Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
AWB 15 / 8587
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2276, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, met de motivering zoals die thans is gegeven, niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet dermate bijzonder, individueel en onvoorzien zijn dat deze aanleiding zijn voor toepassing van artikel 17 van de Dublin III Verordening. Hierbij zijn de doelstellingen van de Dublinverordening, de gezondheidsklachten van de partner, de belangen van het kind en het gezin als zodanig meegewogen. Het bestreden besluit is mitsdien onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 8587

uitspraak van de rechtbank van 18 september 2015 op het beroep in de zaak tussen

[Naam], eiser

(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.D. Vleeshouwers)

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen bij uitspraak van 28 mei 2015. Hierbij is het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de uitspraak op het beroep.

Inzake het beroep heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Mongoolse nationaliteit. Uit de dossierstukken komt naar voren dat hij in 2005 van Mongolië naar Europa is gereisd. Via Rusland en Tsjechië kwam hij in Oostenrijk terecht, waar hij korte tijd verbleef. In december 2005 kwam eiser aan in België. In België heeft hij – met korte onderbrekingen – tot 2014 verbleven. Hij heeft in België meerdere (asiel)procedures doorlopen, die alle resulteerden in afwijzingen. In 2009 leerde eiser in Frankrijk zijn partner kennen. Zij is eveneens van Mongoolse afkomst. In 2010 kregen zij een zoon. Eiser, zijn partner en hun zoon woonden van ongeveer 2011 tot eind 2014 samen in België. Toen eiser in september 2014 wederom te horen kreeg dat hij België diende te verlaten, is hij met zijn gezin naar Nederland vertrokken. In Nederland hebben zowel eiser als zijn partner op 23 november 2014 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Voor de partner van eiser is een zogenoemde Dublinclaim bij Frankrijk neergelegd, welke claim is afgewezen. De partner was ten tijde van het sluiten van het onderzoek in afwachting van een beslissing op haar asielaanvraag. Voor eiser heeft verweerder een claim bij België neergelegd. De autoriteiten van België zijn gevraagd eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublin III Verordening). Zij hebben hiermee ingestemd op 4 december 2014.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser vervolgens afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

3. In geschil is kort samengevat of verweerder gehouden is de aanvraag zelf te behandelen op grond van de artikelen 16 en 17 van de Dublin III Verordening. Eiser heeft daarbij vooral gewezen op het feit dat hij niet van zijn gezin gescheiden wil worden en op de omstandigheid dat zijn zoon en partner van eiser afhankelijk zijn vanwege de gezondheidssituatie van de partner.

4. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Dublin III Verordening geldt – voor zover van belang – dat wanneer wegens een zwangerschap, pasgeboren kind, ernstige ziekte, zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, of het kind dat wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van verzoeker, de lidstaten er normaliter voor zorgen dat de verzoeker kan blijven bij dat kind op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.

5. Ingevolge artikel 17 van de Dublin III Verordening geldt - voor zover van belang - dat elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

6. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublin III Verordening zich hier niet voordoet. Voldoende is komen vast te staan dat de partner van eiser lijdt aan Lupus Erythematosus, een reumatische aandoening en auto-immuunziekte. Aannemelijk is verder dat, gelet op die aandoening, de hulp van eiser bij huishoudelijke taken en de verzorging van het kind zeer welkom is. De rechtbank is echter van oordeel dat er onvoldoende informatie voorhanden is die de conclusie rechtvaardigt dat sprake zou zijn van een “ernstige ziekte” van de moeder, waardoor het kind van eiser van hem afhankelijk is. De door eiser overgelegde stukken bieden daarvoor onvoldoende houvast. Deze stukken betreffen kort gezegd bevestigingen van afspraken bij artsen en informatie over de medicijnen die de partner gebruikt. Deze stukken geven weinig tot geen informatie over wat de partner van eiser nog kan en niet kan en in welke mate zij en hun kind van de zorg van eiser afhankelijk zijn. In zoverre faalt het beroep van eiser dan ook.

7. In de tweede plaats is in geschil of verweerder het verzoek van eiser op grond van artikel 17 van de Dublin III Verordening onverplicht aan zich moet trekken. Daarbij is de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat overdracht van eiser niet van onevenredige hardheid getuigt en ook niet dusdanig belastend is dat dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd.

8. Voor de beantwoording van die vraag spelen allereerst de doelstellingen van de Dublin III Verordening, zoals die uit de preambule blijken, een belangrijke rol: bij de toepassing van de Verordening dienen het belang van het kind, de eerbiediging familie- en gezinsleven en de eenheid van het gezin voorop te staan.

Verder dient gewicht te worden toegekend aan het feit dat de partner van eiser gezondheidsklachten heeft, die haar dagelijks leven beperken. In de uitspraak van de voorzieningenrechter (AWB 15/8589) is overwogen:

“Verzoeker heeft hierover ter zitting verklaard dat zijn partner slechte en betere dagen heeft. Op de slechte dagen blijft zij de hele dag in bed liggen. Verzoeker zorgt voor het huishouden (hij kookt bijvoorbeeld), verzorgt zijn partner en zorgt ervoor dat zijn zoontje naar school wordt gebracht en daar wordt opgehaald. Volgens de gemachtigde van verzoeker, die de partner van verzoeker heeft gezien, kan zij de rechterzijde van haar lichaam (door een soort verlammingsverschijnselen) niet of nauwelijks gebruiken. Ze heeft moeite met staan en lopen en kan haar rechter hand niet gebruiken.”

Er is geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Los van hetgeen onder 6. is overwogen, heeft eiser hiermee voldoende aangetoond dat zijn zoon een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van eiser heeft als gevolg van de gezondheidstoestand van de partner/moeder. Ook de partner zelf zal sterk leunen op de aanwezigheid van eiser.

In de derde en laatste plaats betrekt de rechtbank bij haar beoordeling het volgende. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat voorkomen moet worden dat men de bepalingen uit de Dublin III Verordening kan omzeilen door, eenmaal in Nederland, een gezin te gaan vormen met iemand die niet op grond van die Verordening kan worden overgedragen. Van die situatie is hier echter geen sprake. Onbestreden is immers dat eiser al sinds 2005 in Europa verblijft en hij sinds 2009 een relatie met zijn partner heeft. Vast staat ook dat zij ten minste drie jaar lang samen met hun zoon in België hebben gewoond en dat zij samen naar Nederland zijn gekomen om hier asiel aan te vragen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, met de motivering zoals die thans is gegeven, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet dermate bijzonder, individueel en onvoorzien zijn dat deze aanleiding zijn voor toepassing van artikel 17 van de Dublin III Verordening. Het bestreden besluit is mitsdien onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet om proceseconomische redenen (de mogelijke samenloop met de asielprocedure van de partner) geen reden voor toepassing van de bestuurlijke lus.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 september 2015.

w.g. E.M.J. Clermonts,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 september 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.