Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2779
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zekerheidsstellingen door DGA voor leningen niet zakelijk. Verliezen uit hoofde van die zekerheidsstellingen komen niet in mindering op het belastbare inkomen uit werk en woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/805
V-N 2016/24.17.4
AR 2016/1117
FutD 2016-0975
NTFR 2016/1210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/2779

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: drs. W.G. Zandvliet),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.350. Bij beschikking is daarbij aan eiser € 647 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

De onderhavige zaak is ter zitting tegelijk behandeld met de zaak van eiser met nummer SGR 15/2778 en met de zaken van de echtgenote van eiser met de nummers SGR 15/2778 en SGR 15/2780.

Eiser en verweerder hebben beiden ingestemd met de behandeling door rechtbank Den Haag.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is enig aandeelhouder van [X] B.V. ([X BV]) die op haar beurt enig aandeelhouder is van [Y] B.V. ([Y BV]), [Z] B.V. en [Q] B.V. Daarnaast is [X BV] voor 51% aandeelhouder van [R] B.V..

2. Voor de financiering van bovengenoemde vennootschappen heeft eiser gelden geleend van de [bank] (de bank). Eiser heeft daarvoor aan de bank rechten van hypotheek verleend op privépanden voor respectievelijk € 850.000, € 100.000 en € 200.000. Voorts heeft eiser zich op verzoek van de bank ten behoeve van deze financiering borg gesteld voor een bedrag van € 250.000.

3. Eiser heeft zich daarnaast ten behoeve van [Y BV] borg gesteld voor een schuld van [X BV] van € 60.000, die is ontstaan bij de overname van [S] B.V., waarbij [X BV] een gedeelte van de koopsom schuldig is gebleven.

4. In 2010 zijn de vennootschappen failliet gegaan.

5. De bank heeft onroerende zaken van eiser waarop hypotheek was verleend, verkocht. Met de opbrengst is de vordering van de bank op de vennootschappen van in totaal € 540.493 geheel afgelost. Eiser is door de bank niet als borg aangesproken.

6. Eiser is wel als borg aangesproken door [Y BV]. Via loonbeslag is het restant van de schuld (€ 56.678) op eiser verhaald.

7. Eiser heeft in zijn aangifte een verlies in aanmerking genomen van € 125.000 voor de borgstelling ten behoeve van de bank en van € 29.340 voor de borgstelling ten behoeve van

[Y BV].

8. Verweerder heeft bij de vaststelling van de aanslag deze verliezen gecorrigeerd.

Geschil 9. In geschil is of eiser verliezen uit hoofde van de borgstellingen ten laste van zijn belastbare inkomen uit werk en woning kan brengen

Beoordeling van het geschil

10. Uit de in 5. vermelde feiten blijkt dat eiser niet als borg is aangesproken door de bank. Reeds daarom kan geen verlies uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van de bank in aanmerking worden genomen.

11. Wel staat vast dat eiser een recht van hypotheek heeft verleend aan de bank op aan hem in privé toebehorende panden en dat de bank dit recht van hypotheek ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend. Aangezien het verlenen van een hypotheekrecht ook een vorm van zekerheidsstelling is, zal de rechtbank beoordelen of eiser uit dien hoofde een verlies in aanmerking kan nemen. Dit laatste is slechts het geval indien de zekerheidsstelling zakelijk is (vgl. Hoge Raad 12 december 2003, nr. 38124, ECLI:NL:HR:2003:AH8973).

12. De rechtbank overweegt dat voor beantwoording van de vraag of die zekerheidsstelling zakelijk is, beslissend is of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde zekerheid te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden (Hoge Raad 17 oktober 2014, nr. E14/00995, ECLI:NL:HR:2014:2984). Het is aan eiser om aannemelijk maken dat daarvan in dit geval sprake is. Hierin is eiser niet geslaagd.

13. Eiser is wel aangesproken voor de borgstelling ten behoeve van [Y BV]. Voor het antwoord op de vraag of het in verband hiermee voldane bedrag als verlies in aanmerking mag worden genomen, is bepalend of de borgstelling zakelijk is. Eiser heeft dat ook in dit geval niet aannemelijk gemaakt.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het verlies uit borgstelling terecht door verweerder gecorrigeerd.

15. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Aan de beantwoording van de vraag of de terbeschikkingstelling van de bedrijfshal aan [X BV] in 2010 is geëindigd, komt de rechtbank niet toe. Die vraag zal aan de orde kunnen komen in een eventuele procedure over de navorderingsaanslag die aan eiser is opgelegd.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali , voorzitter, en mr. T. van Rij en mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.