Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15704

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
09/827243-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft vier mannen vrijgesproken van een poging tot uitvoer van hennep, omdat bewezen is dat de hennep in een auto is verstopt met het doel deze hennep uit te voeren naar Duitsland en de mannen onderweg naar Duitsland door de politie zijn aangehouden. Dat levert een voltooid delict op, gelet op de ruime aanduiding van het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet. Dat feit heeft de officier van justitie echter niet ten laste gelegd.

De rechtbank achtte wel wettig en overtuigend bewezen dat de mannen de hennep voorhanden hebben gehad. Hiervoor hebben zij straffen opgelegd gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827243-15

Datum uitspraak: 30 december 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] (Polen),

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 december 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.H.T. van Brunschot, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks 3 september en/of 4 september 2015 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een middel van lijst II van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van 3056,7 gram hennep, buiten het grondgebied van Nederland te brengen, die hennep in een auto (met het Poolse kenteken [kenteken 1] ) heeft verstopt, althans aan het oog onttrokken en/of heeft vervoerd en/of met die auto van ’s-Gravenhage richting Zweden en/of Polen, althans richting het buitenland, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 3 september en/of 4 september 2015 te 's-Gravenhage en/of Naaldwijk (gemeente Westland) en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een middel van lijst II van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van 3056,7 gram hennep, aanwezig heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij bekend was met de aanwezigheid van de in zijn auto aangetroffen hennep en dat hij onderweg was naar Polen.1 Verder zou hij alleen hebben gehandeld en wisten zijn medeverdachten van niets, aldus verdachte.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, heeft geprobeerd ruim drie kilo hennep naar het buitenland te brengen (het primair tenlastegelegde). Als dat niet bewezen kan worden dan dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte samen met anderen, ruim drie kilo hennep in bezit heeft gehad (het subsidiair tenlastegelegde).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde tezamen met zijn drie medeverdachten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

Beoordeling van de tenlastelegging2

3.4.1

Aanleiding van het onderzoek

Op 3 september 2015, ontving de Dienst Landelijke Informatie Organisatie een melding afkomstig van de Poolse opsporingsautoriteiten, welke melding op dezelfde dag is doorgestuurd naar de Districtsrecherche van Den Haag Zuid. Drie Poolse mannen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , zouden van plan zijn verdovende middelen van Nederland naar Zweden te brengen. Het vervoer zou plaatsvinden met een in Polen gehuurde Peugeot 301 met kenteken [kenteken 1] , welke door voornoemde [verdachte] zou worden bestuurd. De mannen zouden verblijven op adres [adres] , de woning van [medeverdachte 3] .

Naar aanleiding van voornoemde melding is de politie het onderzoek ‘Asmara33’ gestart.

3.4.2

Observaties

Diezelfde dag, op 3 september 2015, is de politie begonnen met observatie van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Zij zouden, naast de Peugeot, gebruik maken van een goudkleurige Volvo S60, voorzien van een Zweeds kenteken [kenteken 2] (hierna: de Volvo).

Het observatieteam heeft het volgende waargenomen.

Op 4 september 2015 omstreeks 06.21 uur stonden de auto’s geparkeerd in elkaars directe nabijheid, namelijk op de Vreelandsestraat respectievelijk de Bilthovenselaan te Den Haag. De rechtbank merkt hierbij op dat deze straten vlak bij het [adres] liggen. Omstreeks 8.30 uur is de grijze Peugeot gaan rijden. Op de Troelstrakade te Den Haag is waargenomen dat de Peugeot achter de Volvo aan reed. De auto’s zijn uiteindelijk op de A12 tot stilstand gebracht. De inzittenden zijn aangehouden. [medeverdachte 2] bestuurde de Volvo en [medeverdachte 1] was diens bijrijder. De Peugeot werd bestuurd door [verdachte] . De auto’s hebben tot aan de aanhouding steeds bij elkaar gereden.3

[medeverdachte 3] is, naar aanleiding van nader onderzoek, op 22 september 2015 aangehouden in zijn woning aan de [adres] .4

