Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15520

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
C/09/465278 / HA ZA 14-545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

vordering van TBS's tegen de Staat en forensisch psychiatrisch centrum ogv onrechtmachtige daad, bestaande in het langdurig uitblijven van behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/465278 / HA ZA 14-545

Vonnis van 16 december 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.W.J.L. Loonen te Heerlen,

tegen

1 DE STAAT DER NEDERLANDEN (MIN. VAN JUST. EN VEILIGHEID),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag,

2. de stichting

STICHTING FORENSISCH PSYCHIATRISCH CENTRUM DR. S. VAN MESDAG,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. E. Pans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk [eiser] , de Staat en FPC Van Mesdag genoemd worden en gedaagden gezamenlijk zullen als de Staat c.s. worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 maart 2014, met producties,

- de conclusies van antwoord van de zijde van de Staat, met producties,

- de conclusie van antwoord van FPC Van Mesdag, met producties,

- het tussenvonnis van 8 oktober 2014, waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer van deze rechtbank is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 18 februari 1997 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. De veroordeling betreft onder meer het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en het met iemand beneden de leeftijd van 12 jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

2.2.

Op 27 januari 1998, de datum waarop het door [eiser] ingestelde cassatieberoep tegen genoemd arrest werd verworpen, heeft de tbs formeel een aanvang genomen, maar verbleef [eiser] nog in een huis van bewaring. Vervolgens is hij ter behandeling opgenomen in de volgende klinieken:

- FPC Van der Hoevenkliniek: van 23 februari 1999 tot en met 29 mei 2002;

- FPC Van Mesdag: van 29 mei 2002 tot en met 3 maart 2010;

- FPC Oldenkotte: van 3 maart 2010 tot en met 2 mei 2014;

- FPC de Oostvaarderskliniek: van 2 mei 2014 tot heden.

2.3.

De maatregel van terbeschikkingstelling van [eiser] is, steeds op advies van de (behandelend) psycholoog/psychiater, bij opeenvolgende beslissingen door de rechter verlengd, voor het eerst op 8 februari 2000 en voor het laatst op 3 februari 2014. De verlengingsadviezen zoals die door de (behandelend) psychiater/psycholoog aan het Ministerie van Justitie zijn gegeven in het kader van vorderingen tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van [eiser] vermelden tot 2014 als diagnose kort gezegd een (narcistische en antisociale) persoonlijkheidsstoornis en pedofilie.

2.4.

Tijdens de behandeling heeft FPC Van Mesdag bij multidisciplinaire bespreking van 8 juni 2004 besloten dat er voor [eiser] laagfrequent begeleid verlof zou worden aangevraagd om hospitalisatie tegen te gaan. Deze aanvraag is voorgelegd aan de interne verloftoetsingscommissie van FPC Van Mesdag, die de aanvraag op grond van het destijds geldende verloftoetsingskader heeft afgewezen.

2.5.

In het kader van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling eind 2005, waarbij de officier van justitie verlenging met de termijn van één jaar heeft gevorderd, heeft FPC Van Mesdag aan justitie gerapporteerd en geadviseerd de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen, kort gezegd vanwege het recidiverisico. Daarbij is aangegeven dat over het toekomstperspectief van [eiser] “op korte termijn” zou worden beslist. Tijdens de behandeling van de vordering door de rechtbank Leeuwarden op 5 januari 2006 is blijkens het proces-verbaal van die zitting door de officier van justitie meegedeeld dat hij verlenging vordert met één jaar en voorts:

“De officier van justitie merkt hierbij op dat veroordeelde hieraan geen verwachtingen wat betreft beëindiging van de termijn van terbeschikkingstelling kan ontlenen. De officier van justitie deelt mede dat hij verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met één jaar vordert omdat op deze manier wordt aangegeven dat op dit moment nog niet wordt gedacht aan plaatsing van veroordeelde op een longstay-afdeling en dat de kliniek op deze manier onder druk wordt gezet om de mogelijkheden van veroordeelde te onderzoeken, zodat deze mogelijkheden over een jaar kunnen worden getoetst.”
2.6. De rechtbank Leeuwarden heeft de terbeschikkingstelling op 19 januari 2006 met één jaar verlengd op grond van de delictgevaarlijkheid, zonder nadere motivering.

2.7.

FPC van Mesdag heeft begin 2006 geconcludeerd dat met zes jaar psychotherapie en andere vormen van klinische behandeling slechts een marginale vooruitgang was geboekt en dat een behandelperspectief enkel nog aan de orde was in samenhang met libidoremmende medicatie. [eiser] heeft libidoremmende medicatie geweigerd. Na externe consultatie van volgens FPC Van Mesdag landelijke experts op het gebied van dwangmedicatie, heeft FPC Van Mesdag besloten de libidoremmende medicatie niet gedwongen toe te dienen. Vervolgens heeft FPC Van Mesdag aan [eiser] kenbaar gemaakt dat, indien hij libidoremmende medicatie zou blijven weigeren, een longstay-aanvraag zou worden ingediend.

2.8.

Met het oog op de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling die door de rechtbank Leeuwarden beoordeeld zou worden op 18 januari 2007, heeft FPC Van Mesdag een advies uitgebracht op 14 november 2006, waarin melding is gemaakt van de voorgenomen longstay-aanvraag en is geadviseerd de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen.

2.9.

De (toenmalige advocaat van) [eiser] heeft daarop opdracht gegeven tot een psychiatrisch en psychologisch onderzoek, waarbij door [eiser] eveneens aandacht is gevraagd voor de door FPC Van Mesdag voorgenomen longstay-aanvraag. [A] , psychiater, en [B] , psycholoog, hebben op 21 december 2006 geadviseerd tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar “opdat de resocialisatie van onderzochte in gang kan worden gezet”. Een longstay-aanvraag achtten de onderzoekers onwenselijk.

2.10.

Op 1 februari 2007 is de terbeschikkingstelling van [eiser] door de rechtbank Leeuwarden met twee jaar verlengd.

2.11.

