Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15573

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
AWB 15/2703 VK en AWB 14/25617
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1154, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep en vovo, regulier, Armenië, artikel 64 Vw, HCA-rapport, anders dan verweerder geen adequate medische behandeling, hoorplicht, vergewisplicht. beroep gegrond, verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/2703 en AWB 14/25617

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 23 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1979] , van Armeense nationaliteit, eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) van 23 november 2012 tot het achterwege laten van de uitzetting op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 15 januari 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats, na vereenvoudigde behandeling buiten zitting het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het beroep niet waren ingediend.

2. Tegen deze uitspraak heeft eiser verzet gedaan. Bij uitspraak van 10 juni 2015 is het verzet gegrond verklaard. Op grond van artikel 8:55, negende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is daarom de uitspraak van 22 mei 2015 vervallen. Het onderzoek door de rechtbank wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan neergelegd in de uitspraak op het verzet van 10 juni 2015.

3. Op 24 december 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het achterwege laten van uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw. Bij besluit van 8 maart 2010 is deze aanvraag afgewezen, tegen welk besluit eiser bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit van 5 augustus 2011 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 mei 2012 is het beroep gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, maar zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

4. Op 23 november 2012 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Op 8 oktober 2014 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht aan verweerder. Vervolgens heeft verweerder de aanvraag afgewezen bij besluit van 10 november 2014. Het door eiser tegen dit laatstgenoemde besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 15 januari 2015 ongegrond verklaard.

5. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit een besluit van gelijke strekking is ten opzichte van het besluit van 8 maart 2010 en de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2011.

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer de uitspraken van 21 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM2310) en 16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU5024), volgt dat indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst alsof het een eerste afwijzing is. Alleen als in de bestuurlijke fase of bij toepassing van artikel 83 van de Vw nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd of hieruit volgt dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

7. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is slechts anders indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817) voordoen.

8. Voor de rechter geldt het hiervoor omschreven (beperkte) toetsingskader ook indien het bestuursorgaan art. 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet heeft toegepast of in de motivering van zijn beslissing buiten dit toetsingskader is getreden. Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS van 4 april 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AF7223). De rechtbank zal gelet op voormeld toetsingskader daarom allereerst beoordelen of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.

9. Bij zijn huidige aanvraag heeft eiser stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn medische situatie van 22 oktober 2012 en een brief van psychiater [A] van 3 juli 2012. Deze stukken dateren van na de eerdere besluiten en zien op feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na de eerdere besluiten. Een inhoudelijke beoordeling van eisers aanvraag is derhalve gerechtvaardigd.

10. Naar aanleiding van het BMA-advies heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uitzetting van verzoeker niet hoeft te leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, omdat in Armenië behandeling mogelijk is voor verzoekers medische klachten.

11. Eiser heeft hier tegen aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat medische behandeling in Armenië beschikbaar is. Eiser heeft in bezwaar gemotiveerd en gedocumenteerd aangevoerd dat uit de door hem overgelegde rapportage van ‘Human Rights Situation in Neuropsychiatric Medical Institutions in 2013’ van Helsinki Citizens’ Assembly - Vanadzor van 29 september 2014 (HCA-rapport) blijkt dat behandeling niet voorhanden is. De rapportage geeft een zeer alarmerend beeld van de wijze waarop psychiatrische instellingen in Armenië met hun patiënten omgaan. Deze rapportage heeft geen betrekking op de feitelijke toegankelijkheid, maar op het feit dat de behandeling die eiser behoeft in Armenië niet voorhanden is. De omstandigheden die in het rapport worden beschreven ondersteunen duidelijk het feit dat eiser blootgesteld wordt aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gezien de misstanden in de psychiatrische klinieken. Een beroep op deze rapportage kan niet enkel met de opmerking dat het hier de kwaliteit en toegankelijkheid van de medische zorg betreft worden afgedaan. Het rapport is een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het BMA-advies. Voorts heeft eiser een beroep gedaan op Country Reports on Human Rights Practices for 2014 en het World report 2015: Armenia, Human Rights Watch.

