Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
C/09/491652 / KG RK 15-1347
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/45

zaak-/rekestnummer: C/09/491652 / KG RK 15-1347

parketnummer hoofdzaak: 96-036878-13

datum beschikking: 5 oktober 2015

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. Y.E. Kastein,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Belanghebbende in deze zaak is:

mr. L.S. van Haeringen, officier van justitie.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker heeft op 22 november 2012 verzet aangetekend tegen een strafbeschikking, uitgebracht wegens overtreding van artikel 6 juncto artikel 11 van de Wet Openbare Manifestaties (WOM). Dat verzet is een eerste keer inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van de kantonrechter te Den Haag op 29 januari 2015. Die behandeling is aangehouden voor onbepaalde tijd, teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen een kopie van een video-opname in het geding te brengen.

Na de zitting van 29 januari 2015 heeft verzoeker de officier van justitie verzocht voor de volgende zitting een aantal getuigen op te roepen, waaronder verbalisant [verbalisant] .

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de officier van justitie aan verzoeker bericht (samengevat) dat de verbalisant was opgeroepen voor de nieuwe zittingsdatum – kennelijk inmiddels bepaald op 29 juni 2015 – doch dat niet kon worden voldaan aan het verzoek om de door verzoeker opgegeven getuigen op te roepen omdat de gegevens van die getuigen niet bekend waren.

Op 29 juni 2015 heeft ten overstaan van de kantonrechter mr. Y.E. Kastein de voortzetting van de behandeling van het verzet tegen de strafbeschikking plaatsgevonden. Bij gelegenheid van die zitting heeft verzoeker de kantonrechter mondeling gewraakt.

2 De eerste mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 13 juli 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen en heeft zijn verzoek nader toegelicht. De kantonrechter heeft schriftelijk meegedeeld dat zij verhinderd was ter zitting te verschijnen. De officier van justitie is niet ter zitting verschenen.

3 De tussenbeschikking van de wrakingskamer

Bij tussenbeschikking van 30 juli 2015 heeft de wrakingskamer op grond van het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2015 vastgesteld dat één van de gronden voor de wraking inhoudt dat voordat de zitting van 29 juni 2015 begon de opgeroepen verbalisant de rechtszaal is ingegaan en daarna is vertrokken1. Verzoeker heeft dit bij de mondelinge behandeling op 13 juli 2015 toegelicht door te betogen dat de kantonrechter en de officier van justitie kennelijk buiten zijn aanwezigheid hebben gesproken met die als getuige opgeroepen verbalisant. [verbalisant] heeft, aldus verzoeker, immers enkele minuten voor de behandeling ter terechtzitting van zijn strafzaak de zittingszaal betreden. Vijf tot tien minuten later verliet [verbalisant] de zittingzaal en begaf hij zich in de richting van de uitgang van de rechtbank. Verzoeker heeft niet de gelegenheid gehad om verbalisant [verbalisant] vragen te stellen.

Aangezien de kantonrechter noch de officier van justitie op dit onderdeel van het verzoek hadden gereageerd is hen bij de tussenbeschikking van de wrakingskamer verzocht dat alsnog te doen.

4 Het verdere procesverloop

De kantonrechter heeft bij mail van 4 augustus 2015 gereageerd. Van de officier van justitie mr. L.S. van Haeringen is eveneens een reactie ontvangen, gedateerd 28 juli 2015. Verzoeker heeft nog enige stukken aan de wrakingskamer doen toekomen. Het verzoek is vervolgens andermaal door de wrakingskamer behandeld ter zitting van 21 september 2015, waarbij aanwezig waren verzoeker alsmede de officier van justitie mr. L.S. van Haeringen.

5 Verdere beoordeling van het wrakingsverzoek

De nadere reactie van de kantonrechter houdt (samengevat) het volgende in. Voorafgaand aan de zitting was zij in de zittingszaal met het Hoofd Communicatie van de rechtbank in gesprek. Zij meent dat de officier van justitie op enig moment de bode heeft gevraagd de kennelijk opgeroepen verbalisant binnen te laten. De verbalisant heeft met de officier van justitie gesproken, terwijl zij (de kantonrechter) met het Hoofd Communicatie sprak en de griffier instrueerde. Zij herinnert zich niet zelf met de verbalisant te hebben gesproken en in ieder geval heeft zij geen beslissing genomen ten aanzien van de vraag of hij zich al dan niet beschikbaar diende te houden voor verhoor ter zitting.