Op 5 maart 2007 heeft FPC Van Mesdag een longstay-aanvraag ingediend bij de afdeling Individuele Tbs-zaken (hierna: de afdeling ITZ) van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie (hierna: de DJI). De afdeling ITZ heeft vervolgens advies gevraagd aan de Landelijke Adviescommissie Plaatsing Longstay Forensische Zorg (hierna: de LAP). De LAP is een onafhankelijke commissie die de afdeling ITZ adviseert over de eventuele plaatsing van tbs’ers op een longstay-afdeling, de voortzetting van de longstay-plaatsing en de opheffing daarvan.

2.12.

De LAP heeft op 12 september 2008 de aanvraag voor de longstay-status van [eiser] besproken en besloten om onafhankelijk advies te vragen door middel van een multidisciplinaire rapportage. Door bemiddeling van de afdeling Plaatsing Forensische Zorg van de DJI is aan GZ-psycholoog mevrouw drs. [B] (hierna: [B] ) en psychiater de heer drs. [C] (hierna: [C] ), beide als deskundigen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP), verzocht om in het kader van de longstay-aanvraag te rapporteren.

2.13.

[B] en [C] deelden de diagnostische conclusies van FPC Van Mesdag en zijn tot het oordeel gekomen dat het daaraan ten grondslag liggende onderzoek volledig en ‘state of the art’ is geweest. De deskundigen waren echter van oordeel dat nog niet alle behandelmogelijkheden waren uitgeput en hebben behandeling in de vorm van het opstarten van een resocialisatietraject geadviseerd.

2.14.

In een brief van 28 november 2008 heeft de DJI de multidisciplinaire rapportage van [B] (16 november 2008) en [C] (24 november 2008) ten behoeve van de longstay-aanvraag (alsmede de verlenging van de tbs) aan de directeur van FPC Van Mesdag gezonden met een verzoek om een reactie.

2.15.

Op 27 januari 2009 heeft FPC Van Mesdag in reactie per brief aan de DJI bericht dat zij haar longstay-aanvraag handhaaft omdat zij het risico van het aanvragen van begeleid verlof, als mogelijke stap in een resocialisatietraject als onaanvaardbaar hoog en derhalve niet verantwoord inschat.

2.16.

In de zogeheten wettelijke aantekeningen die FPC Van Mesdag in de periode van 28 oktober 2008 t/m 7 april 2009 (periode 16) over [eiser] heeft bijgehouden, staat vermeld:

“Het is wenselijk dat er zo snel mogelijk een uitspraak betreffende de aanmelding voor de longstaystatus komt.

Wanneer er geen longstay wordt toegekend zal betrokkene in een ander FPC worden geplaatst voor verdere behandeling en mogelijk resocialisatie.

Tot die tijd is de insteek – mede op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene (hij wenst, gezien zijn onduidelijk toekomstperspectief, geen behandelinhoudelijke activiteiten) – het hoog houden van de kwaliteit van leven.”|

2.17.

Op 17 april 2009, ruim twee jaar na de indiening van de longstay-aanvraag, heeft de LAP aan het Hoofd van de afdeling Directie Forensische Zorg (hierna: de afdeling DFZ) van de DJI, die namens de Minister van Justitie beslist of een longstay-indicatie wordt afgegeven, het volgende bericht:

“in haar vergadering van 17 april 2009 besprak de LAP de aanmelding van de aanvraag voor de longstaystatus.

De LAP constateert een forse discrepantie tussen de aanmeldende kliniek en de externe deskundigen van wat betreft de mogelijkheden van resocialisatie en daarmee de aanvraag voor de longstay aanvraag.

De LAP overwoog dat er een aantal sterke argumenten zijn voor het toerekenen van de longstaystatus, maar ook overwegingen om een resocialisatie, al dan niet onder bijzondere voorwaarden, te starten.

Om die reden vindt de LAP het moeilijk om tot een eenduidige beslissing te komen.

Wij willen u in overweging geven een nader onderzoek te laten verrichten in de vorm van een observatie periode in een TBS kliniek. (…)”

2.18.

Het Hoofd van de afdeling DFZ heeft op 17 april 2009 schriftelijk aan [eiser] bericht dat de longstay-status niet wordt toegekend en aan FPC Van Mesdag het volgende geschreven:

“Overwegende het LAP advies d.d. 17 april 2009 aangaande de aanvraag voor de longstay status van de heer [eiser] en de reactie van de kliniek wil ik u graag als volgt berichten.

De vraag die de LAP moest beantwoorden is de onderstaande:

of de eindverantwoordelijke behandelaar naar geldend psychiatrisch inzicht in alle redelijkheid tot de vaststelling heeft kunnen komen dat een voortzetting van op verandering gerichte behandeling thans niet zinvol is en dat moet worden overgegaan tot op stabiliteit en op kwaliteit van leven gerichte zorg in het kader van de terbeschikkingstelling met last tot verpleging.

De LAP heeft geconstateerd dat nog niet alle mogelijkheden, om te komen tot een succesvolle resocialisatie, ten volle zijn benut.

Ik wil u dan ook verzoeken al datgene te doen wat noodzakelijk is om uitvoering te geven aan het gevolg van het niet toekennen van de longstay status.”

2.19.

Bij brief van 27 april 2009 aan het Hoofd van de afdeling PFZ heeft FPC Van Mesdag in een reactie vermeld het resocialisatietraject van [eiser] niet vorm te zullen geven en aangegeven [eiser] , zoals dat destijds te doen gebruikelijk was, te willen ruilen met een patiënt met gelijkwaardige casuïstiek en complexiteit van een ander FPC.

2.20.

Uit de wettelijke aantekeningen van FPC Van Mesdag over de periode 7 april 2009 t/m 27 oktober 2009 (periode 17) blijkt dat [eiser] in voornoemde periode steeds meer gedemotiveerd is geraakt en te kennen gaf weinig heil te zien in verdere behandeling, omdat hij toch zou worden overgeplaatst:

“Hij zit zijn tijd zo goed mogelijk uit.”

2.21.

