Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
09/817223-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.

Zo heeft hij zich op 23 februari 2014 samen met anderen schuldig gemaakt aan een laffe beroving. Dat aangever een jaar eerder ook al slachtoffer is geweest van een beroving door verdachte, maakt het feit des te ernstiger. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan. Daarnaast heeft verdachte zich op 16 januari 2015 in Gouda schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging tegen goederen. Verdachte heeft samen met anderen een groot aantal auto’s beschadigd. Verdachte is verder op 31 mei 2015 bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse en de hem te geven aanwijzingen op te volgen. Verdachte heeft geen gevolg aan dit bevel gegeven, waardoor het onderzoek niet tot resultaat heeft geleid.

De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder aan dat hij dit feit heeft gepleegd, nadat zijn voorlopige hechtenis ten aanzien van de openlijke geweldpleging was geschorst. Het baart de rechtbank ernstige zorgen dat dit verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Die zorg omtrent verdachtes criminele instelling wordt voorts gevoed door het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 september 2015 betreffende verdachte. Daarop staan immers eerdere veroordelingen voor het plegen van misdrijven. Uit deze veroordelingen en de in het kader daarvan aan verdachte geboden hulp heeft verdachte kennelijk geen lering getrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/817223-15

TUL: 09/857144-14

Datum uitspraak: 5 oktober 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1997,

adres: [adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 21 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. van Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 januari 2015 te Gouda openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Herenstraat en/of Walvisstraat en/of Woudstraat en/of Lethmaetstraat en/of Bockenbergstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer (aldaar geparkeerd staande) auto's ,te weten tegen een:

- Dacia Logan, kleur grijs, kenteken [kenteken 1] , eigenaar [benadeelde 1] (p.60) en/of

- Toyota Aygo, kleur blauw, kenteken [kenteken 2] , eigenaar [benadeelde 2] (p.66) en/of

- Volkswagen golf, kleur blauw, kenteken [kenteken 3] , eigenaar [benadeelde 3] (p.69) en/of

- Renault Traffic, kleur wit, kenteken [kenteken 4] , eigenaar [benadeelde 4] (p. 72) en/of

- Opel Corsa, kleur rood, kenteken [kenteken 5] , eigenaar [benadeelde 5] (p. 75) en/of

- Toyota Aygo, kleur wit, kenteken [kenteken 7] , eigenaar [benadeelde 6] (p. 79) en/of

- Volkswagen Passat, kleur grijs, kenteken [kenteken 8] , eigenaar [benadeelde 7] (p. 83) en/of

- Toyota Corolla, kleur blauw, kenteken [kenteken 9] , eigenaar [benadeelde 8] (p. 87) en/of

- Hyundai H200, kleur zwart, kenteken [kenteken 10] eigenaar [benadeelde 9] (p. 90)

- Alfa Romeo 156, kleur zwart, kenteken [kenteken 11] , eigenaar [benadeelde 10] (p. 254) en/of

- Mercedes Benz C 180, kleur blauw, kenteken [kenteken 12] , eigenaar [benadeelde 11] (p. 257)

welk geweld bestond uit

- het verbreken en/of inslaan en/of intrappen en/of met een (stoep)tegel/steen ingooien van een of meer ruit(en) van die auto ('s) en/of

- het beschadigen van een zijspiegel en/of een achterbumper en/of het plaatwerk door tegen die spiegel en of die achterbumper en/of dat plaatwerk te slaan en/of te schoppen en/of

- het op een of meer auto's staan;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Gouda als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (snorfiets) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

art 8 lid 3 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

3.