Wat de reactie van de officier van justitie betreft heeft de wrakingskamer geconstateerd dat een andere officier (mr. L.S. van Haeringen) heeft gereageerd dan de officier (mr. I. Verstraeten-Jochemsen) die als op de zitting aanwezig in het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2015 staat vermeld. Bij de voortgezette mondelinge behandeling heeft mr. Van Haeringen verklaard dat zij, en niet mr. Verstraeten-Jochemsen, als officier van justitie bij die zitting aanwezig was. Dit is vervolgens door verzoeker bevestigd. Daarmee staat vast dat mr. Van Haeringen op de desbetreffende zitting als officier van justitie fungeerde, en tevens dat het proces-verbaal van de zitting op dit punt een onjuiste vermelding inhoudt.

De reactie van de officier van justitie houdt (samengevat) het volgende in. Voorafgaand aan de zitting heeft zij geconstateerd dat verbalisant [verbalisant] ten onrechte door het openbaar ministerie was opgeroepen. Omdat een intrekking van de oproeping [verbalisant] kennelijk niet had bereikt en hij daarom ter zitting was verschenen heeft zij (de officier) de bode verzocht [verbalisant] de zittingzaal binnen te laten, zodat zij hem haar excuses kon aanbieden voor het feit dat hij voor niets naar de rechtbank was gekomen. De heer [verbalisant] heeft, nadat zij dat hem heeft gezegd, de zaal weer verlaten. Inhoudelijk is er niet over de zaak gesproken.

De officier van justitie heeft op een desbetreffende vraag van de wrakingskamer verklaard dat de kantonrechter in de zittingszaal aanwezig was tijdens het gesprek tussen de officier en verbalisant [verbalisant] .

Op grond van de inhoud van de reacties van de kantonrechter en de officier van justitie neemt de wrakingskamer als vaststaand aan dat -voor verzoeker waarneembaar- de verbalisant [verbalisant] voor de aanvang van de zitting de zittingzaal heeft betreden, waarin op dat moment zowel de kantonrechter als de officier van justitie aanwezig waren. Ook staat vast dat [verbalisant] -eveneens voor verzoeker waarneembaar- de zittingszaal weer uit is gekomen en vervolgens het pand van de rechtbank heeft verlaten.

De wrakingskamer is van oordeel dat alleen al daardoor bij verzoeker de indruk kan zijn ontstaan dat de kantonrechter, in het bijzijn van de officier van justitie, voorafgaand aan de zitting met de getuige [verbalisant] heeft gesproken en dat het resultaat van dat gesprek was dat [verbalisant] het pand verliet en daardoor niet meer als getuige kon worden gehoord, zonder dat dit met of zelfs maar in het bijzijn van verzoeker was besproken. De wrakingskamer heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de kantonrechter dat zij zelf niet met [verbalisant] heeft gesproken, maar dat doet aan het ontstaan van die indruk niet af, terwijl de kantonrechter daar wel voor verantwoordelijk is nu het op haar weg had gelegen te verhinderen dat een voor de zitting opgeroepen getuige voor aanvang van de zitting de rechtszaal betrad waarin zowel zij als de officier van justitie aanwezig waren. Ook de mededeling van de officier van justitie dat zij de getuige ten onrechte had opgeroepen en hem daarom te kennen heeft gegeven te kunnen vertrekken doet aan deze situatie niet af. Aan verzoeker was immers door het openbaar ministerie schriftelijk bericht dat [verbalisant] op zijn verzoek als getuige was opgeroepen, zodat verzoeker er van uit mocht gaan dat [verbalisant] ook metterdaad ter zitting als getuige zou worden gehoord.

Een en ander voert tot de volgende slotsom. Doordat de opgeroepen getuige de zittingszaal heeft betreden waar de kantonrechter en de officier van justitie op dat moment aanwezig waren, waarna deze getuige is vertrokken en niet als getuige is gehoord, heeft de kantonrechter de schijn van vooringenomenheid gewekt, hierin bestaande dat bij verzoeker de indruk kon ontstaan dat de kantonrechter zonder verzoeker daarover te horen al had besloten dat een op verzoek van verzoeker opgeroepen getuige niet zou worden gehoord en het pand kon verlaten. Dat betekent dat de wraking reeds daarom gegrond is. De overige wrakingsgronden hoeven niet meer te worden besproken.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek om wraking toe;

- bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak in de stand waarin zij zich ten tijde van de wraking bevond zal worden voortgezet door een andere kantonrechter;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de kantonrechter mr. Y.E. Kastein;

• de officier van justitie mr. L.S. van Haeringen

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. du Pon, S.J. Hoekstra-van Vliet, en K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W.W. Koppe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2015.

1 In die beschikking is één woord uit het geciteerde proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter foutief vermeld. In plaats van “Mijn verzoek tot het horen van opnames” moet worden gelezen: “Mijn verzoek tot het maken van opnames”.