Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1562

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
15/779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt met ingang van 11-02-2015. De rechtbank stelt vast dat de Chinese autoriteiten in 2013 en 2014 nauwelijks laissez-passers hebben afgegeven en dat bijna een jaar geleden voor het laatst een laissez-passer is afgegeven aan een Chinese vreemdeling. Verweerder heeft in dit verband desgevraagd ter zitting verklaard dat de Chinese autoriteiten al langere tijd niet reageren op door verweerder toegezonden laissez-passeraanvragen en dat er evenmin presentaties in persoon plaatsvinden. Hoewel uit de informatie van verweerder volgt dat de nodige inspanningen worden verricht op diplomatiek niveau, blijkt niet van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. Verweerder heeft ter zitting van 11 februari 2015 noch over de inhoud van het contact van DT&V met de Chinese autoriteiten, noch over de inhoud van de Note Verbale, noch over de termijn waarbinnen de Chinese autoriteiten naar verwachting alsnog hun medewerking zullen verlenen aan gedwongen terugkeer helderheid kunnen verschaffen. Onder deze omstandigheden kan verweerder niet langer tegenwerpen dat de vreemdeling niet voldoende actief en volledig meewerkt en moet worden vastgesteld dat thans het zicht op uitzetting is komen te ontbreken.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 15/779, V-nummer:[a]

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. R.W. Koevoets,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.D. Streef.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de op 17 oktober 2014 aan hem opgelegde maatregel van bewaring en verzocht om schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 januari 2015. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft gereageerd en de rechtbank verzocht een nadere zitting te bepalen.

De rechtbank heeft in de nadere informatie van verweerder aanleiding gezien de onderhavige zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te verwijzen naar de meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Eiser is ter zitting bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De beroepsgrond dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt, slaagt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, kan van een vreemdeling op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen. Hoewel de verplichting tot medewerking ook geldt in de situatie dat ondanks zodanige medewerking niet tot uitzetting kan worden gekomen, kan de desbetreffende vreemdeling in dat geval niet langer ter motivering van de bewaring worden tegengeworpen dat hij niet of in onvoldoende mate aan zijn verplichting tot medewerking voldoet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9987).

1.2.

Uit de door verweerder verstrekte informatie en uit hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard volgt dat in 2013 vier laissez-passers zijn verstrekt voor Chinese vreemdelingen en dat in 2014 één laissez-passer is verstrekt op 6 maart 2014 voor een Chinese vreemdeling. Verweerder heeft voorts ter zitting verklaard dat het laatste contact tussen DT&V en de Chinese autoriteiten half september 2014 heeft plaatsgevonden. In het najaar van 2014 heeft een interventie plaatsgevonden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken middels toezending aan de Chinese autoriteiten van een zogeheten Note Verbale. Verweerder wacht een reactie af.

1.3.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de Chinese autoriteiten in 2013 en 2014 nauwelijks laissez-passers hebben afgegeven en dat bijna een jaar geleden voor het laatst een laissez-passer is afgegeven aan een Chinese vreemdeling. Verweerder heeft in dit verband desgevraagd ter zitting verklaard dat de Chinese autoriteiten al langere tijd niet reageren op door verweerder toegezonden laissez-passeraanvragen en dat er evenmin presentaties in persoon plaatsvinden. Hoewel uit de informatie van verweerder volgt dat de nodige inspanningen worden verricht op diplomatiek niveau, blijkt niet van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. Verweerder heeft ter zitting van 11 februari 2015 noch over de inhoud van het contact van DT&V met de Chinese autoriteiten, noch over de inhoud van voornoemde Note Verbale, noch over de termijn waarbinnen de Chinese autoriteiten naar verwachting alsnog hun medewerking zullen verlenen aan gedwongen terugkeer helderheid kunnen verschaffen. Onder deze omstandigheden kan verweerder niet langer tegenwerpen dat eiser niet voldoende actief en volledig meewerkt en moet worden vastgesteld dat thans het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De rechtbank acht de inbewaringstelling van eiser derhalve met ingang van 11 februari 2015 onrechtmatig.

2. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgrond faalt. Sinds de sluiting van het onderzoek in het vorige beroep met zaaknummer AWB 14/25034 op 11 november 2014 heeft verweerder - zo volgt uit de voortgangsgegevens van 19 januari 2015 - meermalen schriftelijk gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten en meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd.

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring.

4. De rechtbank ziet aanleiding eiser een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige bewaring (van 11 februari 2015 tot 12 februari 2015) ten bedrage van 1 x € 80,- = € 80,-.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.225,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe tot een bedrag van € 80,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.225,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, voorzitter, en mr. A.P. Hameete en mr. C. Vogtschmidt, leden, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.