12. In het BMA-advies is het volgende opgenomen. Eiser is bekend met PTSS en psychotische stoornis NAO. Hij staat voor zijn klachten onder medische behandeling. Hij heeft gesprekken, overwegend samen met zijn echtgenote, bij de psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Daar het een chronische aandoening betreft, zal de behandeling langdurig (lees: jaren) geïndiceerd zijn. Bij eiser is sprake van PTSS en een psychotische stoornis waarbij in het verleden tevens sprake is geweest van een gedwongen opname vanwege onder andere suïcidaliteit. Voor zijn medische behandeling is hij ook afhankelijk van mantelzorg. Gelet op de huidige medische inzichten is het niet uitgesloten, gezien de ernstige klachten en opname in het verleden, dat het uitblijven van een behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De BMA-arts concludeert dat behandeling en opname door een psychiater mogelijk is in onder andere “NORK” Psychiatric center in Yerevan en “Avan” Yerevan city Dispensary – inpatient en outpatient services. De door eiser gebruikte medicijnen zijn verkrijgbaar.

13. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS is een advies van het BMA aan verweerder aan te merken als een deskundigenadvies, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1081). Verweerder moet, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich op grond van artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder in beginsel van dit advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

14. De rechtbank overweegt dat het rapport geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de beschikbaarheid van de medische behandeling in Armenië, aangezien uit het BMA-advies blijkt dat in “NORK” Psychiatric center in Yerevan en “Avan” Yerevan city Dispensary – inpatient en outpatient services behandelmogelijkheden zijn voor eiser. Uit het HCA-rapport blijkt eveneens dat deze twee instellingen worden genoemd in het HCA-rapport, zodat aan de beschikbaarheid van de behandeling wordt voldaan. In zoverre slaagt het beroep niet.

15. De rechtbank volgt eiser wél in zijn standpunt dat het HCA-rapport een concreet aanknopingspunt biedt voor twijfel aan de adequaatheid van de beschikbare medische behandeling, gelet op de inhoud van het HCA-rapport. Uit het HCA-rapport blijkt dat zes instellingen zijn onderzocht, waaronder de twee instellingen genoemd in het BMA-rapport, en dat de situatie voor psychiatrische patiënten in Armenië zorgelijk is. Zo worden patiënten geslagen door het personeel, moeten zij dwangarbeid verrichten en hebben ze geen recht op juridische bijstand of inzage in hun medische dossier. Het standpunt van verweerder ter zitting dat nog onzeker is of eiser in Armenië intramuraal zal worden behandeld en eiser momenteel extramurale behandeling krijgt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet als een toekomstige onzekere gebeurtenis kunnen uitsluiten. Uit het HCA-rapport blijkt immers dat er financiële prikkels zijn voor een psychiatrische instelling om patiënten op te nemen, hetgeen een aspect is dat verweerder niet heeft beoordeeld. Het ligt op de weg van verweerder om dit zorgvuldig na te gaan en zich ervan te vergewissen dat de behandeling in Armenië adequaat is.

De verwijzing van verweerder naar de aanbevelingen aan de Armeense overheid die in het rapport zijn opgenomen en de reactie van het Armeense Ministerie van Gezondheidszorg op deze aanbevelingen, acht de rechtbank onvoldoende. Daargelaten dat daarmee niet inzichtelijk is op welke wijze de aanbevelingen tot maatregelen hebben geleid, acht de rechtbank van belang dat verweerder de vertrouwensarts heeft geraadpleegd voor de verschijning van het HCA-rapport. Tot slot is van belang dat in het BMA-advies alleen de twee onder 14 genoemde instellingen zijn genoemd als instellingen waar de noodzakelijke behandeling voor eiser beschikbaar zijn en beide instellingen onderwerp vormen van het HCA-rapport. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

16. De beroepsgrond van eiser dat de hoorplicht, zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Awb, is geschonden nu eiser in bezwaar niet is gehoord, slaagt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van het horen afzien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar indien uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was niet op voorhand uitgesloten dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden. Verweerder heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en ten onrechte afgezien van het horen van eiser.

17. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtbank niet kan overzien op welke termijn en op welke wijze verweerder uitvoering kan geven aan de vergewisplicht. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat naar het zich laat aanzien te onzeker is wanneer het benodigde onderzoek, waarbij verweerder mogelijk afhankelijk is van vertrouwensartsen in Armenië, kan worden afgerond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

18. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak ziet de rechtbank aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het verweerder wordt verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat verweerder opnieuw heeft beslist op het bezwaarschrift.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.715,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, met een waarde per punt van € 490- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 januari 2015;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 1.225,-, te betalen aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder eiser uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 490,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.