Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
09/807273-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, samen met haar (ex-)man schuldig gemaakt aan oplichting van hun 84-jarige buurman. Daarbij hebben zij het slachtoffer bewogen tot de afgifte van in totaal circa € 75.000,-. Het bedrag is in delen van hem geleend, waarbij verdachten telkens met verschillende leugenachtige verhalen op de proppen kwamen om zo het slachtoffer ertoe te bewegen hun opnieuw een geldbedrag te lenen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk. Motivering oplichting versus civiele wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/807273-14

Datum uitspraak: 23 december 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 december 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. L.A. Nooijen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks 29 januari 2013 t/m 31 oktober 2013 te ’s-Gravenhage (meermalen), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van ongeveer 72.000 euro, in elk geval een geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) aangegeven geld te willen lenen voor:

- de aflossing van een belastingschuld en/of

- het betalen van rekeningen en/of

- het betalen van grafkosten en/of

- het betalen van een boete en/of

- om het recht op een erfenis te kunnen uitvoeren

en/of aan die [slachtoffer] toegezegd het geld terug te betalen zodra zij en/of haar medeverdachte over geld van de/een erfenis zou beschikken en/of een (valselijk opgemaakt) email van een notaris getoond waarin een geldbedrag stond vermeld en/of nota's getoond die betaald moesten worden en/of toegezegd dat het (geleende) geldbedrag terug zou worden betaald, terwijl dit niet (geheel)is terugbetaald en/of een valse hoedanigheid aangenomen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader zich voorgedaan als bonafide geldlener, waardoor die [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
Op zondag 3 november 2013 deed aangever [slachtoffer] (84 jaar) aangifte van oplichting. Kort en zakelijk weergegeven verklaarde hij dat hij woonachtig is aan het [straat] 362 te ’s-Gravenhage en dat in januari 2013 aan het [straat] 354 nieuwe bewoners zijn ingetrokken, te weten medeverdachte Hans [medeverdachte] en verdachte [verdachte] . De aangifte hield kort gezegd in dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 29 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013 meermalen voor verschillende doeleinden geld hadden geleend tot een omvangrijk totaalbedrag (circa 70.000 tot 80.000 euro) en dit, op een zeer klein deel na, niet hebben terugbetaald.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Verdachte weet niets van leningen af, omdat die tussen aangever en haar man waren afgesloten. Voorts is hoogstens sprake van een civielrechtelijke wanprestatie door het niet terugbetalen van de leningen, maar niet van een strafrechtelijke oplichting.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van het volgende.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat op 29 januari 2013 verdachte [verdachte] bij hem thuis aanbelde en hem vertelde dat ze in geldnood zat. Ze kon de huur niet meer betalen en vroeg aangever om hulp. Nadat aangever haar had aangeboden om € 800,- voor te schieten, beloofde zij hem terug te betalen met het geld dat haar (ex-)man, [medeverdachte] , zou ontvangen uit een erfenis. Vervolgens zijn zowel verdachte [medeverdachte] als verdachte [verdachte] vanaf die datum tot en met 31 oktober 2013 meermalen bij aangever aan de deur geweest om geld te lenen. Daarbij vertelden zij dat zij hun rekeningen niet konden betalen en een belastingschuld hadden. Als aangever hen geen geld wilde lenen, zeiden verdachten dat hij het gehele bedrag nooit meer terug zou krijgen omdat de erfenis van [medeverdachte] pas vrij zou komen als deze belastingschuld betaald was. Telkens als aangever verdachten geld leenden, beloofden zij dat hij het geld snel terug zou krijgen.2 Toen aangever vroeg hoe ze al dat geleende geld terug gingen betalen, vertelden ze dat de notaris de erfenis tegenhield tot alle schulden betaald zouden zijn en werd aangever een e-mail van de notaris getoond waarin deze schreef dat het makkelijk zou lukken.3 Als verdachte [verdachte] geld kwam lenen, liet zij bijvoorbeeld een rekening van gas of elektriciteit zien, of een overzicht van waar ze geld aan moesten uitgeven.4

De dochter van aangever [slachtoffer] merkte dat haar vader in de genoemde periode zowel fysiek als mentaal sterk achteruit was gegaan en op een zeker moment zijn eigen huur niet meer kon betalen.5

