Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
496918 FT RK 15-2031
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer van schuldeiser Hoist dat zij als buitenlandse vennootschap met aan haar gecedeerde vordering niet aan dwangakkoord ex art. 287a van de Faillissementswet (Fw) kan worden gebonden.

Dwangakkoord is voorziening in Fw om opening van insolventieprocedure in zin van art. 16 InsVo te voorkomen. Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe, want betreft in Nederland woonachtige schuldenaar en vordering vloeit voort uit met Nederlandse vennootschap gesloten overeenkomst. Schuldenaar geen partij bij cessie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0108
AR 2016/432
RI 2016/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/496919 / FT RK 15/2031

vonnis van 10 december 2015


in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

tegen

1 Vodafone, gevestigd te Maastricht,

2. ING N.V, gevestigd te Leeuwarden en

3. Hoist Portfolio Holding Ltd.gevestigd te St Helier (Jersey), (vertegenwoordigd door AGC)

verweersters.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als ‘Verzoekster’ en verweersters als ‘Vodafone, ‘ING’ en ‘Hoist’.

1 De procedure

1.1

Op 24 september 2015 heeft Verzoekster tegelijk met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt dat de rechtbank verweersters op de voet van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) zal bevelen in te stemmen met een door een Verzoekster aangeboden schuldregeling (“dwangakkoord”).

1.2

Bij schrijven (e-mail) van 3 november 2015 heeft ING bericht geen vordering (meer0 te hebben op verzoekster. Namens verzoekster heeft haar schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag hierop te kennen gegeven dat het verzoek zich niet langer richt tegen ING.

1.3

Op 30 november 2015 heeft deurwaarderskantoor AGC namens Hoist een verweerschrift ingediend.

1.4

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. Verzoekster is ter terechtzitting verschenen en gehoord. Vodafone en Hoist zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

1.5

De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat in deze zaak uit van het volgende.

2.1

Verzoekster is een alleenstaande vrouw met een meerderjarige, inwonende dochter. Blijkens de bij haar verzoekschrift gevoegde verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw is zij na haar echtscheiding in 2002 als gevolg van een terugval in inkomsten, gezondheidsproblemen (hersenbloedingen) en loonbeslagen steeds verder in de financiële problemen geraakt. Volgens de overgelegde schuldenlijst kampt zij momenteel met een totale schuldenlast van € 35.996,06 aan vijftien schuldeisers.

2.2

Tot deze schuldeisers behoren Vodafone en Hoist met vorderingen ter grootte van resp.

€ 409,02 en € 14.104, 31. Deze vorderingen belopen daarmee 1,14% en 39,18% van de totale schuldenlast.

2.3

De vordering van Hoist vloeit voort uit een kredietovereenkomst (doorlopend krediet) die verzoekster in 2004 heeft gesloten met De Nederlandse Voorschotbank B.V. te Amsterdam. In oktober 2013 heeft De Nederlandse Voorschotbank haar vordering op verzoekster verkocht en geleverd aan Hoist. Van deze cessie is begin 2014 mededeling aan verzoekster gedaan. De vordering van Vodafone betreft, naar de rechtbank begrijpt, een openstaande telefoonnota.

2.4

Volgens de schuldenlijst behoort tot de schuldenlast voorts een schuld aan Wehkamp ter grootte van € 5.000,-. Bij brief van 13 juli 2015 heeft Wehkamp evenwel bericht dat haar vordering op verzoekster is voldaan en dat zij niets meer van verzoekster te vorderen heeft.

2.5

In verband met haar financiële problemen heeft verzoekster zich gewend tot de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag. Bij brief van
3 juli 2015 heeft de gemeente namens verzoekster aan alle bekende schuldeisers een voorstel voor een minnelijke regeling voorgelegd, inhoudende dat aan alle concurrente schuldeisers over een periode van 36 maanden – naar verwachting – 25,07% van hun vordering zal worden voldaan, zulks tegen finale kwijting. De bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting vermeldt dat verzoekster een maandelijks inkomen heeft van € 2.208,09 en dat voor haar een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.977,17, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is van € 230,92.

2.6

Volgens een door de gemeente opgesteld vergelijkend overzicht zal bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in verband met de daaraan verbonden kosten na drie jaar niets ter verdeling onder de schuldeisers resteren.

2.7

Met uitzondering van Vodafone en Hoist hebben alle schuldeisers het aanbod van verzoekster aanvaard.

2.8

Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat Verzoekster ten tijde van de aanbieding van het akkoord een inkomen had uit fulltime werk. Inmiddels is dat met ongeveer € 400,-- per maand gedaald door ziekte.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat Vodafone en Hoist in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van hun medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat zij zich in een problematische schuldenpositie bevindt waar zij zonder tegemoetkoming van haar schuldeisers niet uit kan komen. Het door haar aangeboden akkoord is voor haar het maximaal haalbare en is door het merendeel van haar schuldeisers aanvaard.

3.2

Vodafone heeft haar weigering niet gemotiveerd.

