Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15951

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
SGR 15/5778
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9743, van oordeel dat verweerder op grond van de belastingaangiftes van eiser ervan heeft mogen uitgaan dat het onroerend goed een bestanddeel vormde van het vermogen waarover eisers in de periode in geding hebben beschikt of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken. Doordat eisers ten onrechte niet hebben gemeld dat zij over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Turkije beschikten, hebben eisers de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder was bevoegd om de bijstand over de periode in geding in te trekken en bevoegd de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder van die bevoegdheden in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/5778

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), te [woonplaats], gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. W. Kort),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S. Teunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eisers toegekende uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2007 en de over die periode te veel aan eisers verstrekte uitkering ten bedrage van € 147.644,16 van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig zou zijn ingediend. Het beroep van eisers tegen het besluit van 29 oktober 2012 is door deze rechtbank bij uitspraak van 8 april 2014 (SGR 12/10777) ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:572 geoordeeld dat eisers ten onrechte niet zijn ontvangen in hun bezwaar. Verweerder is opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 13 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eisers hebben gedurende de periode 15 november 1994 tot en met 31 mei 2007 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden ontvangen.

1.2

Op 19 juli 2011 ontving verweerder een melding van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), gedateerd 15 juni 2011. De melding hield in dat uit door de SVB verricht rechtmatigheidsonderzoek naar de door eisers ontvangen aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) is gebleken dat eisers sinds 1988 een woning in Turkije bezaten, waarvan de waarde is vastgesteld op minimaal € 182.725,-.

1.3

De melding van de SVB is voor verweerder aanleiding geweest voor nader onderzoek. Daartoe heeft verweerder het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) gevraagd onderzoek te verrichten naar het bezit van onroerende zaken van eisers in Turkije. Daarbij heeft verweerder verzocht om een beschrijving van de aard van de onroerende zaken, de locatie daarvan en de waarde op respectievelijk de verwervingsdatum, de datum van ingang van de bijstandsuitkering en de datum van het onderzoek. Het IBF heeft op zijn beurt het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (hierna: Bureau Sociale Zaken) ingeschakeld.

1.4

Het Bureau Sociale Zaken heeft op 24 november 2011 verslag aan verweerder uitgebracht en daarbij tevens gevoegd het in opdracht van de SVB op 7 april 2011 opgestelde onderzoeksverslag. Uit de onderzoeksverslagen blijkt – voor zover hier van belang – het volgende. Eiser beschikte van 1988 tot 6 januari 2011 over onroerende zaken. De onroerende zaken betreffen twee werkplaatsen/winkelruimten en zeven woningen/appartementen, die zich alle in hetzelfde pand bevinden. De winkels en appartementen zijn enkele jaren na verwerving in fasen opgeleverd. De onroerende zaak in 1988 betreft een perceel bouwgrond van 605 m2. Op de ingangsdatum van de bijstandsuitkering bevonden zich een woning (120 m2) en een winkel (140 m2) op het perceel, opgeleverd op 1 januari 1993. De andere woningen en winkel zijn in de loop van de volgende jaren opgeleverd (vijf woningen in 1996, een woning in 2003 en een winkel in 2004). Het complex, dat in totaal vijf verdiepingen telt, is gelegen in de gemeente [gemeente], een deelgemeente van Istanbul. Op naam van eiser is in 2011 een belastingaangifte ingediend bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [gemeente]. De belastingwaarde van de onroerende zaken is voor het jaar 2011 vastgesteld op een totaal van € 182.725,-. Op 21 november 2011 is de verkoopprijs van de onroerende zaken door makelaar [makelaar] per die datum getaxeerd op € 486.000,-. In de onderzoeksverslagen is ook opgenomen dat door een medewerker van de afdeling onroerende zaakbelasting is gemeld dat het onroerend goed op 6 januari 2011 is verkocht aan een persoon genaamd [persoon A].