Uit de bankafschriften van aangever is gebleken dat in de periode van 26 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 27 overboekingen zijn gedaan naar de gezamenlijke rekening van [verdachte] en [medeverdachte] , voor een totaalbedrag van € 73.492,03. Bij deze overboekingen stonden omschrijvingen als “betaling boete door Belastingdienst opgelegd bedrag via notaris”, “kosten graf Oud Eik en Duinen”, “nota Eneco”, “bijdrage kosten notaris”, “restant BTW notaris” en “betaling ivm belastingaanslag via notaris”.6

Blijkens het door aangever bijgehouden kasboekje en de door hem opgemaakte notities en kwitanties heeft hij daarnaast negen maal contant geld geleend aan verdachten, voor in totaal € 6.950,-.In het kasboekje wordt ‘ [verdachte] ’ – volgens aangever verdachte [verdachte] – driemaal aangeduid als ontvanger van contante bedragen.7

In de periode van juni 2013 tot en met oktober 2013 is van de gezamenlijke rekening van verdachten met rekeningnummer 59.36.56.288 in totaal € 65.830,- contant opgenomen. Zowel met hun gezamenlijke pinpas (16 keer), als die van verdachte [verdachte] (32 keer) en die van verdachte [medeverdachte] (26 keer).8

In de periode van juni 2013 tot en met december 2013 hebben verdachten [medeverdachte] en [verdachte] respectievelijk 97 en 88 keer Holland Casino Scheveningen bezocht.9 Daarbij speelden zij altijd samen aan de roulettetafel, waarbij zij kennelijk een systeem van spelen hanteren. Halverwege 2013 is plotseling hun aantal bezoeken toegenomen en hun inzet op de tafel verhoogd. Ze beschikten op een gegeven moment over meer geld dan voorheen en speelden regelmatig met enkele duizenden euro’s inzet.10

Op 11 en 12 augustus 2013, alsmede op 31 oktober 2013 zijn grote bedragen – duizenden euro’s – gepind van de rekening van [medeverdachte] bij de pinautomaat aan het Kurhaus te Scheveningen.11 Op deze drie data hebben beide verdachten ook het Holland Casino te Scheveningen bezocht.12 Rond die data zijn door aangever [slachtoffer] tevens bedragen van enkele duizenden euro’s naar de rekening van verdachten overgemaakt.13

Bij onderzoek van de inbeslaggenomen administratie van de verdachten zijn vijf aankoopbonnen van de Media Markt aangetroffen. Het gaat om meerdere aankopen in de periode van 8 juli 2013 tot en met 26 juli 2013 voor een totaalbedrag van € 1.360,96, onder meer voor twee Samsung TV’s van € 555,- en € 679,-.14

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] en zijzelf geen notaris hadden, noch een belastingschuld en dat er geen erfenis was.15 Zij ontvingen samen een gezinsuitkering van € 1.300,- per maand (inclusief vakantiegeld) waar zij van rond moesten komen16 en hadden samen schulden van in totaal een paar duizend tot enkele tienduizenden euro’s.17

Voorts heeft zij verklaard dat zij mantelzorger is voor haar dementerende man,18 zij de administratie deed19 en dat [medeverdachte] in januari 2014 sinds circa een half jaar niet meer bij de bankgegevens kon.20 Daarnaast heeft zij verklaard dat zij maandelijks de bank belde om het saldo te controleren en na te gaan of hun uitkering reeds gestort was.21

Een andere bewoonster van het [straat] heeft als getuige verklaard dat, toen verdachten ongeveer twee weken in de flat woonden, de verdachte naar haar toe is gekomen met de vraag of ze geld kon lenen. Daarbij heeft verdachte aangegeven dat haar man zijn maandloon voor de huur en gasrekening had opgehaald, maar onderweg was verloren. De getuige heeft dit toen geweigerd. Zij heeft in plaats daarvan eten aangeboden, maar dit van de verdachte teruggekregen.22

Nadere bewijsoverwegingen en bespreking bewijsverweren

Betrokkenheid verdachte

De verdachte heeft verklaard dat haar man een lening bij aangever [slachtoffer] had waar zij niets vanaf wist, tot zij met de aangifte geconfronteerd werd. Zij dient derhalve - in haar visie - vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Aangever [slachtoffer] heeft in zijn gedetailleerde en consistente aangifte, alsmede de verhoren daarna, verklaard dat ook de verdachte bij hem kwam om geld te lenen. Zij deed dit al dan niet samen met medeverdachte [medeverdachte] . Deze verklaring wordt ondersteund door het door hem in die periode bijgehouden kasboekje waarin vermeld staat dat hij enkele contante bedragen aan “ [verdachte] ”, de verdachte, heeft geleend. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om aan de betrouwbaarheid van aangever te twijfelen.