3.4.3

Verdovende middelen

In de Peugeot zijn onder de bestuurdersstoel en de bijrijdersstoel in totaal zes pakketten aangetroffen. Deze waren blauw en roken naar hennep.5 De pakketten waren alle op dezelfde wijze verpakt met enkele meters blauw plastic huishoudfolie, enkele meters doorzichtig huishoudfolie en een doorzichtige vacuümzak. Op de die vacuümzakken zat een hoeveelheid vochtige, sterk ruikende koffieprut. Volgens de narcoticaexpert Ouwerkerk wordt koffieprut regelmatig gebruikt om de lucht van verdovende middelen te maskeren. In de vacuümzakken zaten droge henneptoppen, van de plant van het geslacht cannabis, met een nettogewicht van in totaal 3.056,7 gram, welke vermeld staat op de lijst II behorende bij de Opiumwet.6

3.4.4

De loods

Het observatieteam heeft in de avond van 3 september 2015 waargenomen dat de Peugeot en de Volvo de [straat] te Naaldwijk op reden. De Peugeot werd naar binnen gereden in een loods, gelegen aan perceel 50a (hierna: de loods), waar hij ongeveer een uur is gebleven. Op voornoemd adres is een kwekerij gevestigd.7

Getuige [getuige 1] , werkzaam bij het bedrijf dat gebruik maakt van de loods, heeft op 4 september 2015 verklaard dat zij gisterenmiddag is gebeld door ene [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] is een kennis en oud-collega van [getuige 1] . [getuige 1] heeft verdachte [medeverdachte 3] op een foto herkend als [medeverdachte 3] . Hij zei dat zijn kennissen in Nederland waren en zij zouden zo naar Polen vertrekken, maar er was iets mis met de auto. [getuige 1] werd gevraagd of zij in de loods aan de auto konden sleutelen. [medeverdachte 3] is tussen 20.00 en 21.00 uur met zijn drie vrienden met een zilveren auto langs gekomen. Zij hebben de auto naar binnen gereden en [medeverdachte 3] vroeg om twee schroevendraaiers. Zij heeft deze aan [medeverdachte 3] gegeven. Daarna vroegen de mannen nog om een grote en een kleine schroevendraaier. Zij heeft deze aan hen gegeven. Toen er op enig moment een auto bij de buren werd geparkeerd, schrokken de mannen en vroeg een van hen of er nog iemand langs zou komen. Daarna is [getuige 1] met [medeverdachte 3] naar het kantoor gegaan om te kletsen. De mannen kwamen na ongeveer een half uur naar het kantoor toe om te vertellen dat zij klaar waren. Hierbij vroegen zij om een zwarte vuilniszak. De mannen wilden geen blauwe vuilniszak. [getuige 1] heeft ze toen zwart, plastic materiaal gegeven. Toen de mannen vertrokken, zag zij dat er ook een tweede, oranjekleurige auto bij betrokken was. De bestuurder van deze auto is ook binnen geweest. Achteraf had ze het gevoel dat [medeverdachte 3] haar in het kantoor wilde houden, zodat ze niet bij de mannen ging kijken. Zij dacht dat de mannen iets in de loods hadden achtergelaten. De volgende ochtend heeft zij [medeverdachte 3] een bericht gestuurd waarin zij schreef dat zij het niet vertrouwde wat er de avond daarvoor was gebeurd.8

Verdachte en de medeverdachten hebben bij de rechter-commissaris allen verklaard dat zij de mannen waren die getuige [getuige 1] in de loods heeft ontvangen.9

De rechtbank stelt vast dat verdachte en de medeverdachten samen in de loods zijn geweest. Over wat ze daar deden zijn wisselende verklaringen afgelegd, die er echter wel alle op neerkomen dat er een probleem was met de auto en dat de auto in de loods is gerepareerd.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat het een kleine garage was en het onmogelijk is dat iemand ongemerkt iets in de auto hebben gestopt.

