Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15883

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
AWB 14/22829 & 14/18490
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw. Verweerder dient het BMA te verzoeken zich nader uit te laten over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare behandeling in het land van herkomst.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de behandelaars van eiseres voldoende hebben geconcretiseerd hoe de door haar ervaren angst voor de behandelaars in Armenië, in relatie tot haar psychische klachten, bestaande uit herbelevingen en het verlies van het vermogen om onderscheid te kunnen maken tussen realiteit en haar herbelevingen, ook al is deze angst subjectief, thans objectief gezien een effectieve voortzetting van de behandeling van de klachten van eiseres in het land van herkomst in de weg staat. Uit de verklaring van de behandelaars blijkt immers dat eiseres de vrees heeft dat de behandelaars in Armenië hun beroepsgeheim niet zullen respecteren en belastende informatie over haar traumatische ervaringen door zullen spelen aan de autoriteiten of haar familie, van wie zij eerwraak vreest, hetgeen objectief gezien een effectieve behandeling in de weg kan staan, nu volgens de behandelaars de door eiseres ervaren onveiligheid rechtstreeks betrekking heeft op de behandeling en de behandelaars in Armenië. Verweerder is, teneinde aan zijn vergewisplicht te voldoen, derhalve gehouden om het BMA te verzoeken zich nader uit te laten over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, of, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, over gerede twijfel daarover.

Verweerder heeft meegedeeld aanleiding te zien om het geconstateerde gebrek te herstellen, maar heeft niet binnen de hem in de tussenuitspraak gegeven termijn aan de rechtbank bericht op welke wijze het gebrek is hersteld. In de einduitspraak heeft de rechtbank daarom onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/22829 (beroep)

AWB 14/18490 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit,

eiseres, verzoekster

hierna te noemen eiseres,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verweerder te verbieden eiseres uit te zetten totdat op het bezwaarschrift is beslist.

Bij besluit van 3 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht het petitum van het verzoek om een voorlopige voorziening op te vatten als dat thans wordt verzocht verweerder te verbieden haar uit te (doen) zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het Bureau Medische Advisering van de IND (hierna: het BMA) heeft op 6 augustus 2014 een advies aan verweerder uitgebracht. Blijkens dat advies is uit informatie van de behandelaars van eiseres naar voren gekomen dat sprake is van een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressie, eenmalig, matig. Zij heeft last van herbelevingen, dissociatieve klachten en intrusieve beelden van traumatische ervaringen. Zij functioneert op een zeer matig niveau, kan dagelijkse activiteiten met veel moeite naar behoren plannen en uitvoeren. Medicatie heeft een zeer matig resultaat. Zij heeft op 2 juni 2014 tentamen suïcide gedaan. Verder is zij bekend met hartkloppingen en een benauwd gevoel op de borst. Eiseres wordt behandeld met therapie en medicatie.
Gelet op het bovenstaande is een medische noodsituatie op korte termijn bij uitblijven van behandeling niet uit te sluiten. Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie concludeert de medisch adviseur dat psychiatrische en psychologische behandeling in het land van herkomst aanwezig is, onder andere in het Psychiatric Medical center te Yerevan. Huisartsenzorg is aanwezig in Primary Health Care centers/polyclinics te Yerevan. Daarnaast is adequate medicatie beschikbaar in het land van herkomst.
Voorts is eiseres in staat om te reizen met gangbare vervoermiddelen. Enige medische voorziening is daarbij noodzakelijk. Zo dient de medicatie tijdens de reis te worden gecontinueerd en wegens suïcidaliteit wordt medische begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige geadviseerd die ook de medicatie in beheer heeft. Tevens dient eiseres een schriftelijke medische overdracht (Europees medisch paspoort, EMP) mee te nemen ter informatie voor de toekomstige behandelaar.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit voornoemd BMA-advies blijkt dat eiseres, onder voorwaarden, in staat is om te reizen. Bij terugkeer naar het land van herkomst is geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten omdat aldaar adequate behandelmogelijkheden voor eiseres aanwezig zijn. Zij komt daarom niet voor toepassing van artikel 64 Vw in aanmerking.