Ter berechting gevoegd wordt de zaak met parketnummer 09-777229-14:

hij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2014 tot en met 11 oktober 2014 te Gouda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 12] en/of diens moeder en/of diens familie heeft bedreigd met brandstichting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde 12] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd 'ik maak je dood vriend' en/of 'Jouw moeder gaat jou vinden sukkeltje. Ik steek je huis in de fik ik ga het doen vanavond of ze thuis is of niet.', in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Ter berechting gevoegd wordt de zaak met parketnummer 09-797025-15:

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten de Herenstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Apple Iphone 5c), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 13] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- op de weg gaan staan als die [benadeelde 13] aan komt fietsen en/of

- roepen naar die [benadeelde 13] dat hij moet stoppen en/of

- vastpakken en/of vasthouden van de arm van die [benadeelde 13] en/of

- zeggen tegen die [benadeelde 13] dat hij mee moet lopen en/of

- ( tegelijkertijd) met meerdere personen bij de vriend van die [benadeelde 13] gaan staan en/of

- een steegje in trekken en/of

- roepen "doorlopen" en/of "meelopen" en/of

- het onverhoeds uit de jaszak grissen van die mobiele telefoon en/of

- het zeggen "geen aangifte doen, ik weet waar je woont"

(dit alles terwijl hij die [benadeelde 13] in een andere zaak reeds eerder beroofd heeft en slachtoffer hem daarvan herkende, zie 09-777324-13);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

Ter berechting gevoegd wordt de zaak met parketnummer 09-084662-15:

hij op of omstreeks 20 december 2014 te Gouda aan [benadeelde 13] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een traumatische beschadiging van het trommelvlies, heeft toegebracht door met een baksteen tegen het oor en/of op het hoofd van die [benadeelde 13] te slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2014 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 13] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 13] met een baksteen tegen het oor en/of op het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2014 te Gouda [benadeelde 13] heeft mishandeld door met een baksteen tegen het oor en/of op het hoofd van die [benadeelde 13] te slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Feit 1

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 heeft begaan.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte een grijze capuchon droeg en zich in de buurt van de plaats delict bevond onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het feit dat er bloed van verdachte op een van de vernielde auto’s terecht is gekomen, is een toevallige omstandigheid, nu verdachte in de directe nabijheid is aangehouden en hij toen is gevallen waarna hij bloed aan zijn hand had. Bovendien biedt de uitkomst van het schoensporenonderzoek juist een aanwijzing dat verdachte het ten laste gelegde niet heeft gepleegd. Immers, iedere schoen heeft specifieke kenmerken, zoals door slijtage, maar deze karakteristieke eigenschappen zijn niet vastgesteld. Verder zijn in of aan de kleding van verdachte ook geen glasscherven aangetroffen, terwijl dit bij de medeverdachte wel het geval was.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Aanleiding onderzoek

Op 16 januari 2015, omstreeks 01:24 uur, kwam bij de politie de melding binnen dat er in de Bockenbergstraat te Gouda een vechtpartij gaande zou zijn. Onderweg kreeg de politie ook de melding dat er op het parkeerterrein gelegen nabij de Bockenbergstraat te Gouda een aantal jongens tegen auto’s liep te trappen.2

Aangiftes

Er zijn bij de politie meerdere aangiftes gedaan van de op 16 januari 2015 gepleegde vernielingen aan in de Herenstraat, Walvisstraat, Woudstraat, Lethmaetstraat en Bockenbergstraat te Gouda geparkeerde auto’s. De ruiten van de auto’s waren verbroken, ingeslagen, ingetrapt en/of met een (stoep)tegel of steen ingegooid. Verder zijn een zijspiegel, een achterbumper en het plaatwerk van een auto beschadigd doordat er tegenaan is geslagen en/of geschopt en doordat men op de auto’s heeft gestaan.3

Herkenning

Getuige [getuige 1] , wonende in de [adres 2] , heeft verklaard dat zij op 16 januari 2015 omstreeks 1.30 uur stemmen hoorde en het geluid van een autoruit die kapot ging en dat ze vier jongens heeft zien lopen die in het zwart gekleed waren. Een van de vier jongens had een opvallende grijze capuchon op. [getuige 1] zag dat deze jongen, een paar minuten nadat zij de jongens uit het zicht was verloren, vanuit de Woudstraat de parkeerplaats achter de Herenstraat weer opliep.4 Zij heeft voorts verklaard dat één van de jongens een steen op de voorruit van een auto gooide en dat er een gat zat in de ruit van de bijrijdersplaats van die auto. Zij heeft de jongens nog een auto zien vernielen. Zij heeft twee van de jongens, waaronder die met de grijze capuchon, ook op de auto’s zien staan. De man van [getuige 1] , aangever [getuige 2] , heeft verklaard dat hij zijn vrouw hoorde zeggen dat zij de jongen opnieuw zag. [getuige 2] zag de jongen toen ook. De jongen droeg een grijze capuchon en was verder donker gekleed. Hij liep via de parkeerplaatsen in de richting van de Lethmaetstraat. De jongen werd later door de politie gecontroleerd.5 Er is gerelateerd dat verdachte op 16 januari 2015 omstreeks 02:00 uur door de politie is staande gehouden en dat hij op dat moment een lichte capuchon droeg.6