Omdat het FPC Van Mesdag uiteindelijk niet lukte om een geschikte ruil-kandidaat te vinden (zie 2.16), heeft FPC Van Mesdag op 21 januari 2010 om (eenzijdige) overplaatsing van [eiser] gevraagd bij de afdeling PFZ van de DJI. Bij brief van 2 februari 2010 heeft ook de voormalig raadsman van [eiser] eveneens bij de afdeling PFZ van de DJI om overplaatsing van [eiser] gevraagd. Op 17 februari 2010 heeft het Hoofd van de afdeling DFZ van de DJI het besluit genomen dat [eiser] zal worden overgeplaatst naar FPC Oldenkotte, waarna [eiser] op 3 maart 2010 daadwerkelijk naar laatstgenoemd FPC is overgegaan.

2.22.

In opdracht van het Ministerie van Justitie van 24 september 2014 heeft er ten behoeve van de beoordeling van de wenselijkheid van de verlenging van de maatregel in het najaar van 2014 opnieuw een psychiatrisch en psychologisch onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is door de onderzoekers/rapporteurs, [D] (psychiater) en [E] (psycholoog) aangegeven dat zij het niet eens zijn met de diagnose persoonlijkheidsstoornis en pedofilie en menen dat [eiser] lijdt aan een ontwikkelingsstoornis in de vorm van autisme. Geadviseerd is de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar (de maximale termijn). Ten tijde van de comparitie van partijen was er nog geen beslissing omtrent de verlenging genomen.

2.23.

[eiser] heeft FPC Van Mesdag en de Staat aansprakelijk gesteld bij brieven van 17 november 2011 respectievelijk 4 juli 2013 omdat hij van mening is dat zijn behandeling ten onrechte gedurende in totaal 36 maanden, te weten 26 maanden tijdens de longstay-aanvraag en 10 maanden tijdens het wachten op overplaatsing naar FPC Oldenkotte, heeft stilgelegen.

2.24.

FPC Van Mesdag was tot 1 januari 2008 een rijksinstelling en de Staat was uit dien hoofde medebehandelaar. Sinds die datum is FPC Van Mesdag een particuliere tbs-kliniek en is de Staat enkel als toezichthouder bij de FPC van Mesdag betrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en na vermindering van eis – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat FPC Van Mesdag en de Staat ieder voor het geheel, dan wel afzonderlijk, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] door inbreuk te maken op artikel 5 EVRM;

- een verklaring voor recht dat FPC Van Mesdag en de Staat hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 6:6 BW en 6:7 BW voor de door [eiser] geleden schade;

- hoofdelijke veroordeling van FPC Van Mesdag en de Staat tot betaling van een bedrag van € 164.400, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de strafrechter op 19 januari 2006 uitspraak heeft gedaan tot het opstarten van resocialisatie, althans vanaf de dag dat de longstay-aanvraagprocedure is aangevangen;

- veroordeling van FPC Van Mesdag en de Staat in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan deze vordering, naar de rechtbank uit de dagvaarding in samenhang met de verklaring ter comparitie begrijpt, het volgende ten grondslag. Ten tijde van het verblijf van [eiser] in FPC Van Mesdag heeft zijn behandeling gedurende 36 maanden stilgelegen, hetgeen zijn oorzaak vindt in een aantal verwijtbare gedragingen van de Staat c.s.; dit terwijl FPC Van Mesdag in het kader van de aan [eiser] opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging de opdracht heeft [eiser] te behandelen met resocialisatie en terugkeer in de maatschappij als doel.

3.3.

In concreto verwijt [eiser] FPC van Mesdag:
a) dat, zo is achteraf gebleken, door FPC Van Mesdag de verkeerde, delictgerelateerde diagnose is gesteld terwijl er destijds al aanwijzingen waren dat die delictgerelateerde diagnose onjuist was;
b) dat FPC Van Mesdag de behandeling stil heeft gelegd en daarmee in strijd heeft gehandeld met het vonnis van de rechtbank van 19 januari 2006, waarin de rechtbank tot uitdrukking zou hebben gebracht dat FPC Van Mesdag tot resocialisatie van [eiser] zou moeten overgaan, en met het advies van meerdere deskundigen;
c) dat FPC Van Mesdag [eiser] in strijd met artikel 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: Bvt) heeft gedwongen tot libidoremmende medicatie met als enig alternatief een longstay-aanvraag,
d) dat een longstay-aanvraag is ingediend en
e) dat de overplaatsing na afwijzing van de longstay-aanvraag te lang op zich heeft laten wachten.

3.4.

[eiser] verwijt de Staat dat hij als medebehandelaar en later als toezichthouder/eindverantwoordelijke voor de forensische zorg in de zin van artikel 8 BvT, is tekortgeschoten. Concreet verwijt [eiser] de Staat:
a) dat de Staat erop had moeten toezien dat FPC Van Mesdag uitvoering zou geven aan de beslissing van de rechtbank van 19 januari 2006 tot resocialisatie,
b) dat de Staat [eiser] niet voor de keuze had mogen (laten) stellen al dan niet libidoremmende medicatie in te nemen, met de longstay-aanvraag als enig alternatief,
c) dat er door FPC Van Mesdag een longstay-aanvraag is gedaan,
d) dat het Lap-advies ruim twee jaar op zich heeft laten wachten,
e) dat het overplaatsingstraject na afwijzing van de longstay-aanvraag te lang heeft geduurd en
f) dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op artikel 5 EVRM doordat hij het vertrouwensbeginsel jegens [eiser] heeft geschonden en bij hem gewekte verwachtingen niet is nagekomen.

3.5.

De schadevergoeding van € 164.400 die [eiser] vordert, is gebaseerd op een vergoeding van € 150 per dag voor elke dag dat de op resocialisatie gerichte behandeling heeft stilgelegen, hetgeen volgens [eiser] het geval was gedurende de 26 maanden die de longstay-aanvraag in beslag heeft genomen en gedurende de 10 maanden die gemoeid waren met zijn overplaatsing naar FPC Oldenkotte.

3.6.