1.5

Verweerder heeft eisers bij brieven van 20 juni 2012 en 20 juli 2012 gevraagd om nadere informatie aan te leveren over de onroerende zaken. Daarbij is gevraagd om onder meer een kopie van de koopakte, een kopie van de eventuele hypotheekakte en bewijzen van huurinkomsten vanaf 1994 tot en met 2007. Eisers hebben niet op deze verzoeken gereageerd.

1.6

Voornoemde onderzoeksbevindingen hebben tot het primaire besluit van
16 augustus 2012 geleid. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers gedurende de periode 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2007 hebben beschikt over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Turkije, dat zij daarvan geen mededeling hebben gedaan aan verweerder en evenmin in een later stadium daaromtrent inlichtingen hebben verschaft, en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Voorts is de over die periode te veel aan eisers verstrekte uitkering, inclusief ontvangen bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslagen, ten bedrage van € 147.644,16 van hen teruggevorderd.

2. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en voeren daartoe het volgende aan. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers in bezwaar. Reeds op die grond moet het beroep gegrond worden verklaard. Naast dit formele punt zijn eisers om de volgende redenen van mening dat de intrekking en terugvordering van de bijstand niet in stand kunnen blijven. Eisers stellen zich primair op het standpunt dat uit de belastingaangiftes niet de eigendom van de woning kan worden afgeleid. Uit de stukken blijkt geenszins waaruit de eigendom van enige onroerende zaak in Turkije zou moeten blijken. Subsidiair zijn eisers van mening dat niet door verweerder is aangetoond dat eisers bij het aanvragen van de uitkering geen melding hebben gemaakt van onroerende zaken. Daarmee is niet aangetoond dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en daarom kan eisers niet het verwijt worden gemaakt dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Voorts blijkt uit de beslissing van verweerder niet wat de schuldenpositie van eisers was ten tijde van de bijstandsaanvraag. Het is niet ondenkbaar dat bij aanvang van de bijstand sprake was van aanzienlijke schulden. Dit is van belang voor de vraag of het vermogen van eisers boven de vermogensgrens lag.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 21 april 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358), dienen, als bij verandering van wetgeving geen specifieke bepalingen van overgangsrecht zijn getroffen, de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. Voor de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2004 is dat de Algemene bijstandswet (Abw) en vanaf 1 januari 2004 is dat de Wwb.
Uit diezelfde uitspraak volgt voorts dat het bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstand, voor zowel de periode voorafgaand aan als vanaf de inwerkingtreding van de Wwb, ontleent aan de artikelen 54, 58 en 59 van de Wwb.

3.2

Met ingang van 1 januari 2015 is artikel I van de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden (Stb. 2014, 270). Daarbij is onder meer de Wwb gewijzigd en ondergebracht in de Participatiewet. Omdat het bezwaarschrift is ingediend vóór inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet, is ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet op deze zaak de Wwb van toepassing.

3.3

Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Sanctiewet) in werking getreden. Deze wet introduceert in de Wwb een terugvorderingsverplichting van bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitgekeerd bij schending van de inlichtingenverplichting. Vóór 1 januari 2013 was dit een bevoegdheid van verweerder. De rechtbank stelt vast dat het in dit geval om een vordering als bedoeld in artikel 58 van de Wwb gaat en dat op deze zaak, gelet op het overgangsrecht van artikel XXV, zesde lid, van de Sanctiewet het recht van toepassing is zoals dat luidde tot 1 januari 2013. De vordering is immers vóór deze datum ontstaan.

3.4

Artikel 17, eerste lid, van de Wwb (tot 1 januari 2004, artikel 65, eerste lid, van de Abw) verplicht de belanghebbende op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

3.5

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wwb (voorheen artikel 26, eerste lid, van de Abw) heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

3.6

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wwb (voorheen artikel 42 van de Abw) worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken tot de middelen gerekend.

3.7

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb, voor zover hier van belang, kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

3.8

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan hiervan worden afgeweken. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan van het horen worden afgezien als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Verweerder heeft voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op die grond van een hoorzitting afgezien. Uit de stukken volgt evenwel dat eisers binnen de hen verleende termijn schriftelijk hebben aangegeven gehoord te willen worden. Derhalve had verweerder niet op de door hem aangevoerde grond van een hoorzitting mogen afzien. Dit is ter zitting ook door de gemachtigde van verweerder erkend. De beroepsgrond van eisers slaagt dan ook, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht.