Sporenonderzoek

Vanaf de ruit van het bestuurdersportier van de auto van aangever [benadeelde 1] is een schoenzoolfragment veiliggesteld.7 Er is een schoensporenonderzoek verricht waarbij het aangetroffen schoenzoolspoor is vergeleken met de rechterschoen die verdachte tijdens zijn insluiting droeg. Op grond van dit onderzoek is geconcludeerd dat de schoenzoolsporen zijn veroorzaakt met een rechterschoenzool soortgelijk aan de zool van de rechterschoen van verdachte.8

Tevens is vanaf de kofferklep en de rechter achterdaksteil van de auto van aangever [benadeelde 1] met een wattenstaafje bloed veiliggesteld.9 Op grond van het vergelijkend DNA‑onderzoek kan het celmateriaal van de bemonstering afkomstig zijn van verdachte, waarbij de berekende frequentie van het DNA-profiel kleiner dan één op één miljard is.10

Conclusie

Uit de omstandigheid dat uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat de politie de jongen met de grijze capuchon die de auto’s samen met anderen had vernield, heeft gecontroleerd en het feit dat de politie heeft vastgesteld dat de jongen met de capuchon verdachte betrof, in combinatie met het gegeven dat het DNA van verdachte op een van de vernielde auto’s is aangetroffen en dat het op één van de auto’s aangetroffen schoenzoolspoor soortgelijk is aan de schoenzool van de schoen van verdachte, kan niet anders dan worden afgeleid dat verdachte degene is geweest die op 16 januari 2015 samen met anderen openlijk geweld tegen de geparkeerde auto’s heeft gepleegd.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Feit 2

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank.

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het desbetreffende feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 september 2015;

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2015 (PL1500-2015162119-3, p. 5-7).11

3.3

Feit 3

3.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 3 heeft begaan.

3.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Vaststaat dat de bedreiging jegens [benadeelde 12] is geuit met gebruik van de telefoon van verdachte. Verdachte heeft echter ontkend [benadeelde 12] te hebben bedreigd. Hij heeft verklaard dat hij zijn telefoon wel eens aan iemand anders uitleent, maar dat hij dan in de buurt blijft van degene die zijn telefoon gebruikt. Hij heeft verklaard zich echter geen gesprek te kunnen herinneren dat in zijn nabijheid werd gevoerd waarin [benadeelde 12] werd bedreigd.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen waarin het getapte telefoongesprek waarin [benadeelde 12] werd bedreigd woordelijk is weergegeven. Degene die [benadeelde 12] belt, wordt “NN” genoemd. Een manspersoon die iets op de achtergrond roept, wordt als “NN2” weergegeven. Voorts wordt ook nog een niet nader omschreven “NN1” vermeld. De rechtbank constateert dat “NN” geen bedreigende taal uit. De in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen worden wel door zowel “NN1” als door “NN2” geuit.

In een proces-verbaal van bevindingen heeft een verbalisant gerelateerd dat hij het betreffende tapgesprek heeft beluisterd en dat hij de stem die belt herkende als de stem van verdachte. Echter, uit het proces-verbaal volgt niet welke stem – “NN”, “NN1” of “NN2” – de verbalisant herkent als zijnde de stem van verdachte. Om deze reden kunnen de ten laste gelegde uitingen niet aan verdachte worden toegeschreven. Het feit dat bij het uitlezen van de telefoon van verdachte tevens berichtjes aan [benadeelde 12] van vergelijkbare strekking zijn aangetroffen, maakt dit niet anders omdat verdachte heeft verklaard zijn telefoon wel eens uit te lenen. De eventuele aanwezigheid van verdachte bij een door een ander geuite bedreiging is op zichzelf genomen onvoldoende om medeplegen aan de bedreiging aan te nemen.