De Staat c.s. voeren verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de kern stelt [eiser] dat de behandeling in het kader van zijn terbeschikkingstelling, die op resocialisatie dient te zijn gericht, vertraging heeft opgelopen door toedoen van de Staat c.s. De op resocialisatie gerichte behandeling heeft immers 36 maanden stilgelegen. De rechtbank zal de concrete verwijten die [eiser] in dit verband aan FPC Van Mesdag (hierna ook wel: de kliniek) en aan de Staat maakt en die zich volgens [eiser] als onrechtmatige daad laten kwalificeren, achtereenvolgens beoordelen. Die beoordeling moet worden bezien tegen de achtergrond van de doelstelling van terbeschikkingstelling zoals die is neergelegd in artikel 2 lid 1 van de eerdergenoemde “Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden”, dat luidt:

“Artikel 2

1. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de veroordeelde en de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij, met inachtneming van het karakter van die vrijheidsbenemende straf of maatregel. Bij het verlenen van vrijheden aan ter beschikking gestelden wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.”

4.2.

Nu de Staat c.s. zich primair heeft beroepen op het feit dat de vordering, gebaseerd op de in 3.3 en 3.4 genoemde verwijten, afstuit op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, zal de rechtbank zich daarover eerst uitlaten.

Gesloten stelsel van rechtsmiddelen

4.3.

Volgens de Staat c.s. brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee dat [eiser] in de onderhavige civiele procedure niet kan worden ontvangen in zijn klachten. [eiser] had immers, aldus de Staat c.s., toen de behandeling niet langer op resocialisatie was gericht, om overplaatsing kunnen verzoeken bij de Minister van Justitie (hierna: de minister) op grond van artikel 11, derde lid Bvt, hetgeen hij heeft nagelaten. Indien hij een dergelijk verzoek had gedaan en dat zou zijn afgewezen, had [eiser] vervolgens beroep kunnen instellen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ). Zo’n verzoek om overplaatsing was de geëigende weg geweest, zo betoogt de Staat, omdat in dat kader het stilliggen van de behandeling aan de orde kan worden gesteld. Het staat de civiele rechter niet vrij om zich over de verwijten die [eiser] de Staat c.s. maakt, een oordeel te vellen, aldus De Staat c.s.

4.4.

De rechtbank deelt dit standpunt van de Staat c.s. niet. Bepalend daarvoor is dat [eiser] schadevergoeding vordert in verband met het stilliggen van zijn behandeling. Weliswaar, zo begrijpt de rechtbank de Staat c.s., kan het stilliggen van de behandeling ten grondslag worden gelegd aan een verzoek tot overplaatsing, maar dat brengt niet mee dat [eiser] , gegeven die mogelijkheid, de toegang tot de civiele rechter op grond van een actie uit onrechtmatige daad met een daaraan verbonden vordering tot schadevergoeding moet worden ontzegd. Anders gezegd: een verzoek tot overplaatsing en een procedure als de onderhavige sluiten elkaar geenszins uit. Het feit dat er in het kader van een verzoek tot overplaatsing een tegemoetkoming kan worden verkregen voor opgetreden vertraging, staat evenmin aan een civiele procedure in de weg, reeds omdat een tegemoetkoming niet zonder meer gelijk kan worden gesteld aan schadevergoeding. De rechtbank volgt de Staat c.s. ook niet in zijn subsidiaire betoog dat, zo [eiser] al toegang heeft tot de civiele rechter, diens verwijten met grote terughoudendheid dienen te worden beoordeeld omdat de minister en de RSJ zich daarover niet hebben uitgelaten. Indien de minister (en de RSJ) zich – in het kader van een verzoek tot overplaatsing – daarover wel zouden hebben uitgelaten, is dat een omstandigheid waar de civiele rechter bij zijn oordeelsvorming rekening mee kan houden, maar bij gebrek daaraan is het aan de civiele rechter zich zelfstandig een oordeel te vormen over de (on-)rechtmatigheid van het handelen van de Staat c.s. zoals dat in deze procedure voorligt.

4.5.

De rechtbank komt dus toe aan de beoordeling van de verwijten die [eiser] aan de Staat c.s. maakt. Eerst zullen de verwijten aan het adres van FPC Van Mesdag worden besproken en vervolgens de verwijten aan het adres van de Staat.

Aansprakelijkheid van FPC Van Mesdag

4.6.

De rechtbank stelt in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheid van FPC Van Mesdag voorop dat, zo er al sprake is van een tekortschietende behandeling en/of beoordelingsfouten die hebben geresulteerd in een vertraging in de behandeling, dit niet snel zal zijn aan te merken als onrechtmatig tegenover de betrokkene. Op een FPC rust geen resultaatsverplichting. Een FPC dient, met inachtneming van de doelstelling zoals verwoord in artikel 2 BvT, met de in redelijkheid van een forensisch-psychiatrische kliniek te verwachten kennis en zorgvuldigheid te handelen. Voor het oordeel dat in een behandeltraject als het onderhavige sprake is van een onrechtmatige daad zijn bijzondere omstandigheden nodig.

4.7.

De rechtbank maakt bij de bespreking van de verwijten van [eiser] onderscheid tussen de door hem genoemde periodes waarin vertraging in de behandeling is opgetreden, te weten de periode tot aan de afwijzing van de longstay-aanvraag en de periode daarna, in afwachting van zijn overplaatsing.

De periode tot aan de afwijzing van de longstay-aanvraag

Verwijt FPC Van Mesdag sub a): verkeerde diagnose

4.8.

[eiser] voert in verband met het eerste verwijt aan dat uit de meest recente pro justitia-rapportages van 27 en 28 november 2014 van klinisch psycholoog [E] respectievelijk psychiater [D] (zie 2.23) blijkt dat FPC Van Mesdag een verkeerde want delictgerelateerde diagnose heeft gesteld, terwijl de beide voornoemde deskundigen een ontwikkelingsstoornis, een Autisme Spectrum Stoornis (hierna: ASS), hebben gediagnostiseerd. [D] komt volgens [eiser] tot de conclusie dat de diagnose pedofilie door meerdere onderzoekers en klinieken is gesteld vanuit de door [eiser] gepleegde delicten, hetgeen volgens hem een kunstfout is.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat [D] en [E] in 2014 tot een andere diagnose zijn gekomen, niet meebrengt dat de destijds door FPC Van Mesdag gestelde delictgerelateerde diagnose onjuist was. De rapportages van [D] en [E] rechtvaardigen die conclusie ook inhoudelijk niet. In dit verband is van belang dat de door FPC Van Mesdag destijds gestelde, delictgerelateerde diagnose door alle in verband met de verlengingsbeslissingen ingeschakelde (externe) NIFP-deskundigen is onderschreven. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar de rapporten van [B] en [C] , die in het kader van de longstay-aanvraag de delictgerelateerde diagnose pedofilie hebben onderschreven en beiden tot het oordeel zijn gekomen dat het daaraan ten grondslag liggende onderzoek volledig en ‘state of the art’ is geweest (zie onder 2.13).