De rechtbank zal het scenario dat er iets mis was met de Peugeot en dat daarom hieraan is gesleuteld als volstrekt ongeloofwaardig terzijde schuiven. Zij stelt in dit kader vast dat de verdachten over-en-weer, maar ook ten opzichte van hun eigen eerder afgelegde verklaringen, zeer wisselend hebben verklaard over de redenen waarom zij in de loods aanwezig waren, over wat er mankeerde aan de Peugeot en over hetgeen zij wel of niet hebben waargenomen. Verder heeft geen van de verdachten een verklaring gegeven waarom de reparatie moest plaatsvinden in een loods in Naaldwijk, gelegen op grote afstand van de woning van [medeverdachte 3] aan het [adres] in Den Haag. Ook is niet uitgelegd waarom daar met twee auto’s en vier man heengegaan moest worden. Bovendien betrof het een nieuwe gehuurde Peugeot waaraan dan een reparatie moest worden verricht. Daar komt nog bij dat de verdachten aan [getuige 1] hebben gevraagd om schroevendraaiers en zwarte vuilniszakken, terwijl op geen enkele manier gebleken is waarvoor die voorwerpen ten behoeve van de ‘reparatie’ nodig waren. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de Peugeot een nieuwe auto was.10

Daarnaast zijn de vingerafdrukken van [medeverdachte 3] op de zwarte vuilniszakken en de verpakkingen van de hennep aangetroffen. Op die verpakkingen zijn tevens vingerafdrukken van [medeverdachte 1] aangetroffen.11 Verder zijn, zoals reeds overwogen, vóór de pakketten met hennep in de Peugeot zwarte vuilniszakken aangetroffen. Deze waren kennelijk bedoeld om de pakketten (beter) te verbergen. Dat verklaart ook waarom de verdachten uitdrukkelijk geen blauwe vuilniszakken wilden hebben. De kleur blauw valt immers meer op. Het kan niet anders zijn dan dat [getuige 1] die vuilniszakken in de loods aan de verdachten heeft gegeven.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het [medeverdachte 3] was, die een loods heeft geregeld, en dat de verdachten daar met z’n vieren met de Volvo en de Peugeot naartoe zijn gegaan om de pakketten hennep in de Peugeot (beter) te verbergen. Nu alle verdachten in de loods geweest zijn, en het volgens de verklaring van [medeverdachte 1] onmogelijk is om in die ruimte iets ongemerkt in de auto te stoppen, kan het niet anders dan dat zij allen bekend waren met de aanwezigheid van de hennep in die auto. [medeverdachte 3] heeft getuige [getuige 1] afgeleid in het kantoor, zodat de anderen hun gang konden gaan. Deze conclusie wordt nog ondersteund door getuige [getuige 1] die heeft verklaard dat de verdachten schrokken van een auto die in de buurt werd geparkeerd en dat zij achteraf ook het gevoel heeft gehad dat [medeverdachte 3] haar in het kantoor opzettelijk bezighield, zodat zij niet bij de andere verdachten zou gaan kijken.

3.4.5

Tapgesprekken

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is, na aanhouding van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in de periode van 9 september 2015 tot en met 23 september 2015 door de politie getapt.

[medeverdachte 3] heeft op 2 oktober 2015 bij de politie verklaard dat voornoemd telefoonnummer aan hem toebehoort. De tapgesprekken zijn woordelijk uitgewerkt en door een tolk Pools naar het Nederlands vertaald. Een aantal van die gesprekken is in het dossier gevoegd.12

Gesprek van 12 september 2015 te 10.43 uur

NNman: nou, hoi; en hoe is het; is alles in orde?

[medeverdachte 3] : ik zeg je zo; het is niet in orde […] het was een tip van het hoofbureau van de politie […] maar zij hebben bij mij niets gevonden en hebben dus gelijk het onderzoek gesloten […] zij zijn er niet; zij zijn niet aangekomen […]

NNman: nou, maar die jongens hebben mijn telefoonnummer

[medeverdachte 3] : nou, kut, zij hebben dat van jou dat van mij, hier, hier in Nederland gaan zij anders te werk; kut; als zij bewijzen hebben dan gaan zij afsluiten en als zij geen bewijzen hebben, kut dan gaan zij niet afsluiten, weet je; dat zij hen hebben…; zij zullen niets zeggen want als zij iets hadden gezegd dan zouden wij allang vastzitten […] dus je hoeft je geen zorgen te maken […] ik bel overal naar toe en naar Zweden en naar Polen en niets, kut; nou; een of andere knuppel heeft een anonieme tip via de telefoon gegeven, weet je?