3. Eiseres voert aan dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies van 6 augustus 2014. Daartoe verwijst zij naar de door haar overgelegde brieven van haar behandelaars, mevrouw [naam 1] , GZ-psycholoog, en de heer [naam 2] , psychiater, en mevrouw [naam 3] , psycholoog, van 10 juli 2014 en respectievelijk 25 juni 2014, en de brief van de voormalige behandelaar, dr. [naam 4] , GGZ-arts, van 18 oktober 2013. Zij geven aan dat het, gelet op het toestandsbeeld van eiseres, van belang is dat haar omgeving zo stabiel mogelijk is om te voorkomen dat haar klachten verergeren en dat de actuele PTSS-klachten uit specifieke traumatische ervaringen in het land van herkomst voortkomen. Hiermee geven de behandelaars, met andere woorden, de noodzaak aan van het bestaan van een als veilig ervaren behandelomgeving. Het BMA had daarom nader onderzoek moeten verrichten naar de noodzaak van een veilige behandelomgeving en de gevolgen van het ontbreken daarvan voor de effectiviteit van de in medisch-technisch opzicht aanwezige behandelingsmogelijkheden voor PTSS in het land van herkomst, te meer nu de BMA-adviseur in zijn advies uitdrukkelijk onderkent dat eiseres last heeft van herbelevingen, dissociatieve klachten en intrusieve beelden van traumatische ervaringen.
Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een brief van 4 december 2014 overgelegd van de behandelaars [naam 1] en [naam 2] voornoemd, waarin de traumaveroorzakende gebeurtenissen worden omschreven en gemotiveerd wordt dat, gezien de benoemde ervaringen, eiseres de behandelaars in Armenië als onveilig ervaart, omdat zij niet erop vertrouwt dat deze hun beroepsgeheim zullen respecteren en dat zij vreest dat belastende informatie bij de autoriteiten terechtkomt, dan wel bij familieleden die zich tot eerwraak verplicht zullen voelen.

3.1

Verweerder stelt zich ten aanzien van de brieven van de behandelaars van eiseres van 10 juli 2014, 25 juni 2014 en 18 oktober 2013 op het standpunt dat de inhoud van die brieven niet voldoet aan de voorwaarde, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG), op grond waarvan het BMA gehouden is zich uit te laten over gerede twijfel aan de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst.
Ten aanzien van de brief van de behandelaars van eiseres van 4 december 2014 stelt verweerder zich op het standpunt dat deze brief evenmin concrete op de aard van het ontstaan van de psychische klachten van eiseres toegespitste uiteenzetting bevat over het te verwachten verloop van een voort te zetten behandeling in Armenië. Zo wordt hierin niet geconcretiseerd waarom behandeling in heel Armenië niet mogelijk zou zijn en op welke wijze de gebeurtenissen die zich in het verleden zouden hebben voorgedaan in de weg staan aan een effectieve behandeling aldaar. De overweging dat voor eiseres Armeense behandelaars, die in de Armeense context als gezagdragend worden beschouwd, door haar als onveilig worden ervaren en het niet door haar erop kunnen vertrouwen dat de behandelaars hun beroepsgeheim zullen respecteren, is volgens verweerder niet als een zodanige concretisering aan te merken. Verweerder merkt hiertoe op dat de behandelaars van eiseres verzuimen aan te geven hoe de in de brief genoemde aspecten, die als subjectief ervaren onveiligheid zijn aan te merken, thans objectief gezien een effectieve voortzetting van de behandeling van de klachten van eiseres in het gehele land van herkomst onmogelijk maken. Ter zitting heeft verweerder in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1081).

3.2

Niet in geschil is dat eiseres bij achterwege blijven van een behandeling in een medische noodsituatie zal geraken. Evenmin is in geschil dat in Armenië in medisch-technische zin behandeling en medicatie beschikbaar is voor eiseres. In geschil is de vraag of het BMA zich nader uit dient te laten over (gerede twijfel over) de vraag of de behandeling die eiseres kan ondergaan in haar land van herkomst als effectief is aan te merken.

3.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM6418), is een BMA-advies aan te merken als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien verweerder een BMA-advies, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota’s, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is (uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0794)).
Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 20 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU9578) heeft overwogen volgt uit vaste jurisprudentie van het CTG dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan verweerder omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van de vreemdeling, aanleiding geeft tot twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op de omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer haar uitspraken van 5 februari 2013 (201112291/1/V1, www.raadvanstate.nl) en 29 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8692), is verweerder, teneinde aan zijn hierboven genoemde vergewisplicht te voldoen, niet gehouden om het BMA te verzoeken zich nader uit te laten over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, indien de behandelaar van de vreemdeling niet heeft vermeld vanwege welke actuele specifieke omstandigheden in het land van herkomst adequate psychische behandeling van de vreemdeling niet mogelijk is.