4.10.

In het verlengde daarvan oordeelt de rechtbank dat het betoog dat de longstay-aanvraag ten onrechte is gedaan omdat deze op die delictgerelateerde diagnose gebaseerd was, geen opgeld doet. Het verwijt van [eiser] , als samengevat weergegeven in 3.3 sub d) van dit vonnis, faalt in zoverre.

Verwijt FPC Van Mesdag sub b): ten onrechte geen behandeling gericht op resocialisatie

4.11.

Met betrekking tot het tweede verwijt heeft [eiser] – in afwijking van hetgeen in de dagvaarding is vermeld – ter zitting erkend dat hij voorafgaand en gedurende de longstay-aanvraag therapieën heeft gevolgd en er in die zin dus wel van behandeling sprake was. Hij voert echter aan dat die behandeling geen betrekking had op resocialisatie. Volgens [eiser] was dat in strijd met de beslissing van de rechtbank van 19 januari 2006 en met het advies van diverse deskundigen om een resocialisatietraject op te starten. FPC Van Mesdag had de op resocialisatie gerichte behandeling niet stil mogen leggen.

4.12.

De rechtbank stelt vast dat de in het geding gebrachte rapportages er blijk van geven dat [eiser] voorafgaand aan de longstay-aanvraag is behandeld met als doel op enig moment daadwerkelijk aan resocialisatie toe te komen, maar zonder dat dat doel bereikt is. Verlof is door FPC Van Mesdag nooit toegestaan. Gedurende de longstay-aanvraag is [eiser] – zoals FPC Van Mesdag ook zelf erkent – weliswaar behandeld, maar stond de behandeling “op een laag pitje” omdat [eiser] volgens de kliniek uitbehandeld was. De behandeling was niet meer op resocialisatie gericht.

4.13.

Anders dan [eiser] stelt, heeft FPC Van Mesdag door de behandeling stil te leggen niet in strijd met een rechterlijke beslissing gehandeld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Leeuwarden van 5 januari 2006 naar aanleiding van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling (zie 2.5) blijkt weliswaar dat de officier van justitie verlenging van de termijn met één jaar en niet met twee jaar heeft gevorderd, met als doel FPC Van Mesdag ertoe aan te zetten “de mogelijkheden van veroordeelde te onderzoeken” (naar de rechtbank begrijpt: mogelijkheden om [eiser] op resocialisatie gericht te behandelen te onderzoeken), maar tegelijkertijd heeft de officier van justitie toen meegedeeld dat [eiser] daaraan “geen verwachtingen wat betreft beëindiging van de termijn van terbeschikkingstelling kan ontlenen”. De rechtbank heeft de terbeschikkingstelling daarop bij uitspraak van 1 februari 2006, zonder nadere motivering op dit punt, met één jaar verlengd. Vervolgens is FPC Van Mesdag in de loop van 2006, met een daarop aansluitend advies aan justitie van 24 november 2006, tot de conclusie gekomen dat een behandeling met libidoremmende medicatie een behandelmogelijkheid met als doel resocialisatie zou bieden, doch dat bij weigering van die medicatie enkel een longstay-behandeling over bleef. Daarmee heeft FPC Van Mesdag in lijn met de insteek van de officier van justitie, tegen de achtergrond van een aantal jaren van behandeling zonder het gewenste resultaat, de mogelijkheid van een op resocialisatie gerichte behandeling onderzocht en ook gevonden, zij het dat libidoremmende medicatie onderdeel van die behandeling uitmaakte en dat de kliniek daarbuiten geen behandelopties meer zag. Van een handelwijze in strijd met de beslissing van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2006 is aldus geen sprake. Daarbij verdient opmerking dat het niet aan de rechter is die over de verlenging van de terbeschikkingstelling oordeelt, om zich een zelfstandig oordeel over de mogelijke op resocialisatie gerichte behandelingen te vormen. De rechtbank heeft FPC Van Mesdag bij beslissing van 19 januari 2006, anders dan [eiser] stelt, ook niet opgedragen om tot resocialisatie over te gaan. De invulling van de behandeling van een terbeschikkinggestelde en de beslissing om een resocialisatietraject daadwerkelijk in gang te zetten, is aan de behandelende kliniek en de daar werkzame deskundigen. De kliniek heeft daarbij een bepaalde beleidsvrijheid, waarbij ingevolge artikel 2 lid 1 BvT ook de kans op recidive meegewogen dient te worden. De terbeschikkingstelling wordt ingevolge artikel 2 lid 1 BvT “zoveel mogelijk” dienstbaar gemaakt aan behandeling en voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij, waarbij (onder meer) rekening dient te worden gehouden met de veiligheid van de samenleving. In het verlengde hiervan overweegt de rechtbank dat, voor zover de in het kader van verlengingsbeslissingen ingeschakelde externe deskundigen hebben geadviseerd om het resocialisatietraject op te starten, ook ten aanzien daarvan geldt dat de uiteindelijke beslissing daarover aan de behandelende kliniek is.

4.14.

Nu overigens geen feiten en omstandigheden door [eiser] zijn aangevoerd die maken dat FCP Van Mesdag verwijtbaar zou hebben gehandeld door [eiser] gedurende zijn verblijf in FPC Van Mesdag geen op resocialisatie gerichte behandeling aan te bieden, treft zijn verwijt dus geen doel.

Verwijt FPC Van Mesdag sub c): ten onrechte libidoremmende medicatie voorgeschreven

4.15.

[eiser] heeft in verband met het derde verwijt aangevoerd dat FPC Van Mesdag hem ontoelaatbaar onder druk heeft gezet en heeft gechanteerd door libidoremmende medicatie als voorwaarde te stellen voor resocialisatie, meer concreet begeleid verlof, hetgeen volgens [eiser] in strijd is met artikel 2 (lid 2) BvT en de Grondwet.

