Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15875

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6209
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de bevindingen uit een administratief onderzoek kon verweerder concluderen dat er meer dan twee personen wonen op het uitkeringsadres. Er bestond dan ook een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, met als doel om meer inzicht te krijgen in de woon- en leefsituatie van eiseres. Eiseres heeft toestemming gegeven voor het huisbezoek en haar handtekening gezet op het huisbezoekformulier. Uit het verslag van het huisbezoek komt naar voren dat eiseres noch haar twee zoons die aanwezig waren tijdens het huisbezoek, antwoord hebben gegeven op relevante vragen. Vanwege de grimmige sfeer die naar aanleiding van deze vragen ontstond, is het huisbezoek voortijdig afgebroken. De rechtbank gaat uit van de juistheid van dit verslag zoals neergelegd in het rapport van bevindingen.

Door geen antwoord te geven op de gestelde vragen heeft eiseres de onduidelijkheden over haar woonsituatie niet weggenomen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet. Door de verzochte informatie niet te verstrekken was het voor verweerder, in het licht van de bevindingen van het administratief onderzoek, niet mogelijk om de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres en daarmee het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Verweerder was dan ook gehouden om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw, met ingang van 2 april 2015 in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6209

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. L. Kuijper),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) vanaf 2 april 2015 ingetrokken.

Bij uitspraak van 9 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen (registratienummer SGR 15/3032).

Bij besluit van 13 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres heeft op 18 december 2014 een bijstandsuitkering aangevraagd. In het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij woonachtig is op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres), samen met haar meerderjarige zoon [zoon]. Bij besluit van 28 februari 2015 is eiseres met ingang van 17 januari 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

1.2

In het kader van een project gericht op nader onderzoek van bankafschriften die bij recente aanvragen voor een uitkering zijn ingeleverd, zijn de afschriften van eiseres nogmaals bekeken. De bevinden van het administratief onderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om op 2 april 2015 een onaangekondigd huisbezoek bij eiseres af te leggen. Dit huisbezoek is voortijdig afgebroken.

2.1

De onderzoeksresultaten in samenhang bezien met het verloop van het huisbezoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om het recht op bijstand van eiseres vanaf 2 april 2015 in te trekken op de grond dat eiseres in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht heeft nagelaten aan verweerder de verzochte informatie te verschaffen.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat, gelet op de bevindingen van het administratief onderzoek, een huisbezoek noodzakelijk was voor het vaststellen van het recht op bijstand. Aan dit huisbezoek heeft eiseres onvoldoende meegewerkt.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiseres betwist dat zij niet of slechts gedeeltelijk de gevraagde informatie heeft gegeven. Hiertoe voert zij aan dat de rapporteurs tijdens het huisbezoek onvoldoende rekening hebben gehouden met het feit dat zij overdonderd werd door de ondervraging. Daarnaast kan haar niet worden verweten dat de situatie tijdens het huisbezoek is geëscaleerd. Ook hebben de rapporteurs ten onrechte hun vragen gericht aan haar zonen, aldus eiseres.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Met ingang van 1 januari 2015 is artikel I van de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden (Stb. 2014, 270). Daarbij is onder meer de Wwb gewijzigd en ondergebracht in de Participatiewet. Omdat het bezwaarschrift is ingediend na inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet, is ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet op dit geval de Pw van toepassing.

4.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (zie onder meer CRvB, 17 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1862). Het voorgaande betekent dat hier de periode van 2 april 2015 tot en met 17 april 2015 beoordeeld dient te worden.

4.3

De rechtbank stelt voorts vast dat een besluit tot intrekking van bijstand een belastend besluit is, waarbij het volgens vaste rechtspraak van de CRvB aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Het ligt daarom op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de woon- leefsituatie van eiseres in de beoordelingsperiode niet conform haar eigen opgave hierover was.

4.4

Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht of medewerkingsplicht niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstand behoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, de bijstand kan worden geweigerd, beëindigd of worden ingetrokken (zie onder andere de uitspraak van 11 april 2007 ECLI:NL:CRVB:2007:BA2447). Aan het niet meewerken aan een huisbezoek worden eerst gevolgen verbonden (in vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4057).