De verklaring van de verdachte is daarentegen niet aannemelijk geworden. Temeer nu zij zelf heeft verklaard de administratie te voeren voor haarzelf en [medeverdachte] , omdat zij zijn mantelzorger is. Daar komt bij dat zij het saldo van hun gezamenlijke rekening controleerde en dat er 32 keer met haar pinpas (grote) contante geldbedragen zijn opgenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig dat het telkens medeverdachte [medeverdachte] is geweest die hiervoor in een periode van acht maanden, als dementerende man, 32 keer buiten haar medeweten haar pinpas zou hebben gebruikt. Ook acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte [medeverdachte] deze bedragen door aangever liet storten zonder dat zij hiervan op de hoogte zou zijn geraakt. Bovendien is de verklaring van de verdachte, dat zij slechts mee ging naar Holland Casino als begeleidster van haar demente man omdat hij niet zonder haar over straat mag, innerlijk tegenstrijdig met haar verklaring dat hij wel 32 keer alleen op pad zou zijn gegaan om buiten haar medeweten geld te pinnen.

Ook de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat haar (ex-)man speelde met andermans geld in Holland Casino, schuift de rechtbank terzijde. Verdachte heeft niet nader willen of kunnen verklaren voor wie hij dan speelde en hoe hij – als (sterk) dementerende man die haar constante begeleiding behoeft – aan dat geld kwam om mee te spelen. Bovendien heeft de verdachte deze verklaring pas op een zeer laat moment en wisselend afgelegd; allereerst heeft zij ter terechtzitting verklaard dat zij uit privacy-overwegingen geen namen wilde noemen en vervolgens dat zij niet wist voor wie haar man speelde. Ten slotte wordt haar verklaring ter terechtzitting, dat slechts haar man speelde en zij zich daar niet mee bezighield maar slechts als chaperonne meeging, weerlegd door de verklaring van de manager van Holland Casino. Die heeft verklaard dat beide verdachten altijd samen speelden aan de roulettetafel en daar zelfs hun een eigen speelsysteem bij hanteerden.

De rechtbank leidt haar overtuiging dat de verdachte wel degelijk betrokken is geweest bij het lenen van geld voorts af uit de verklaring van getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat de verdachte ook bij haar langs is geweest om geld te lenen onder een soortgelijk voorwendsel als bij de aangever.

Op basis van de aangifte, die ondersteuning vindt in de bijlagen daarbij, alsmede de overige inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat beide verdachten - in een bewuste en nauwe samenwerking - samen geld hebben geleend van aangever [slachtoffer] en dit niet hebben terugbetaald. Aldus wordt toegekomen aan de vraag, of op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de ten laste gelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Civielrechtelijke lening of strafrechtelijke oplichting?

Door de verdachte en haar raadsman is bepleit dat slechts sprake is geweest van leningen. Het niet terug betalen daarvan kan hoogstens worden beschouwd als een civielrechtelijke wanprestatie, maar niet als een strafrechtelijke oplichting zoals ten laste is gelegd. De raadsman heeft voor zijn verweer onder meer aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de zogenaamde bonafide geldlener, waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide geldlener, die in staat en voornemens is het geleende geld na ommekomst van een (onbepaalde) periode terug te geven, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Algemeen

Voor bewezenverklaring van oplichting is onder meer nodig dat de verdachte(n) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen een valse naam en/of hoedanigheid hebben aangenomen, een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels hebben gebruikt om een ander te bewegen tot afgifte van – in dit geval – een of meer geldbedragen.

Het aannemen van een valse hoedanigheid bestaat - onder meer - in het valselijk optreden in een rechtsverhouding, waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend, waarop men in het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rol-verwachting is verbonden.

Listige kunstgrepen zijn bedrieglijke handelingen die geschikt zijn om onjuiste voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. Een enkele listige kunstgreep is voldoende (Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3833).

Een verdichtsel is een opzettelijke onwaarheid, een mededeling waarvan de dader de onjuistheid kende. Daaronder valt de opzettelijke verzwijging van iets, waarvan men begreep dat het vermeld moest worden. Omdat het Wetboek van Strafrecht een samenweefsel van verdichtselen vergt, is een enkele leugen of verzwijging, anders dan een enkele kunstgreep, ontoereikend om tot bewezenverklaring van oplichting te komen.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600).