4.16.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het aan de kliniek is op welke wijze zij invulling geeft aan de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 2 BvT. De rechtbank is, anders dan [eiser] , van oordeel dat het FPC Van Mesdag vrij stond om [eiser] – gezien het uit de stukken blijkende reeds meer dan zeven jaar durende behandeltraject, inclusief twee eerdere ruilingen/overplaatsingen – op vrijwillige basis te verzoeken om libidoremmende medicatie in te nemen als voorwaarde voor resocialisatie en bijpassend begeleid verlof. Uiteraard stond het [eiser] vrij om naar eigen inzicht de inname van libidoremmende medicatie te weigeren. FPC Van Mesdag is, nadat de daartoe geconsulteerde externe experts dit hadden afgewezen, niet overgegaan tot dwangbehandeling met libidoremmende medicatie. Met het feit dat FPC Van Mesdag, gegeven de weigering van [eiser] en het gebrek aan alternatieve behandelmogelijkheden een longstay-aanvraag zou doen, is [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet (ontoelaatbaar) onder druk gezet. Daarbij abstraheert de rechtbank van het feit dat [eiser] , die een longstay wilde vermijden, kennelijk wel druk heeft ervaren. Ook het derde verwijt van [eiser] slaagt niet.

Verwijt FPC Van Mesdag sub d): ten onrechte longstay-aanvraag ingediend

4.17.

[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat FPC Van Mesdag ten onrechte een longstay-aanvraag heeft ingediend en daartoe nimmer had mogen overgaan.

4.18.

Voor zover dat verwijt gebaseerd is op de stelling dat aan die aanvraag een onjuiste diagnose debet is, slaagt dit niet, met verwijzing naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen bij de bespreking van het eerste verwijt (sub a).

4.19.

Voor zover [eiser] dit verwijt stoelt op het feit dat de longstay-aanvraag uiteindelijk is afgewezen, faalt het eveneens. Anders dan [eiser] lijkt te betogen, is van een onterechte longstay-aanvraag niet reeds sprake wanneer de aanvraag wordt afgewezen. Uit de brief van de LAP van 17 april 2009 (zie 2.18) blijkt dat ook de LAP van oordeel is dat er een aantal sterke argumenten waren voor het toerekenen van de longstay-status. Reeds daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat FPC Van Mesdag in redelijkheid heeft mogen overgaan tot het indienen van een longstay-aanvraag.

4.20.

Ook het vierde verwijt van [eiser] treft geen doel.

Tussenconclusie

4.21.

Gegeven het hiervoor ten aanzien van de verwijten a tot en met d overwogene komt de rechtbank tot het eindoordeel dat FPC Van Mesdag voor de periode tot aan de afwijzing van de longstay-aanvraag niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

De periode na afwijzing van de longstay-aanvraag tot aan de overplaatsing

4.22.

[eiser] stelt dat hij, nadat de longstay-aanvraag op 17 april 2009 was afgewezen en duidelijk was dat hij zou worden overgeplaatst, de overplaatsing te lang op zich heeft laten wachten, althans dat hij gedurende die wachttijd ten onrechte geen behandeling heeft ondergaan die op resocialisatie was gericht, zeker nu de LAP had geoordeeld dat het resocialisatietraject moest worden opgestart.

4.23.

Op grond van de documentatie ter zake van de behandeling van [eiser] door FPC Van Mesdag na de afwijzing van de longstay-aanvraag en hetgeen FPC Van Mesdag daarover ter comparitie heeft verklaard, staat vast dat ook de behandeling gedurende de periode dat [eiser] op overplaatsing wachtte, niet op resocialisatie was gericht. Het was FPC Van Mesdag daarentegen vanaf 17 april 2009 bekend dat zij de resocialisatie van [eiser] verder diende te onderzoeken, terwijl ook de Rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 28 april 2009 had geoordeeld dat FPC Van Mesdag diende “te inventariseren of en zo ja welke resocialisatiemogelijkheden er nog zijn.” FPC Van Mesdag heeft daartegenover gesteld dat bedoelde behandelmogelijkheden in haar visie waren uitgeput – reden waarom de kliniek eerder de longstay-aanvraag deed – en een op resocialisatie gerichte behandeling daarom van een andere kliniek zou moeten uitgaan. Die voorgenomen overplaatsing had de kliniek, zo blijkt uit de wettelijke aantekeningen van 7 april 2009, reeds voor de afwijzing door de LAP aan [eiser] kenbaar gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat FPC van Mesdag onder deze omstandigheden, waarin zij blijkbaar geen op resocialisatie gerichte behandeling kon realiseren, gehouden was de overplaatsing van [eiser] voortvarender en adequater ter hand te nemen dan zij heeft gedaan. FPC Van Mesdag heeft in het kader van de overplaatsing op een voor de kliniek geschikte ruilkandidaat gewacht om zo, naar de rechtbank begrijpt, “onderhands” tot overplaatsing van [eiser] over te kunnen gaan. Pas nadat gedurende negen maanden geen ruiling tot stand was gekomen, heeft FPC Van Mesdag op 21 januari 2010 om (eenzijdige) overplaatsing van [eiser] gevraagd bij de DJI, die vervolgens binnen een maand, op 17 februari 2010, het overplaatsingsbesluit heeft genomen. [eiser] is vervolgens op 3 maart 2010 in FPC Oldenkotte geplaatst. De overplaatsing heeft naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het feit dat de longstay-aanvraag reeds een periode van 26 maanden in beslag had genomen, te lang geduurd. FPC Van Mesdag had de destijds gebruikelijke ruilprocedure, gegeven de daarmee gepaard gaande onzekerheid over de tijd die zo’n procedure in beslag zou nemen en over de uitkomst daarvan, achterwege moeten laten en [eiser] direct via de formele weg moeten laten overplaatsen. FPC Van Mesdag, heeft aldus in strijd heeft gehandeld met artikel 2 lid 1 Bvt, nu zij – mede gezien het advies van de LAP en de uitspraak van de rechtbank– er onvoldoende zorg voor heeft gedragen dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende maatregel zoveel mogelijk dienstbaar wordt gemaakt aan de behandeling van [eiser] en diens terugkeer in de maatschappij. Het verwijt van [eiser] , voor zover hierop geënt, slaagt.