NN-man: maar wie konden het weten? Slechts die kop, die, waarmee wij bij mij hebben gesproken […]

[medeverdachte 3] : […] hier staat alles duidelijk beschreven, kut; dat zij het huis binnen waren gevallen om negen uur dertig (onverstaanbaar) van dat hele gebeuren […] welke meisje zij hebben gevonden en dat zij op zoek waren naar een gast met de naam [medeverdachte 3] ; zij kenden al mijn gegevens niet.

Gesprek van 12 september 2015 te 17.55 uur

[medeverdachte 3] : er zijn zeven politieagenten van een drugsbrigade mijn huis binnengevallen […] zij hadden mij bijna meegenomen, maar, zij hebben niets gevonden en de zaak is geseponeerd; maar kut, mijn ziomki die zitten vast […] nou dus als ik te weten kom, wie anoniem, kut, heeft gebeld, dan kut, rechtstreeks, kut naar een bos, kut;

NNman: maar denk je dat het iemand uit het hotel is, toch?

[medeverdachte 3] : nee, nee, niet uit het hotel want ik heb hier een ander deel gehad, kut, eerder, maar het was ons toen niet gelukt en ik denk dat misschien zij (lees: meervoud), uit boosheid, nou want het ging toch wel om 30 duizend euro, kut; weet je.

In zijn verhoor van 2 oktober 2015 bij de politie heeft [medeverdachte 3] , nadat hij is geconfronteerd met meerdere tapgesprekken, verklaard dat hij niet meer voorgelezen wil hebben, omdat het steeds moeilijker wordt om daarover te praten. Hij heeft al teveel gezegd.13 De rechtbank concludeert dat dan ook dat [medeverdachte 3] in de tapgesprekken is te horen als [medeverdachte 3] .

Uit de inhoud van de tapgesprekken leidt de rechtbank het volgende af.

Het gaat niet goed met [medeverdachte 3] . Door een anonieme tip zijn ‘zij’, zijn ‘ziomki’ niet aangekomen, omdat ze zijn opgepakt en nu vastzitten. [medeverdachte 3] denkt dat ze niets hebben verklaard, omdat zij, [medeverdachte 3] en de persoon met wie hij belt, nog steeds niet zijn aangehouden. Met de operatie was een bedrag gemoeid van zo’n € 30.000,-. Tegen de achtergrond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, passen deze gesprekken bij het drugstransport van 4 september 2015 en de transporteurs [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] .

3.4.6

Intentie uitvoer buiten Nederlands grondgebied

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen zijn de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de Volvo en [verdachte] met de Peugeot op 4 september 2015 om 08.30 uur gaan rijden en op de A12 in Nederland aangehouden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de intentie had om samen met de anderen de aangetroffen hennep buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Zij overweegt als volgt.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij onderweg was naar Polen14. Waar verdachte ter terechtzitting (voor het eerst) heeft verklaard dat hij niet naar het buitenland ging, maar op weg was naar Arnhem, zal de rechtbank hem houden aan zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring, omdat die bestemming door hem verder in het geheel niet is toegelicht. Die eerdere verklaring wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] terug ging naar Polen.15 Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat de vrienden van [medeverdachte 3] , haar partner, samen op doorreis waren en naar Polen zouden vertrekken.16 Getuige [getuige 1] heeft van [medeverdachte 3] hetzelfde gehoord.17 Daarnaast heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] op weg was naar Denemarken.18

De rechtbank concludeert dat bewezen is dat verdachte de intentie had om samen met anderen de hennep buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

3.4.7

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij heeft geprobeerd ruim drie kilogram hennep buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

De rechtbank beschouwt het handelen van verdachte en zijn medeverdachten als “buiten het grondgebied van Nederland brengen” van de hennep, als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. Immers, in de terminologie van de Opiumwet levert het “met bestemming naar het buitenland vervoeren” van hennep, ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, een voltooid delict op.