3.4

Feit 4

3.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 4 heeft begaan.

3.4.2

Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat [benadeelde 13] in zijn aangifte heeft verklaard dat verdachte de dader van de beroving is, omdat hij verdachte gewoon niet mag. De verklaring van [benadeelde 14] kan niet bijdragen aan de bewijsvoering, aangezien hij niet bij het wegnemen van de telefoon was. Voorts is de telefoon niet bij verdachte aangetroffen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

3.4.3

Het oordeel van de rechtbank.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.12

Aangifte

Aangever [benadeelde 13] heeft verklaard dat hij op 23 februari 2014 samen met [benadeelde 14] in de Herenstraat in Gouda fietste toen hij een persoon midden op de weg zag staan. [benadeelde 13] heeft verklaard dat hij de jongen herkende als verdachte. [benadeelde 13] herkende verdachte, omdat hij [benadeelde 13] vorig jaar had beroofd van geld.

[benadeelde 13] heeft verder verklaard dat rechts op het trottoir vier andere personen stonden. Verdachte riep dat ze moesten stoppen en pakte [benadeelde 13] bij zijn arm vast. Hij zei dat [benadeelde 13] mee moest lopen. De vier jongens die op het trottoir stonden, gingen bij [benadeelde 14] staan. [benadeelde 13] verklaarde dat hij met verdachte mee is gelopen, omdat hij snel doorhad dat zij niets konden betekenen tegen vijf jongens. Verdachte trok [benadeelde 13] vervolgens een steegje in. Toen [benadeelde 13] meeliep met verdachte, had verdachte hem constant aan zijn arm vast en riep verdachte constant: “doorlopen” en “meelopen”. In het steegje pakte verdachte de mobiele telefoon van [benadeelde 13] , een Iphone 5c, uit zijn jaszak. Verdachte is vervolgens weggerend. Hij riep nog: “geen aangifte doen, ik weet waar je woont”.13

Getuige

Getuige [benadeelde 14] heeft verklaard dat hij de persoon die op [benadeelde 13] afstapte direct als verdachte herkende. Hij herkende hem aan zijn gezicht. [benadeelde 14] heeft aangegeven dat verdachte al heel zijn leven bij hem in de wijk woont, dat hij hem ook kent van eerdere voorvallen en dat [benadeelde 13] al eerder door verdachte is beroofd.

[benadeelde 14] heeft voorts verklaard dat verdachte tegen [benadeelde 13] zei dat hij mee moest lopen. Vier andere jongens stapten op hem af, hielden hem tegen en zeiden dat hij zich er niet mee moest bemoeien. De jongens hebben [benadeelde 14] er specifiek op gewezen dat hij maar beter kon doorfietsen en gaven wat duwtjes om hem weg te krijgen. [benadeelde 14] zag verdachte en [benadeelde 13] toen niet meer.14

Conclusie

Op grond van het bovenstaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever [benadeelde 13] die al eerder slachtoffer is geworden van verdachte en verdachte simpelweg heeft herkend als degene die zijn telefoon heeft weggenomen. De verklaring van [benadeelde 13] vindt bovendien haar bevestiging in de verklaring van de getuige [benadeelde 14] . Ook voor [benadeelde 14] is verdachte een bekende. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat aangever verdachte vals heeft beschuldigd, omdat hij verdachte niet mag, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.

3.5

Feit 5

3.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 5 meer subsidiair heeft begaan en dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde.

3.5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder feit 5 ten laste gelegde.

3.5.3

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat hoewel getuige [getuige 3] en getuige [getuige 4] verdachte naar aanleiding van een enkelvoudige fotoconfrontatie als de dader aanwijzen, aangeefster verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie niet met zekerheid heeft herkend. Daar komt bij dat de door aangeefster en de getuigen opgegeven signalementen niet eenduidig naar verdachte wijzen.