4.24.

Wanneer FPC Van Mesdag direct na ontvangst van de afwijzing van de longstay-aanvraag bij DJI om overplaatsing had verzocht, zou [eiser] – uitgaande van de in verband met de aanvraag van FPC Van Mesdag gebleken daadwerkelijke termijn (anderhalve maand tussen aanvraag en feitelijke overplaatsing) – reeds begin juni 2009 kunnen zijn overgeplaatst naar een andere FPC. De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan het verweer van FPC Van Mesdag dat de gebruikelijke periode voor een overplaatsing/uitruiling circa zes maanden is, nu dat in het geval van [eiser] anders bleek en die langere termijn niet nader is onderbouwd. Een en ander betekent dat [eiser] negen maanden eerder had kunnen zijn overgeplaatst en dus negen maanden eerder aan zijn resocialisatietraject had kunnen beginnen.

4.25.

Mitsdien is FPC Van Mesdag aansprakelijk voor de door [eiser] opgelopen vertraging in (het opstarten van) zijn resocialisatietraject gedurende negen maanden. De rechtbank merkt daarbij op dat daarmee geen uitspraak is gedaan over de termijn van voortduring van de terbeschikkingstelling; een en ander hangt af van het verloop van de op resocialisatie gerichte behandeling.

4.26.

FPC Van Mesdag is gehouden de schade als gevolg van de opgelopen vertraging te vergoeden. Alvorens de omvang van die schade te bepalen, zal de rechtbank het beroep van FPC Van Mesdag op eigen schuld van [eiser] bespreken.

Eigen schuld [eiser] en medeschuld van de Staat

4.27.

FPC Van Mesdag heeft subsidiair als verweer gevoerd dat wanneer zij aansprakelijk wordt gehouden, sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] , aangezien [eiser] zelf met ingang van november 2009 iedere verdere behandeling heeft geweigerd. Dit verweer faalt, reeds omdat vast staat dat de behandeling in die periode, indien niet geweigerd, nooit op resocialisatie gericht zou zijn geweest.

4.28.

Voor zover FPC Van Mesdag heeft aangevoerd dat [eiser] heeft bijgedragen aan de schade doordat hij destijds heeft geweigerd om de libidoremmende medicatie in te nemen en daarmee de behandelpatstelling en de daaropvolgende LAP-aanvraag zelf heeft veroorzaakt, faalt dit verweer eveneens. Het conditio sine qua non-verband tussen dit handelen van [eiser] en de vertraging in de overplaatsing ontbreekt immers, nu gesteld noch gebleken is dat de duur van de overplaatsing (mede) is veroorzaakt door de voornoemde weigering van [eiser] .

Schadeomvang

4.29.

[eiser] heeft zijn schade begroot op € 150 per dag voor elke dag dat zijn behandeling heef stilgelegen als gevolg van verwijtbaar gedrag van FPC Van Mesdag. FPC Van Mesdag heeft de schadeomvang betwist en heeft betoogd dat – aansluiting zoekend bij de schadevergoedingen die de beroepscommissie van de RSJ toekent, meer specifiek de uitspraak van 18 juni 2012 (08/2954/TBT) – een bedrag van € 350 per maand redelijk is.

4.30.

De rechtbank stelt voorop dat zij, nu de schade niet concreet kan worden berekend, op grond van artikel 6:97 BW de schade dient te schatten. De rechtbank ziet in het licht van hetgeen partijen hebben aangevoerd aanleiding om aansluiting te zoeken bij het bedrag dat de RSJ toekent in gevallen waarin de behandeling gericht op resocialisatie vertraging heeft opgelopen. Anders dan [eiser] stelt, beslist de beroepscommissie van de RSJ niet in de zijlijn over schadevergoeding, nu de RSJ – zoals blijkt uit de door FPC Van Mesdag overgelegde uitspraak, een richtlijn van ‘standaardbedragen tegemoetkomingen’ heeft uitgevaardigd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om bij de schadebegroting aansluiting te zoeken bij deze tegemoetkomingen. Nu FPC Van Mesdag zelf heeft gesteld dat een bedrag van € 350 per maand redelijk is, zal de rechtbank de tegemoetkoming ten gevolge van vertraging in de behandeling gericht op resocialisatie begroten op € 350 per maand, en voor de situatie waarin geen behandeling plaats heeft gevonden uitgaan van de in de door FPC Van Mesdag genoemde uitspraak van de RJS van 18 juni 2012 (08/2954/TBT) begrootte € 600 per maand.

4.31.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat een op resocialisatie gerichte behandeling niet meer aan de orde was en dat [eiser] met ingang van 27 oktober 2009 naar een afdeling is geplaatst die geen behandelafdeling is (Zuiderdiep 2), zal de rechtbank de schade van [eiser] begroten op een bedrag van € 4.150 (€ 350 x 5 maanden op een behandelafdeling en € 600 x 4 maanden op een afdeling zonder behandeling) aan schadevergoeding te betalen. De rechtbank zal FPC Van Mesdag veroordelen tot betaling van voornoemd bedrag aan [eiser] . De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding.

4.32.

In het licht van al het voorgaande kunnen de overige weren van FPC Van Mesdag onbesproken blijven.

De gevorderde verklaringen voor recht en de proceskosten

4.33.

De ten aanzien van FPC Van Mesdag gevorderde verklaring voor recht dat FPC Van Mesdag onrechtmatig heeft gehandeld, zal worden afgewezen, nu deze, alhoewel voor zover geënt op de overplaatsingsprocedure toewijsbaar, in het licht van de veroordeling van FPC Van Mesdag geen zelfstandige betekenis heeft en [eiser] bij de gevorderde verklaringen voor recht derhalve geen belang heeft.

4.34.

Omdat [eiser] deels in het gelijk is gesteld met betrekking tot de opgelopen vertraging in de behandeling, zal FPC Van Mesdag worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 104,85

- betaald griffierecht € 77

- salaris advocaat € 768 + (2 punten × tarief € 384)

Totaal € 949,85

Aansprakelijkheid van de Staat

4.35.