Nu het primair ten laste gelegde alleen poging tot uitvoer in vereniging behelst (en niet het voltooide delict) kan het tenlastegelegde niet worden bewezen en moet verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3.4.8

Het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 3 en 4 september 2015 schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen voorhanden hebben van ruim drie kilogram hennep. Uit de eerder beschreven gezamenlijke handelingen en reisbewegingen van de verdachten en de tapgesprekken van 12 september 2015, blijkt van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en van een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit:

op 3 september 2015 en 4 september 2015 te ‘s-Gravenhage en Naaldwijk (gemeente Westland) en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een middel van lijst II van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van 3056,7 gram hennep, aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het uitsluiten.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en verzocht om de eis van de officier van justitie te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich, tezamen met zijn medeverdachten, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim drie kilo hennep, hetgeen als een handelshoeveelheid kan worden beschouwd. Het gebruik van hennep kan onder meer gezondheidsrisico’s meebrengen en de handel in hennep gaat vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waarvan ook de samenleving de nadelige gevolgen ondervindt. Verdachte heeft deze risico’s mede in stand gehouden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 september 2015 niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Aangezien verdachte niet in Nederland woonachtig is, zal de executie van een taakstraf ernstig worden bemoeilijkt, zodat de oplegging van een gevangenisstraf meer passend is.

Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van de poging tot uitvoer van hennep, komt zij tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft gevorderd. Mede gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, zoals ook tot uitdrukking gebracht in de oriëntatiepunten opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) WEKEN;

bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.N. Pabbruwe, voorzitter,

mr. R.C. Hartendorp, rechter,

mr. I.C. Kranenburg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. Mentrop-Huliselan, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2015.

Mrs. I.C. Kranenburg en S.N. Mentrop-Huliselan zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 december 2015, voor zover inhoudende: de eigen verklaring van verdachte.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015262570, van de politie Eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 198).

3 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 2] d.d. 4 september 2015, blz. 35, proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 september 2015, blz. 52; proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 2] d.d. 4 september 2015, blz. 21; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 september 2015, blz. 147.

4 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 3] d.d. 22 september 2015, blz. 156 en 157.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2015, blz. 98.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2015, blz. 101-103.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2015, blz. 94 en 95.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 4 september 2015, blz. 110-113.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 7 september 2015, punt 6; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] inbewaringstelling d.d. 7 september 2015, punt 2; proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] inbewaringstelling d.d. 7 september 2015, punten 3 en 5; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 25 september 2015, punt 4: allen opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 december 2015.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2015, blz. 101-103; Bijlagen: - het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 8 september 2015, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (DH), afdeling Specialistische Ondersteuning (DH) met proces-verbaalnummer PL1500-2015262570-14, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren; - het proces-verbaal van onderzoek stuk van overtuiging d.d. 7 september 2015, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (DH), afdeling Specialistische Ondersteuning (DH) met proces-verbaalnummer PL1500-2015262570-38, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar; - het proces-verbaal van uitslag sporenonderzoek d.d. 5 oktober 2015, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (DH), afdeling Specialistische Ondersteuning (DH) met proces-verbaalnummer PL1500-2015262570-38, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren; - het proces-verbaal van onderzoek stuk van overtuiging d.d. 7 september 2015, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (DH), afdeling Specialistische Ondersteuning (DH) met proces-verbaalnummer PL1500-2015262570-39, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar; - en het proces-verbaal van uitslag sporenonderzoek d.d. 6 oktober 2015, van de politie Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (DH), afdeling Specialistische Ondersteuning (DH) met proces-verbaalnummer PL1500-2015262570-39, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.

12 Bijlagen: geschriften, te weten tapgesprekken van onderzoek Asmara33, blz. 4-7.

13 Bijlage: Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 2 oktober 2015, van de politie Eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met proces-verbaalnummer 21, blz. 2.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , blz 123.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 5 september 2015, blz. 137.

16 Bijlage: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 4 oktober 2015, van de politie Eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met proces-verbaalnummer 22, blz. 3.

17 Zie: 3.3.4.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , blz 119.