4.2

De rechtbank zal vervolgens uit een oogpunt van finale geschilbeslechting bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. In de eerste plaats stelt de rechtbank daartoe vast dat eisers in beroep voldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt toe te lichten. Voorts wordt het volgende overwogen.

4.3

De primaire beroepsgrond van eisers ten aanzien van de intrekking en terugvordering van bijstand komt erop neer dat verweerder uit de belastingaangiftes voor de onroerende zaakbelasting niet de conclusie had mogen trekken dat eiser sinds 1988 eigenaar was van onroerende zaken in Turkije. Er is geen uittreksel van het register waaruit de eigendom zou blijken. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Zoals in 1.4 reeds overwogen, zijn op naam van eiser belastingaangiftes ingediend bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [gemeente]. Ter zitting heeft verweerder in dat verband een beroep gedaan op de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9743. In die uitspraak heeft de CRvB, onder verwijzing naar een “toelichting onroerende zaakbelasting in Turkije” van de aan de Nederlandse ambassade in Turkije verbonden attaché Sociale Zaken, overwogen dat als belastingplichtige voor de onroerende zaakbelasting in Turkije wordt aangemerkt de eigenaar, de vruchtgebruiker van het gebouw of, indien deze twee ontbreken, degene die over het onroerend goed mag beschikken als ware hij eigenaar. De CRvB heeft tegen die achtergrond geoordeeld dat een aangifte onroerende zaakbelasting door de belastingplichtige in Turkije een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat de aangegeven onroerende zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover de belastingplichtige heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De rechtbank is, onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de CRvB, van oordeel dat verweerder op grond van de belastingaangiftes van eiser ervan heeft mogen uitgaan dat de zeven woningen en twee werkplaatsen een bestanddeel vormden van het vermogen waarover eisers in de periode in geding hebben beschikt of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken.

In een dergelijke situatie is het aan eisers om aannemelijk te maken dat de onroerende zaken desondanks geen bestanddeel vormden van hun vermogen. Daarin zijn eisers niet geslaagd. De enkele stelling van eiser dat hij niet begrijpt hoe de belastingaangifte van 2011 op zijn naam is komen te staan, is daartoe onvoldoende.

4.4

De subsidiaire beroepsgrond van eisers ten aanzien van de intrekking en terugvordering van bijstand slaagt evenmin. Uit de stukken blijkt dat eisers bij de aanvraag om bijstand en bij de heronderzoeken aan verweerder nimmer uit eigen beweging hebben meegedeeld dat zij over onroerende zaken beschikten. Op de vraag of zij over onroerende zaken beschikten, hebben zij namelijk steeds ontkennend geantwoord. Ook op de door verweerder gedane uitdrukkelijke schriftelijke verzoeken om inlichtingen hebben zij niet gereageerd.

Uit het voorgaande volgt dat eisers ten onrechte niet hebben gemeld dat zij vermogen hadden in de vorm van onroerende zaken in Turkije. Door dit na te laten hebben eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de betrokkene recht heeft op bijstand. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand bestond. Eisers zijn daarin niet geslaagd. Voor zover er ten tijde van de aanvraag sprake zou zijn geweest van aanzienlijke schulden is het aan eisers om het bestaan hiervan aannemelijk te maken. Bij gebrek aan onderbouwing van dit standpunt kan dit betoog niet slagen.

4.5

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb in te trekken over de in geding zijnde periode van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2007. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in het geval van eisers niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hieruit volgt tevens dat verweerder bevoegd was de ten onrechte verstrekte bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wwb terug te vorderen. Ook ten aanzien van deze bevoegdheid is er geen grond voor het oordeel dat verweerder daarvan niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.

5. De rechtbank ziet, gelet op wat hiervoor in 4.3 en 4.4 is overwogen, aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Voornoemde kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. H.P.M. Meskers en mr. A.L. Frenkel, leden, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.

orzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.