4.5

Uit het administratief onderzoek is verweerder gebleken dat er stortingen van meneer B. Igdir op de ING-rekening van eiseres waren gedaan en dat op de afschriften van de Rabobankrekening ten name van eiseres een ander adres dan het uitkeringsadres vermeld staat. Voorts is op of omstreeks 8 december 2014 het grofvuil van eiseres aangetroffen aan het adres [adres] te [woonplaats], waar eiseres sinds 31 mei 2012 niet meer woont. De inwonende zoon van eiseres geeft voor de loonaangifte een afwijkend adres op, te weten [adres], te [woonplaats]. Voorts heeft verweerder het waterverbruik op het uitkeringsadres bezien en geconcludeerd dat dit veel hoger ligt dan gemiddeld bij een tweepersoonshuishouden. Daarnaast heeft een buurtbewoner wonende aan de [adres] te [woonplaats] verklaard dat er op het uitkeringsadres drie personen wonen, te weten een man, een vrouw en een ongeveer 20 jarige zoon. Gelet op deze gegevens had verweerder een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, met als doel om meer inzicht te krijgen in de woon- en leefsituatie van eiseres. De rechtbank verwijst naar hetgeen de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 9 juni 2015 heeft overwogen onder 2.1, welke overweging als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd en maakt die overwegingen de hare.

4.6

Uit het in een rapportage van 17 april 2015 opgenomen verslag van het huisbezoek blijkt dat de rapporteurs eiseres hebben uitgelegd dat zij het huisbezoek mag weigeren maar dat dit gevolgen kan hebben voor haar recht op bijstand. Vervolgens heeft eiseres toestemming gegeven voor het huisbezoek en haar handtekening gezet op het huisbezoekformulier. Uit het verslag van het huisbezoek komt naar voren dat eiseres noch haar twee zoons die aanwezig waren tijdens het huisbezoek, antwoord hebben gegeven op relevante vragen als wie de man op een in de kamer aanwezige foto was en waarom er sprake is van een verhoogd waterverbruik. Vanwege de grimmige sfeer die naar aanleiding van deze vragen ontstond, is het huisbezoek voortijdig afgebroken blijkens het verslag. De rechtbank gaat uit van de juistheid van dit verslag zoals neergelegd in het rapport van bevindingen. Dat eiseres overdonderd was door het niet tevoren aangekondigde huisbezoek mag zo zijn, maar is niet aan te merken als een gegronde reden om geen antwoord te geven op tijdens dat bezoek gestelde relevante vragen. Een aankondiging van een huisbezoek in een situatie als die van eiseres zou bovendien mogelijk afbreuk doen aan de effectiviteit daarvan. Het is niet gebleken dat de rapporteurs onvoldoende rekening hebben gehouden met de gemoedstoestand van eiseres, zodat de rechtbank aan dit betoog voorbij gaat. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de rapporteurs eiseres onder andere de gelegenheid hebben te geven zich te fatsoeneren en zij alle vragen in het Turks, de moedertaal van eiseres, hebben vertaald.

4.7

De door de rapporteurs gestelde vragen waren, gelet op de bevindingen uit het administratief onderzoek, gerechtvaardigd. Het betoog van eiseres dat de vragen niet aan haar zonen hadden mogen worden gesteld, kan niet slagen. Uit het verslag van het huisbezoek volgt dat eiseres zelf heeft verzocht om de vragen aan haar zonen te stellen. Daarnaast blijkt uit het verslag van het huisbezoek dat zeker op twee momenten specifiek aan eiseres om een reactie is gevraagd. Bovendien is wat er tijdens het bezoek is gezegd, vertaald in het Turks, zodat eiseres steeds op de hoogte was van het verloop van het gesprek. Dat er vervolgens een escalatie is opgetreden komt wellicht voort uit de houding van haar zonen en niet zozeer uit de houding van eiseres, maar ligt binnen haar invloedsfeer. Immers, eiseres heeft haar zonen zelf in het gesprek betrokken en had hieraan ook zelf een einde kunnen maken. Dat het huisbezoek voortijdig is afgebroken komt dan ook voor haar rekening en risico.

4.8

Door geen antwoord te geven op de gestelde vragen heeft eiseres de onduidelijkheden over haar woonsituatie niet weggenomen. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt dat eiseres herhaaldelijk is gewezen op de gevolgen indien zij geen antwoord geeft op de gestelde vragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw. Door de verzochte informatie niet te verstrekken was het voor verweerder, in het licht van de bevindingen van het administratief onderzoek, niet mogelijk om de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres en daarmee het recht op bijstand vanaf 2 april 2015 te kunnen beoordelen. Verweerder was dan ook gehouden om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw, met ingang van 2 april 2015 in te trekken.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.