Zo wordt door aangeefster gezegd dat verdachte donkerblond haar – iets langer dan stekels – zou hebben en heeft ook getuige [getuige 3] het over kort haar, terwijl de rechtbank op basis van een in het dossier van feit 1 gevoegde foto van verdachte, gedateerd een maand na het onder feit 5 ten laste gelegde, heeft kunnen vaststellen dat de haren van verdachte op dat moment aanzienlijk langer zijn. Voorts heeft verdachte op het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het delict halflang haar had.

Daar komt bij dat aangeefster en getuige [getuige 3] in hun verklaring noemen dat de dader ongeveer 1.75 m lang zou zijn en een smal of gewoon postuur zou hebben, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet overeenkomt met de uiterlijke kenmerken van verdachte. Bovendien zijn de opgegeven signalement niet dusdanig specifiek dat het niet anders kan zijn dat alleen verdachte daaraan voldoet.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte aangeefster heeft mishandeld. Hij moet daarom worden vrijgesproken.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 16 januari 2015 te Gouda openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Herenstraat en Walvisstraat en Woudstraat en Lethmaetstraat en Bockenbergstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aldaar geparkeerd staande auto's, te weten tegen een:

- Dacia Logan, kleur grijs, kenteken [kenteken 1] , eigenaar [benadeelde 1] (p.60) en

- Toyota Aygo, kleur blauw, kenteken [kenteken 2] , eigenaar [benadeelde 2] (p.66) en

- Volkswagen golf, kleur blauw, kenteken [kenteken 3] , eigenaar [benadeelde 3] (p.69) en

- Renault Trafic, kleur wit, kenteken [kenteken 4] , eigenaar [benadeelde 4] (p. 72) en

- Opel Corsa, kleur rood, kenteken [kenteken 5] , eigenaar [benadeelde 5] (p. 75) en

- Toyota Aygo, kleur wit, kenteken [kenteken 7] , eigenaar [benadeelde 6] (p. 79) en

- Volkswagen Passat, kleur grijs, kenteken [kenteken 8] , eigenaar [benadeelde 7] (p. 83) en

- Toyota Corolla, kleur blauw, kenteken [kenteken 9] , eigenaar [benadeelde 8] (p. 87) en

- Hyundai H200, kleur zwart, kenteken [kenteken 10] , eigenaar [benadeelde 9] (p. 90) en

- Alfa Romeo 156, kleur zwart, kenteken [kenteken 11] , eigenaar [benadeelde 10] (p. 254) en

- Mercedes Benz C 180, kleur blauw, kenteken [kenteken 12] , eigenaar [benadeelde 11] (p. 257)

welk geweld bestond uit

- het verbreken en/of inslaan en/of intrappen en/of met een (stoep)tegel/steen ingooien van een of meer ruit(en) van die auto's en

- het beschadigen van een zijspiegel en een achterbumper en het plaatwerk door tegen die spiegel en die achterbumper en dat plaatwerk te slaan en/of te schoppen en

- het op een of meer auto’s staan;

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Gouda als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (snorfiets) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

4.

Ter berechting gevoegd wordt de zaak met parketnummer 09-797025-15:

hij op 23 februari 2014 te Gouda tezamen en in vereniging met anderen op de openbare weg, te weten de Herenstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Apple Iphone 5c) toebehorende aan [benadeelde 13] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- vastpakken en vasthouden van de arm van die [benadeelde 13] en

- zeggen tegen die [benadeelde 13] dat hij mee moet lopen en

- tegelijkertijd met meerdere personen bij de vriend van die [benadeelde 13] gaan staan en

- een steegje in trekken en

- roepen "doorlopen" en "meelopen" en

- het onverhoeds uit de jaszak grissen van die mobiele telefoon en

- het zeggen "geen aangifte doen, ik weet waar je woont".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – op grond van hetgeen zij bewezen acht – gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 39 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht door Reclassering Nederland.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte ten aanzien van feit 2 wordt veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 7 maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.

