanvraag heeft kunnen afwijzen omdat er volgens verweerder van de zijde van eiser sprake is van een schijnhuwelijk of schijnrelatie met als oogmerk het verkrijgen van verblijfsrecht in Nederland.

De rechtbank overweegt als volgt.

2. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Uit artikel 3.13, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, wordt verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22a genoemde voorwaarden.

Blijkens artikel 3.14, onder a en b, van de Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan:

a. de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

b. de vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een naar behoren geattesteerde duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners:

1°. niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en

2°. ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.

Blijkens paragraaf B7/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neemt verweerder aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als verweerder onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan verweerder de aanvraag afwijzen.

Verweerder wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.

3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de omstandigheden die uit het dossier blijken redelijkerwijs twijfel heeft mogen hebben aan de oprechtheid van de bedoelingen van eiser. Die twijfel kon verweerder baseren op de navolgende omstandigheden.

4. Eiser is in 2003 naar Nederland gekomen. Hij heeft hier tweemaal een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze zijn beide afgewezen. De laatste weigering dateert van 21 maart 2011. Deze besluiten zijn onherroepelijk.

Vervolgens heeft eiser medio 2012 verzocht om inschrijving van een huwelijksaangifte. Het betrof een voorgenomen huwelijk met mevrouw [naam 1] , een 37 jaar oudere weduwe. In het kader van een vermoeden van een schijnrelatie is eiser toen gehoord door de vreemdelingenpolitie. Uit het te dier zake ambtsedig opgemaakte proces-verbaal komt naar voren dat eiser (onder meer) heeft verklaard dat hij het verzoek om te trouwen had ingediend omdat zijn advocaat hem dat had geadviseerd omdat hij dan mogelijk een verblijfsvergunning zou kunnen krijgen.

Eiser heeft later gesproken met de ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze heeft van dat gesprek een verslag gemaakt en daarin het navolgende vermeld: “Ik wou eerst trouwen met een andere vrouw, mevrouw [naam 1] . Dit huwelijk is niet door gegaan want mevrouw is ziek geworden.” In het dossier bevindt zich ook een verklaring van mevrouw [naam 1] waarin zij verklaart niet langer in het huwelijk te willen treden met eiser.

Verweerder heeft hieruit kunnen afleiden dat eiser een verzoek tot huwelijksaangifte heeft gedaan voor een huwelijk met mevrouw [naam 1] en dat het voor hem duidelijk was dat er sprake was van een huwelijksaangifte. Voorts blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij dit heeft gedaan op het advies van zijn advocaat met de enkele bedoeling om op die manier een verblijfsvergunning te verkrijgen.

Deze huwelijksaangifte is nog voordat de ambtenaar van de burgerlijke stand daarop een beslissing kon nemen ingetrokken. Onduidelijk is op wiens initiatief dat is gebeurd.

Voorts blijkt uit het dossier dat eiser in september 2012 een relatie is aangegaan met referente. Ook in dit geval gaat het om een relatie met een vele jaren oudere vrouw. Referente is christen en eiser is van origine moslim. Eiser stelt dat hij via referente in contact is gekomen met het christelijk geloof en dat hij door het contact met referente is bekeerd tot dit geloof. Zowel eiser als referente zijn van mening dat ongehuwd samenwonen vanuit hun geloofsovertuiging niet is toegestaan. Toch zijn zij reeds enige maanden na aanvang van hun relatie gaan samenwonen. Zij hebben verschillend van elkaar verklaard over wie daartoe het initiatief heeft genomen. Eiser heeft verklaard dat dat zijn initiatief is geweest omdat hij geen woning meer had.

Begin november 2012 hebben eiser en referente een verzoek tot huwelijksaangifte gedaan. In dat verband heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand met beiden gesproken. Hij heeft op zijn vragen afwijkende antwoorden gekregen van eiser en referente, op grond waarvan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geweigerd het verzoek tot huwelijksaangifte te honoreren. Uiteindelijk heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 13 november 2014 (200.151.104/01) de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gelijk gesteld. Het gerechtshof heeft daartoe overwogen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft kunnen concluderen dat op basis van de omstandigheden van het geval en de door eiser en referente afgelegde en op punten tegenstrijdige en inconsistente verklaringen er sprake zou kunnen zijn van een schijnhuwelijk.

Eiser en referente zijn circa een maand na het hiervoor genoemde arrest afgereisd naar Pakistan, het land van herkomst van eiser. Eiser en referente zijn daar getrouwd. Ondanks dat beiden christen zeggen te zijn, zijn zij op grond van de Muslim Family Laws Ordinance 1961 met elkaar in het huwelijk getreden.

Vervolgens heeft eiser de thans in geding zijnde aanvraag gedaan.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen en het oordeel van het gerechtshof mede aan zijn besluit ten grondslag gelegd.

5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van vorenstaande omstandigheden, waarbij grote waarde dient te worden toegekend aan het onherroepelijke oordeel van het gerechtshof, redelijkerwijs grote twijfel heeft kunnen hebben aan de oprechtheid van de bedoelingen van eiser.

6. De rechtbank acht in dat verband nog van belang dat eiser het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 24 juli 2012 niet heeft bestreden. Ook niet ter zitting. Voorts heeft verweerder het bevreemdend kunnen vinden dat eiser en referente afreizen naar Pakistan. Te meer nu eiser en referente eerder hebben verklaard dat eiser uit veiligheidsoverwegingen niet terug kon keren naar Pakistan. Voorts heeft verweerder bevreemdend kunnen achten dat zij daar als christenen op grond van de Muslim Family Laws Ordinance 1961 met elkaar zijn getrouwd. Ook de rechtbank vraagt zich af waarom eiser en referente er voor hebben gekozen om te huwen op grond van een wet die niet op hen van toepassing is en waarom zij geen andere weg hebben bewandeld.

7. Ook de uitkomsten van het simultaan interview van 4 juni 2015 hebben bij verweerder de twijfels niet weggenomen. De rechtbank kan verweerder daarin volgen. In het geval dat de omstandigheden reeds zodanig zijn dat gerede twijfel bestaat over de oprechtheid van de bedoelingen van aanvrager, kan een enkele tegenstrijdigheid tijdens zo’n interview al voldoende zijn om tot een afwijzing te beslissen. In dit geval hebben eiser en referente verschillend geantwoord op een zeer feitelijke en vrij eenvoudige vraag, namelijk hoe vaak zij telefonisch contact met elkaar hebben. De antwoorden van beiden liggen ook voor de rechtbank te ver uit elkaar, namelijk referente heeft verklaard dat zij wel 3 maal daags met elkaar bellen en eiser heeft verklaard eenmaal per maand. De verklaring die zij voor die verschillende antwoorden hebben gegeven overtuigd niet. Eiser en referente hebben in bezwaar aangegeven dat zij hun telefoongedrag met hun telefoongegevens zouden kunnen onderbouwen. Zij hebben dat bewijs evenwel niet aangeboden en evenmin verzocht om aanhouding van het besluit op bezwaar tot zij die gegevens over konden leggen. Verweerder kan dan ook niet worden verweten dat hij niet op die gegevens heeft gewacht. In beroep hebben eiser en referente die gegevens alsnog overgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat dat tardief is.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde in geding er geen sprake was van een schijnrelatie die is aangegaan met als enig oogmerk hem alsnog verblijfsrecht te verschaffen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.