3.3

Het verweer van Hoist houdt in de eerste plaats in dat zij ‘juridisch gezien’ niet kan worden gebonden aan een dwangakkoord op de voet van art. 287a Fw nu zij een vennootschap naar vreemd recht is en gevestigd is te Jersey. Een eventueel dwangakkoord kan dan ook ten opzichte van haar niet gelden aangezien een dergelijk akkoord niet valt onder de automatische erkenning van art. 16 van de Europese Insolventieverordening. Daarnaast heeft zij inhoudelijk aangevoerd dat verzoekster niet het maximaal haalbare heeft aangeboden, omdat zij ten onrechte een correctie voor betaald kostgeld heeft opgevoerd in de berekening van het vtlb. Voorts heeft Hoist een aanzienlijk aandeel in de totale schuldenlast, zodat aan haar weigering een groot gewicht moet worden toegekend. Tot slot biedt een wettelijke regeling meer zekerheid voor nakoming vanwege de controle door een bewindvoerder en zou toewijzing van het verzoek precedentwerking kunnen hebben, wat onwenselijk zou zijn, aldus Hoist

4 De beoordeling

4.1

Het verweer van Hoist dat zij als buitenlandse vennootschap niet aan een dwangakkoord op de voet van art. 287a Fw kan worden gebonden, wordt verworpen. Op zichzelf is juist dat een dergelijk dwangakkoord niet kan worden aangemerkt als een insolventieprocedure in de zin van art. 16 van de Europese Insolventieverordening. In het systeem van de Faillissementswet is het integendeel een voorziening die tot doel heeft de opening van een dergelijke procedure te voorkomen. Dat wil echter niet zeggen dat de Nederlandse rechter Hoist niet zou kunnen dwingen eveneens in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het gaat hier immers om een in Nederland woonachtige schuldenaar terwijl de vordering waarvan Hoist de schuldeiser is, voortvloeit uit een met een Nederlandse vennootschap gesloten overeenkomst. Bij die stand van zaken komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en zal Hoist een eventueel vast te stellen dwangakkoord in elk geval in Nederland tegen zich moeten laten gelden. De rechtbank voegt daaraan meer algemeen nog toe dat het ook niet zo kan zijn dat een schuldenaar louter ten gevolge van een cessie van een vordering aan een buitenlandse partij – bij welke cessie hij verder geen partij is – geen beroep meer zou kunnen doen op art. 287a Fw (vgl. ook Rechtbank Limburg 19 december 2014, ECLI:2015:575).

4.2

Nu alle overige schuldeisers het aanbod hebben geaccepteerd, staat de rechtbank voor de vraag of Vodafone en Hoist gedwongen kunnen worden daar ook mee in te stemmen. Dit vergt een belangenafweging, waarbij voorop dient te staan dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente,

wordt voldaan. Voor een dwangakkoord zoals hier verzocht is daarom pas plaats indien sprake is van een zodanige onevenredigheid tussen het belang dat Vodafone en Hoist hebben bij hun weigering en het belang van Verzoekster en de overige schuldeisers bij totstandkoming van het akkoord, dat moet worden gezegd dat Vodafone en Hoist in redelijkheid niet (langer) tot deze weigering hebben mogen komen.

4.3

Bij deze belangenafweging, die neerkomt op de vraag of misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt, zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012. LJN BY069. nr. 2.6. e.v.):

[…]

- is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

- is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor dc schuldenaar;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de

schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of

meer zal ontvangen;

- wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft hij volledige

nakoming;

- hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

- staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling

instemmende schuldeisers.

4.4

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

4.5

Zoals hiervoor reeds werd overwogen, houdt het door verzoekster aangeboden akkoord in dat de schuldeisers naar verwachting 25,07% van hun vordering uitgekeerd zullen krijgen. Dit lijkt substantieel, maar betekent tegelijkertijd dat van Vodafone en Hoist wordt gevraagd maar liefst 74,93% van hun vordering prijs te geven. Zeker in het geval van Hoist, die met haar vordering bijna de helft van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, is daarmee een fors financieel belang gemoeid. Om een dergelijke forse gedwongen afschrijving te kunnen rechtvaardigen dient dan ook ten minste vast te staan dat het thans voorliggende voorstel daadwerkelijk het uiterste is waartoe Verzoekster in staat is. Dat is echter onvoldoende duidelijk, aangezien Hoist naar het oordeel van de rechtbank terecht vraagtekens plaatst bij de berekening van het vtlb, in het bijzonder bij de gehanteerde correctie met een forfaitair bedrag in verband met de kosten van de inwonende dochter. Verzoekster heeft niet kunnen uitleggen waarop die berekening precies is gebaseerd en hoe die tot stand is gekomen. Voorts is gebleken dat Verzoekster op dit moment aanzienlijk lagere maandelijkse inkomsten heeft dan waarvan in het aanbod is uitgegaan, terwijl daarnaast onduidelijk is of de in het aanbod meegenomen vordering van Wehkamp nog wel bestaat. De rechtbank kan schuldeisers niet dwingen akkoord te gaan met dergelijk voorstel. Zij zal reeds hierom het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord afwijzen.

4.6

Nu de primair verzochte dwangregeling wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op dat verzoek zal in een afzonderlijk vonnis worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven.

Gewezen door mr. J.A. van Dorp, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

10 december 2015 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.