Zo heeft hij zich op 23 februari 2014 samen met anderen schuldig gemaakt aan een laffe beroving. De handelingen van verdachte geven blijk van minachting van aangever en zijn eigendom. Verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin en heeft zich hierbij geen rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die zijn handelen voor aangever zouden kunnen hebben. Dat aangever een jaar eerder ook al slachtoffer is geweest van een beroving door verdachte, maakt het feit des te ernstiger. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Daarnaast heeft verdachte zich op 16 januari 2015 in Gouda schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging tegen goederen. Verdachte heeft samen met anderen een groot aantal auto’s beschadigd. Zij hebben ruiten (met stenen) ingeslagen en ingetrapt en een zijspiegel, bumper en plaatwerk beschadigd. Verdachte heeft door zo te handelen geen enkel respect getoond voor de persoonlijke eigendommen van anderen en aanzienlijke schade toegebracht aan voor hem onbekende en willekeurige personen. Dat deze schade aanzienlijk is, blijkt ook uit de vele vorderingen van de benadeelde partijen.

Verdachte is verder op 31 mei 2015 bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse en de hem te geven aanwijzingen op te volgen. Verdachte heeft geen gevolg aan dit bevel gegeven, waardoor het onderzoek niet tot resultaat heeft geleid. Zodoende heeft verdachte de handhaving van de verkeerswetgeving belemmerd.

De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder aan dat hij dit feit heeft gepleegd, nadat zijn voorlopige hechtenis ten aanzien van de openlijke geweldpleging was geschorst. Het baart de rechtbank ernstige zorgen dat dit verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Die zorg omtrent verdachtes criminele instelling wordt voorts gevoed door het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 september 2015 betreffende verdachte. Daarop staan immers eerdere veroordelingen voor het plegen van misdrijven. Uit deze veroordelingen en de in het kader daarvan aan verdachte geboden hulp heeft verdachte kennelijk geen lering getrokken.

Dit komt tevens naar voren in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 augustus 2015 en in hetgeen de deskundigen van de Raad en de jeugdreclassering ter zitting hebben opgemerkt. Hoewel verdachte steeds zijn medewerking heeft verleend aan ambulante behandelingen en reclasseringstoezicht, heeft dit niet tot definitieve verbetering van zijn gedrag geleid. Verdachte is een berekenende, moeilijk beïnvloedbare jongen die bewuste keuzes lijkt te maken, ook als het gaat om het plegen van strafbare feiten. De deskundigen zijn daarom van mening dat verdachte afgestraft moet worden, zodat hij strafbeleving ervaart. Ondanks het feit dat de hulp in het verleden niet voldoende is gebleken om herhaling te voorkomen, achten de deskundigen begeleiding van verdachte door de reclassering alsnog aangewezen. De reclassering zal moeten bezien welke aanvullende vorm van hulpverlening wenselijk is voor verdachte. Hierbij kan worden gedacht aan een groepsbehandeling bij De Waag.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie een passende reactie vormt op de gedragingen van verdachte. Een deel daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en in het bijzonder om begeleiding van verdachte door de reclassering mogelijk maken en zo de kans op herhaling verder terug te dringen.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 520,-, bestaande uit materiële schade (vervanging ruiten).

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 275,-, bestaande uit materiële schade, te weten de posten: eigen bijdrage glas (€ 75,-), bijkomende kosten (ongeveer € 100,-) en dag vrij (ongeveer € 100,-).

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 150,-, bestaande uit materiële schade (eigen bijdrage nieuwe ruit).

[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.653,03, bestaande uit materiële schade, te weten de posten: voorruit auto (€ 257,20), zijspiegel auto (€ 304,85) en motorkap en achterkant (€ 2.090,98).

[benadeelde 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 402,83, bestaande uit materiële schade, te weten de posten: loonderving (€ 260,-) en factuur glas garage (€ 142,83).

[benadeelde 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 615,-, bestaande uit materiële schade, te weten de posten: mechanisme rechter voorportier + ruit (€ 65,-) en deuk rechts achter (€ 550,-).

[benadeelde 13] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 89,77, bestaande uit materiële schade (bezoek aan de huisartsenpost).