In deze zaak

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever in de ten laste gelegde periode geld heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van verdachten en dat hij hun in deze periode ook contant geld heeft overhandigd. Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een louter civielrechtelijke kwestie noch van de 'enkele omstandigheid' dat de verdachten zich hebben voorgedaan als bonafide geldlener. Er is méér.

Verdachten hebben zich in de eerste plaats bediend van leugens. Deze bestonden erin dat verdachten aangever hebben voorgehouden dat zij geld wilden lenen om een belastingschuld te voldoen en om daarmee een erfenis van de vader van medeverdachte [medeverdachte] te kunnen effectueren, alsmede dat de notaris de erfenis zou tegenhouden totdat alle schulden zouden zijn betaald. Aan aangever werd toegezegd dat hij zou worden terugbetaald als de erfenis daadwerkelijk geeffectueerd zou zijn. Daarbij werd hem voorgehouden dat hij zijn geld niet terug zou zien als hij verdachten niet nog meer geld zou lenen. Dan zou de erfenis immers niet te gelde kunnen worden gemaakt. Verdachte [verdachte] , naar eigen zeggen belast met de administratie en de financiën van hen beiden, heeft op 22 januari 2014 echter bij de politie verklaard dat bij haar of medeverdachte [medeverdachte] geen sprake was van een belastingschuld, erfenis of notaris.

Om hun leugens bij aangever ingang te doen vinden hebben verdachten hem meerdere keren schriftelijke stukken getoond waaronder nota’s en een e-mail van de beweerdelijke notaris. Deze handelingen zijn daarom aan te merken als bedrieglijke handelingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever op dit punt, omdat deze steun vindt in de hiervoor aangehaalde omschrijvingen van de girale overboekingen aan verdachten.

Uit het voorgaande volgt dat verdachten “listige kunstgrepen” hebben gebruikt om aangever te bewegen tot de afgifte van het geld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat bovengenoemde gedragingen van verdachten, tezamen en in onderling verband bezien, aangever in de waan hebben gebracht met bonafide geldleners van doen te hebben en hij ook aldus werd bewogen tot afgifte van het geld. Verdachten hebben als zodanig bewust gebruik gemaakt van een “valse hoedanigheid”, te weten de valse hoedanigheid van bonafide geldleners. Dat verdachten tweemaal een bedrag van € 500,- hebben afgelost, doet aan dit oordeel niet af, omdat dit past binnen het ‘aan het lijntje houden’ van de aangever door de verdachten. Dat verdachten van meet af aan niet van plan waren om het geleende geld terug te betalen, volgt voorts uit de grote contante geldopnamen en de frequente bezoeken aan Holland Casino waar zij in een periode van acht maanden ongeveer 90 keer samen hebben gegokt met (voor hun doen) ongebruikelijk hoge inzetbedragen, alsmede de forse uitgaven bij MediaMarkt in juli 2013.

De vertrouwenwekkende aard, het aantal en het elkaar versterkende karakter van de onware mededelingen, alsook het gegeven dat deze tot een – blijkens de verklaringen van aangever en diens dochter – kwetsbare hulpbehoevende oude man waren gericht die niet meer het gevoel had terug te kunnen, maken dat de handelingen van de verdachten, tezamen genomen, naar het oordeel van de rechtbank tevens moeten worden gekwalificeerd als een “samenweefsel van verdichtsels”.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat, met deze handelingen en omstandigheden, sprake is van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht. Zij komt derhalve tot de volgende bewezenverklaring.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

zij in de periode van 29 januari 2013 t/m 31 oktober 2013 te ’s-Gravenhage meermalen, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte en haar mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid (telkens) aangegeven geld te willen lenen voor:

- de aflossing van een belastingschuld en

- het betalen van rekeningen en

- het betalen van grafkosten en

- het betalen van een boete en

- om het recht op een erfenis te kunnen uitvoeren

en aan die [slachtoffer] toegezegd het geld terug te betalen zodra zij en/of haar medeverdachte over geld van de/een erfenis zou beschikken en een e-mail van een notaris getoond en nota's getoond die betaald moesten worden en toegezegd dat het (geleende) geldbedrag terug zou worden betaald, terwijl dit niet (geheel) is terugbetaald, immers hebben verdachte en haar mededader zich voorgedaan als bonafide geldlener, waardoor die [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van de verdachte is verzocht rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden en het feit dat deze zaak reeds tot gevolg heeft gehad dat de uitkering van haar man en haarzelf is stopgezet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich, samen met haar (ex-)man schuldig gemaakt aan oplichting van hun 84-jarige buurman. Daarbij hebben zij het slachtoffer bewogen tot de afgifte van in totaal circa € 75.000,-. Dit bedrag is, op € 1.000,- na, niet terugbetaald. Het bedrag is in delen van hem geleend, waarbij verdachten telkens met verschillende leugenachtige verhalen op de proppen kwamen om zo het slachtoffer ertoe te bewegen hun opnieuw een geldbedrag te lenen. De verdachten hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen, de hulpvaardigheid en kwetsbaarheid van een alleenstaande buurman op hoge leeftijd. Dit alles heeft zich afgespeeld in een periode van acht maanden, waarin het slachtoffer niet alleen financieel, maar blijkens de verklaring van zijn dochter ook fysiek en mentaal sterk achteruit is gegaan. Hij was door dat laatste een makkelijke prooi voor de verdachten, die overwicht op hem hadden. Aangever kon door de ‘leningen’ aan verdachten op een zeker moment niet eens meer zijn eigen huur betalen. Naast al zijn spaargeld, waarvan een deel was bestemd voor zijn kleinzoon, hadden zij immers óók zijn leefgeld verkregen. Verdachten hebben al dit geld hoofdzakelijk vergokt en besteed aan de aanschaf van elektronica. Aangever is hierdoor dus ernstig gedupeerd en blijkens de toelichting op zijn vordering als benadeelde partij getraumatiseerd geraakt.

De verdachten hebben louter gehandeld uit winstbejag en zich niets aangetrokken van het lot van hun slachtoffer. De rechtbank rekent een en ander de verdachte in hoge mate aan, temeer omdat zij blijkens zijn haar verklaringen tegenover de politie en haar houding ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen, noch het laakbare daarvan inziet.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de hiervoor beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde, alsmede de aanzienlijke hoogte van het benadelingsbedrag en de gevolgen die het bewezen verklaarde feit voor het slachtoffer heeft gehad door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 november 2015, waaruit blijkt dat zij in dat register niet eerder als verdachte is geregistreerd.

Bij haar beslissing over de strafmaat heeft de rechtbank voorts de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting door haar en haar raadsman naar voren zijn gebracht betrokken, alsmede hetgeen in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden is, waarbij het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf ertoe dient verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 De vordering van de benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Dhr. [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 73.692,03, bestaande uit materiële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is door de verdediging niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van
€ 73.692,03.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade (in volle omvang) met ingang van 31 oktober 2013 is geleden.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 73.692,03, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot DRIE (3) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee (2) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van € 73.692,03, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 73.692,03 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 363 (zegge driehonderddrieënzestig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L. Harmsen, voorzitter,

mr. S.M. de Bruijn, rechter,

mr. J. Smeets, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1521-2013215090, van de politie Haaglanden, district Segbroek – Haagse Hout – Scheveningen, bureau Overbosch met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 441).

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 3 november 2013 (dossierpagina 89 en 90).

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 3 januari 2014 (dossierpagina 100).

4 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 3 januari 2014 (dossierpagina 101 onderaan).

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 29 december 2013 (dossierpagina 119).

6 Geschriften, zijnde bijlage bij proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 3 november 2013, bestaande uit bankafschriften (dossierpagina 92 tot en met 96).

7 Geschriften, bestaande uit kopie kasboekje (dossierpagina 112 -114), notities (dossierpagina 115 en 116) en kwitanties (dossierpagina 117); proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 366).

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2014 (dossierpagina 366 en 367 met bijlagen dossierpagina 362-364).

9 Geschriften, bestaande uit overzichten van casino-bezoeken (dossierpagina 215 en 216 en 223 en 224).

10 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 10 april 2014 (dossierpagina 130) inclusief bijlagen (dossierpagina 132 tot en met 140).

11 Geschrift, bestaande uit een overzicht van contante geldopnamen (dossierpagina 362).

12 Geschriften, bestaande uit overzichten van casino-bezoeken (dossierpagina 215 en 216 en 223 en 224).

13 Geschrift, zijnde bijlage bij proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 3 november 2013, bestaande uit bankafschriften (dossierpagina 92).

14 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen (dossierpagina 380-387).

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 59).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 55 onderaan).

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 58) en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 mei 2014 (dossierpagina 81).

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 54).

19 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 december 2015.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 57).

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 60) en verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 december 2015.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 januari 2014 (dossierpagina 120).