3.4

Verweerder heeft zich, gelet op voornoemde jurisprudentie, op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inhoud van voornoemde brieven van de behandelaars van eiseres van 10 juli 2014, 25 juni 2014 en 18 oktober 2013 hem geen grond hebben geboden om deze voor een nadere reactie voor te leggen aan het BMA. De brief van 18 oktober 2013 geeft een uiteenzetting van de behandeling van eiseres tot dan toe. De brief van 25 juni 2014 geeft een (beschrijvende) diagnose van de klachten van eiseres. De brief van 10 juli 2014 betreft een reactie van de behandelaars op de voorgenomen verhuizing van eiseres naar het Asielzoekerscentrum in Den Helder, hetgeen volgens de behandelaars zorgt voor instabiliteit en daarmee een kans op het verergeren van haar klachten. De behandelaars hebben zich in voornoemde brieven derhalve niet uitgelaten over actuele specifieke omstandigheden in het land van herkomst van eiseres op grond waarvan adequate behandeling aldaar niet mogelijk is.

3.5

In voornoemde door eiseres overgelegde brief van 4 december 2014 verklaren de haar behandelaars onder meer dat de complexe PTSS waaraan zij lijdt, is veroorzaakt door de traumatische gebeurtenissen de zij heeft meegemaakt in Armenië, waaronder gevangenschap, fysieke en seksuele mishandeling en verkrachting tijdens haar gevangenschap en een abortus zonder verdoving toen zij drie maanden zwanger was. Volgens de behandelaars vertelt eiseres dat haar zwager vermoord is, omdat hij haar bij de vlucht uit Armenië heeft geholpen, waardoor zij zich in Armenië zeer onveilig voelt. Voorts vermeldt de brief:

Momenteel heeft mevrouw last van zeer ernstige en intrusieve herbelevingen aan de traumatische gebeurtenissen. Als zij harde stemmen hoort, in ruimtes zonder deuren is of mannen ziet, wordt zij overvallen door beelden en gedachten aan de trauma’s in haar gevangenschap. Zij kan dan geen onderscheid meer maken tussen de realiteit en haar herbelevingen, waarbij zij dissocieert en zeer angstig wordt.

Als mevrouw haar behandeling in het land van herkomst voort zou moeten zetten, is het zeer waarschijnlijk dat de therapie niet effectief is omdat zij zich zeer onveilig zal voelen gezien bovenstaande ervaringen. Meer specifiek, zullen voor mevrouw Armeense behandelaars, die in de Armeense context als gezag dragend worden beschouwd, als onveilig worden ervaren. Ook meent mevrouw er niet op te kunnen vertrouwen dat haar behandelaars hun beroepsgeheim zullen respecteren. Daardoor schat zij openheid over de traumatische ervaringen, tijdens de behandeling in twee opzichten als levensgevaarlijk in: belastende informatie kan bij de overheid komen, of bij familieleden die zich dan tot eerwraak verplicht zouden kunnen voelen. Gezien de ernst van haar symptomen is behandeling in een veilige omgeving zoals bij i-psy een noodzakelijke voorwaarde om verdere decompensatie in de vorm van suïcidaliteit te voorkomen.