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 7] en [benadeelde 10] , met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 9] en [benadeelde 13] tot bedragen van respectievelijk € 75,-, € 142,83 en € 50,-, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen die betrekking hebben op feit 1 een subsidiair standpunt ingenomen, nu hij vrijspraak van dit feit heeft bepleit.

De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 4] kunnen worden toegewezen. De vordering van [benadeelde 2] moet worden afgewezen, nu die onvoldoende is onderbouwd. De vordering van [benadeelde 7] kan niet worden toegewezen voor wat betreft het bedrag van € 2.090,98, aangezien dit bedrag volledig door de verzekeringsmaatschappij lijkt te zijn vergoed. De vordering van [benadeelde 9] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 142,83, namelijk de glasschade. De gevorderde loonderving is geen rechtstreekse schade als gevolg van het ten laste gelegde feit. De vordering van [benadeelde 10] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 65,-. Voor het overige is de vordering onvoldoende onderbouwd.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de in verband met feit 5 ingediende vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13] .

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde 2]

Met verdachte is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor zover die ziet op de bijkomende kosten ad € 100,- en een dag vrij ad € 100,- onvoldoende zijn onderbouwd en reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De gevorderde eigen bijdrage van € 75,- ter zake van het glas is niet bestreden, terwijl voorts vaststaat dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De wettelijke rente over deze schade zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis nu geen andere ingangsdatum is gesteld.

De vordering van [benadeelde 10]

Uit de aangifte volgt dat de schade aan de auto van [benadeelde 10] de rechtervoorruit en een deuk, rechtsachter ter plaatse van de vuldop voor brandstof betreft. Deze schade is door Schadenet getaxeerd op € 550,- ex BTW. De omvang van de schade is geschat door een Schadeherstelbedrijf. De rechtbank acht dit een voldoende onderbouwing van de gestelde (omvang van de) schade en het had op de weg van verdachte gelegen deze schade concreter te betwisten. Voorts staat vast dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve tot een bedrag van € 615,- worden toegewezen.

De vordering van [benadeelde 7]

Uit de aangifte volgt dat de schade aan de auto van [benadeelde 7] de voorruit, achterkant bumper en een deuk aan de achterzijde betreft. De door [benadeelde 7] overgelegde schadebegroting ziet op herstel van de bumper en achterzijde van de auto en komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Hetzelfde betreft de schade aan de voorruit en de zijspiegel van de auto. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken volgt niet dat deze schade door een verzekeraar reeds is vergoed. De omstandigheid dat voor dergelijke schade een verzekering kan worden afgesloten en wellicht ook is afgesloten doch een verzekerde ervoor kiest deze schade niet te melden, brengt niet met zich mee dat een deel van die schade bij wege van eigen schuld voor rekening van de benadeelde komt. Voorts staat vast dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve tot een bedrag van € 2.653,03 worden toegewezen.

De vordering van [benadeelde 9]

Met de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde loonschade van € 260,- moet worden afgewezen nu deze onvoldoende is onderbouwd. De gevorderde glasschade van € 142,83 is niet betwist en betreft schade die rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Dit bedrag zal derhalve worden toegewezen.

De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 4]

De vorderingen van [benadeelde 1] van € 520,- en [benadeelde 4] van € 150,- zijn door verdachte niet bestreden en betreffen schades die rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit. Deze vorderingen worden derhalve toegewezen.

proceskosten

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels worden toegewezen, dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de volgende bedragen:

  • -

    een bedrag van € 75,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 oktober 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2]

  • -

    een bedrag van € 615,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 10] ;

  • -

    een bedrag van € 2.653,03 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 7] ;

  • -

    een bedrag van € 142,83 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 9] ;

  • -

    een bedrag van € 520,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] ;

  • -

    een bedrag van € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 4]

De vordering van [benadeelde 13]