De Staat wordt door [eiser] deels als medebehandelaar, te weten voor de periode tot 1 januari 2008 en deels als toezichthouder in de zin van artikel 8 BvT, te weten voor de periode vanaf 1 januari 2008, aangesproken, voor zover het gedragingen van FPC Van Mesdag betreft.


Verwijten Staat sub a, b en c):

4.36.

De verwijten die [eiser] de Staat maakt als samengevat weergegeven in 3.4 sub a, b, en c van dit vonnis, treffen geen doel, om de redenen die de rechtbank heeft genoemd bij de beoordeling van diezelfde verwijten aan het adres van FPC Van Mesdag (zie 4.11 tot en met 4.20).


Verwijt Staat sub d): het LAP-advies heeft ruim twee jaar op zich laten wachten

4.37.

[eiser] verwijt de Staat dat hij, als direct verantwoordelijke, onvoldoende toezicht heeft gehouden op het handelen en nalaten van de onder het Ministerie van Justitie ressorterende LAP, die pas na ruim twee jaar heeft geadviseerd over de longstay-aanvraag van FPC Van Mesdag.

4.38.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de minister geen directe aanwijzingen of opdrachten kan geven aan de LAP, nu dit op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid en de professionele autonomie van de LAP. De LAP dient immers een multidisciplinair team van onafhankelijke (NIFP-)deskundigen te zijn die de minister adviseert over de noodzaak tot plaatsing (dan wel continuering daarvan) in een longstay-voorziening.

4.39.

Voorts verwijst de rechtbank naar de brief van de minister van 23 augustus 2005 aan de Tweede Kamer (productie 5 bij antwoord van FPC Van Mesdag) waarin voor zover relevant staat:

Plaatsing op een long-stay afdeling is een ingrijpende beslissing. Ze kan erop neer komen dat de betrokkene de rest van zijn leven niet in de samenleving zal kunnen terugkeren. (…) Dit alles noopt tot een zorgvuldige en afgewogen besluitvorming rond de plaatsingen, met inbegrip van een zorgvuldige en tijdige taxatie van het recidiverisico en de delictgevaarlijkheid.(….)

De procedure voorziet in het kader van de genoemde zorgvuldigheid in een multidisciplinair onderzoek dat in opdracht van de LAP wordt uitgevoerd, zoals dat ook in dit geval is gebeurd. Niet bekend is welke werkzaamheden de LAP, naast het in behandeling nemen van de aanvraag, het in gang zetten van het multidisciplinair onderzoek en de uiteindelijke beoordeling van de aanvraag in de tussentijd heeft uitgevoerd, maar de rechtbank verbindt daaraan niet zonder mee de conclusie dat de LAP verwijtbaar heeft stilgezeten. De termijn van ruim twee jaar die met de behandeling van de beoordeling van de longstay-aanvraag gemoeid was, acht de rechtbank lang, maar, gegeven de in acht te nemen zorgvuldigheid bij de besluitvorming niet dusdanig lang dat de Staat daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

4.40.

Het verweer van de Staat c.s. dat een deel van dit op dit verwijt gestoelde vordering is verjaard, laat de rechtbank gelet op het hiervoor overwogene onbesproken.

Verwijt Staat sub e): opgetreden vertraging bij de overplaatsing

4.41.

Ten aanzien van het verwijt dat [eiser] de Staat maakt met betrekking tot de vertraging die is opgetreden bij de overplaatsing heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat FPC Van Mesdag eerder had moeten overgaan tot overplaatsing van [eiser] . De vraag is of de Staat als toezichthouder eveneens een verwijt treft. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Allereerst geldt dat DJI, toen deze een formeel verzoek tot overplaatsing van [eiser] ontving, deze dermate adequaat in behandeling heeft genomen dat [eiser] binnen anderhalve maand was overgeplaatst. Voorts is het weliswaar de Minister van Justitie die formeel beslist op de longstay-aanvraag en is de Staat daarmee van die afwijzing in april 2009 op de hoogte geweest, maar [eiser] erkent dat de Staat niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld van zijn situatie ná de afwijzing van die aanvraag. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de ten behoeve van het in artikel 8 Bvt omschreven toezicht door de Staat geboden mogelijkheid om zijn beklag te doen bij de beklagcommissie (artikel 56 Bvt) over (de duur van) de door FPC Van Mesdag gekozen overplaatsingsprocedure (de ruilprocedure). De vraag dient zich vervolgens aan of de Staat ook zonder dat beklag van [eiser] gehouden was om in zijn hoedanigheid van toezichthouder als bedoeld in artikel 8 Bvt te signaleren dat de ruilprocedure waarvoor FPC Van Mesdag had geopteerd en die in die tijd gebruikelijk was, vertraging in het resocialisatietraject met zich bracht. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat artikel 8 BvT geen dermate verstrekkende verplichting voor de Staat als toezichthouder met zich brengt. Het verwijt van [eiser] treft daarom geen doel.

Verwijt Staat sub f): vertrouwensbeginsel

4.42.

Ten slotte voert [eiser] aan dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op artikel 5 EVRM doordat hij het vertrouwensbeginsel jegens [eiser] heeft geschonden en bij hem gewekte verwachtingen niet is nagekomen. Ook dit verwijt van [eiser] faalt. Gesteld noch gebleken is immers dat de Staat bepaalde verwachtingen heeft gewekt. [eiser] heeft nagelaten om zijn stelling nader te concretiseren.

Tussenconclusie

4.43.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] tegen de Staat zullen worden afgewezen.

4.44.

[eiser] zal als de in de procedure tegen de Staat in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op
€ 3.829 aan griffierecht en € 1.788 (2 punten × tarief € 894) aan salaris advocaat, in totaal € 5.617.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt FPC Van Mesdag tot betaling van een bedrag van € 4.150, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf met ingang van 19 maart 2014 tot aan de dag van algehele betaling,

5.2.

veroordeelt FPC Van Mesdag in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 949,85,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 5.617,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Aarts, mr. J.L.M. Luiten en mr. W.A.G.J. Ferenschild en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.