3.6

De rechtbank is van oordeel dat de behandelaars van eiseres in voormelde brief voldoende hebben geconcretiseerd hoe de door haar ervaren angst voor de behandelaars in Armenië, in relatie tot haar psychische klachten, bestaande uit herbelevingen en het verlies van het vermogen om onderscheid te kunnen maken tussen realiteit en haar herbelevingen, ook al is deze angst subjectief, thans objectief gezien een effectieve voortzetting van de behandeling van de klachten van eiseres in het land van herkomst in de weg staat. Uit de verklaring van de behandelaars blijkt immers dat eiseres de vrees heeft dat de behandelaars in Armenië hun beroepsgeheim niet zullen respecteren en belastende informatie over haar traumatische ervaringen door zullen spelen aan de autoriteiten of haar familie, van wie zij eerwraak vreest, hetgeen objectief gezien een effectieve behandeling in de weg kan staan, nu volgens de behandelaars de door eiseres ervaren onveiligheid rechtstreeks betrekking heeft op de behandeling en de behandelaars in Armenië.
De door verweerder opgeworpen vraag of de vrees die eiseres tegenover een behandeling in Armenië heeft geuit, gerechtvaardigd is, door zich op het standpunt te stellen dat haar behandelaars in voormelde brief niet hebben onderbouwd dat Armeense behandelaars als gezagdragend worden beschouwd en niet hebben toegelicht hoe het gezag van Nederlandse behandelaars verschilt van hun beroepsgenoten in Armenië, doet, mede in het licht van voornoemde klachten van eiseres, niet af aan de gestelde objectieve belemmering voor een effectieve behandeling, nu eiseres blijkens de verklaring van haar huidige behandelaars de behandeling en de behandelaars in Armenië, als gevolg van haar trauma en de omstandigheden waaronder dat volgens haar huidige behandelaars in Armenië is ontstaan, niet vertrouwt.
Verweerder is, teneinde aan zijn hierboven onder 3.3 genoemde vergewisplicht te voldoen, derhalve gehouden om het BMA te verzoeken zich nader uit te laten over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, of, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, over gerede twijfel daarover.
De beroepsgrond slaagt.

4. Eiseres voert voorts aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van haar bezwaarschrift.

4.1

Uit het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, was op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden. Het bezwaar was gebaseerd op de brieven van de behandelaars van 10 juli 2014 en 24 juni 2014. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder 3.4. Verweerder heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Aangezien, zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 3.6, aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a Awb in de gelegenheid stellen dit gebrek te herstellen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

5.1

Verweerder dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, Awb, zo spoedig mogelijk - en wel binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak - kenbaar te maken of van de gelegenheid tot herstel gebruik zal worden gemaakt.
Voor de volledigheid wijst de rechtbank verweerder erop dat, voor zover hij zich niet kan verenigen met het oordeel zoals neergelegd in deze tussenuitspraak en daarom thans niet voornemens is het BMA om een nader advies te vragen, hij, om nodeloze vertraging te voorkomen, de rechtbank binnen voornoemde termijn zal dienen te berichten dat hij geen gebruik maakt van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen, bij gebreke waarvan verweerder uitvoering zal dienen geven aan hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak.
In het geval verweerder ertoe besluit het geconstateerde gebrek te herstellen, dan bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a, tweede lid, Awb dat verweerder binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak tot herstel zal moeten zijn overgegaan.

5.2

Op grond van artikel 8:51b, derde lid, Awb kan eiseres binnen vier weken nadat verweerder heeft bericht op welke wijze het gebrek is hersteld, schriftelijk zijn zienswijze naar voren brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

5.3

Verlenging van de hiervoor genoemde termijnen is slechts mogelijk in bijzondere gevallen. Een gemotiveerd verzoek om verlenging van een termijn moet worden ingediend binnen de in deze tussenuitspraak bepaalde termijn.

5.4

Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, dan wel na het ongebruikt verstrijken van de termijn van zes weken voor het herstellen van het gebrek, zal de rechtbank binnen zes weken na het verstrijken van de gestelde termijn of het ontvangen van het bericht van verweerder einduitspraak doen.

5.5

Indien verweerder is overgegaan tot herstel van het gebrek, zal de rechtbank einduitspraak doen binnen zes weken na het verstrijken van de termijn van vier weken voor de zienswijze van eiseres.

5.6

Tenzij er aanleiding bestaat anders te beslissen, zal met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, Awb een nader onderzoek ter zitting achterwege blijven.

Het verzoek om voorlopige voorziening

6. Nu de rechtbank verweerder in de gelegenheid stelt het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en verweerder daartoe het BMA om een nader advies zal dienen te vragen, weegt bij die omstandigheden het belang van eiseres om niet uitgezet te worden naar haar land van herkomst voordat de rechtbank einduitspraak heeft gedaan zwaarder dan het belang van verweerder om reeds voor die tijd tot uitzetting van eiseres over te kunnen gaan.

7. De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen.

8. Met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

9. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen, onder de voorwaarde dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank te kennen geeft van die gelegenheid gebruik te willen maken;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder eiseres uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank einduitspraak heeft gedaan op het beroep;

- draagt verweerder op € 165,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het de tussenuitspraak in de hoofdzaak betreft, kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.
Tegen deze uitspraak, voor zover het het verzoek om voorlopige voorziening betreft, staat geen rechtsmiddel open.