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde 13] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de scooter van de broer van verdachte is en dat verdachte zonder toestemming van zijn broer op de scooter reed. De raadsman heeft daarom verzocht de scooter aan de broer van verdachte terug te geven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 18 april 2014 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, te weten jeugddetentie voor de duur van 2 weken.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht de proeftijd te verlengen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op 18 april 2014 bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zou schuldig maken aan enig strafbaar feit. Niettemin heeft verdachte voor het einde van de proeftijd de bewezenverklaarde feiten gepleegd. In lijn met hetgeen hierboven onder 6.3 is overwogen, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelasten.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg, 141, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde, ten aanzien van feit 4 uitgezonderd artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, dat met ingang van 1 januari 2015 is gewijzigd.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 3 en 5 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 4:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf, het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte te dier zake tot:

jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 19 (negentien) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende een door Reclassering Nederland, afdeling JOVO te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 7 (zeven) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  • -

    [benadeelde 2] , een bedrag van € 75,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 oktober 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

  • -

    [benadeelde 10] , een bedrag van € 615,-;

  • -

    [benadeelde 7] , een bedrag van € 2.653,03;

  • -

    [benadeelde 9] , een bedrag van € 142,83;

  • -

    [benadeelde 1] , een bedrag van € 520,-;

  • -

    [benadeelde 4] , een bedrag van € 150,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 13] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat zij dit deel van de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van de volgende bedragen:

  • -

    een bedrag van € 75,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 oktober 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2] ;

  • -

    een bedrag van € 615,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 10]

  • -

    een bedrag van € 2.653,03 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 7] ;

  • -

    een bedrag van € 142,83 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 9] ;

  • -

    een bedrag van € 520,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] ;

  • -

    een bedrag van € 150,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 4]

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van:

- ten aanzien van de vordering van Karemaker: 1 dag jeugddetentie;

- ten aanzien van de vordering van [benadeelde 10] 6 dagen jeugddetentie;

- ten aanzien van de vordering van [benadeelde 7] : 14 dagen jeugddetentie;

- ten aanzien van de vordering van [benadeelde 9] : 2 dagen jeugddetentie;

- ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] : 5 dagen jeugddetentie;

- ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] : 2 dagen jeugddetentie.

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 18 april 2014, gewezen onder parketnummer 09/857144-14, te weten jeugddetentie voor de duur van 2 weken;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten een scooter (Piaggio, F-899-SZ).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.L. Strop, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M. Boone, kinderrechter,

en mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven – delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015019453 (doorgenummerd p. 1 t/m 307).

2 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 januari 2015, p. 4.

3 De processen-verbaal van aangifte, d.d. 16, 17, 19 en 21 januari 2015: D.M. [benadeelde 1] , p. 60, [benadeelde 2] , p. 66, [benadeelde 3] , p. 69, [benadeelde 4] , p. 72, R.D.P. [getuige 2] (namens [benadeelde 5] .), p. 75, [benadeelde 6] , p. 79, [benadeelde 7] (namens [benadeelde 7] ), p. 83, [benadeelde 8] (namens [benadeelde 8] ), p. 87, [benadeelde 9] , p. 90, [benadeelde 10] , p. 254 en [benadeelde 11] , p. 257; het proces-verbaal verhoor getuige, [getuige 1] , d.d. 16 januari 2015, p. 43; het proces-verbaal verhoor getuige, [getuige 5] , d.d. 16 januari 2015, p. 45; het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 21 januari 2015, p. 295-296.

4 Het proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 16 januari 2015, p. 42-43.

5 Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 16 januari 2015, p. 76.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 januari 2015, p. 236.

7 Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 21 januari 2015, p. 295-296.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 21 januari 2015, p. 297-298 en het proces-verbaal vergelijkend sporenonderzoek, d.d. 26 januari 2015, p. 299-303.

9 Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 21 januari 2015, p. 295-296.

10 Een geschrift, te weten een rapport van het NFI, aanvullend rapport naar aanleiding van een DNA-databank match, d.d. 26 maart 2014, p. 304-307.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven – delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015162316 (doorgenummerd p. 1 t/m 22).

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven – delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1623-2014024565 (doorgenummerd p. 1 t/m 74).

13 Het proces-verbaal aangifte, [benadeelde 13] , d.d. 23 februari 2014, p. 7-8.

14 Het proces-verbaal verhoor getuige, [benadeelde 14] , d.d. 23 februari 2014, p. 11-12.