Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15512

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
09/852029-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot doodslag. Gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/852029-15

Datum uitspraak: 2 december 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres: [adres] [land] ).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 november 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Roosma. De verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de verdachte is verschenen mr. E.J. Huisman, advocaat te Den Haag, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd te zijn hem ter terechtzitting te verdedigen.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer ] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Papendrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer ] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (breuken in de oogkas en/of de kaakbijholte en/of het jukbeen en/of de neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen en/of stompen en/of slaan;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Papendrecht tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer ] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer ] (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklarinq en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Papendrecht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer ] , welk geweld bestond uit het (meermalen) schoppen en/of stampen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer ] .

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, nu de zaak bij beslissing van 23 december 2014 door de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie is verwezen naar de rechtbank Den Haag.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 10 februari 2013 heeft in Papendrecht een vechtpartij plaatsgevonden. Op de verdachte rust de verdenking dat hij zich samen met [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) jegens [slachtoffer ] (hierna: de aangever) schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling, dan wel een poging tot zware mishandeling, dan wel openlijke geweldpleging.

De rechtbank dient een oordeel te geven over de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde geweldshandelingen. Als de rechtbank vaststelt dat dit het geval is, dient zij voorts de vraag te beantwoorden hoe deze moeten worden gekwalificeerd. Ten aanzien van de strafbaarheid van het feit ziet de rechtbank zich, bij een bewezenverklaring van de tenlastelegging, gesteld voor de vraag of de verdachte zich al dan niet kan beroepen op noodweer.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van een poging tot doodslag, heeft begaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat vrijspraak dient te volgen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Het dossier bevat daarvoor geen technisch en objectief bewijs hoe vaak er is geschopt; de aangever heeft wisselend verklaard; de letselverklaring is summier, en aan de waarnemingen van ooggetuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die de vechtpartij vanuit hun woning zagen, kan worden getwijfeld omdat de vechtpartij in de avond plaatsvond en het donker was. In het dossier bevinden zich voorts geen verklaringen waaruit kan worden opgemaakt of het hoofd van aangever al dan niet heeft bewogen op het moment dat tegen zijn hoofd werd geschopt. In de visie van de raadsvrouw is op basis van het dossier niet vast te stellen waar op het hoofd is geschopt, en met hoeveel kracht. Daarbij heeft zij verwezen naar uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 1 februari 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BP4570 en de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY2412.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Aangiftes en aanhoudingen

Aangever [slachtoffer ] heeft verklaard dat hij op 10 februari 2013 te Papendrecht constateerde dat de linkerspiegel van zijn auto los hing en voor hem duidelijk was dat de auto die naast zijn auto geparkeerd stond deze schade had veroorzaakt. Hij was boos en klopte op de rechter achterruit om de mensen in de auto aan te spreken. Hij klopte te hard en het raam sprong eruit. Ineens stonden er twee personen tegen over hem. Deze begonnen op hem in te slaan en te schoppen. Het ging daarbij om een grotere persoon en een kleinere persoon. Hij had op een gegeven moment de kleine man vast. Op dat moment trapte de grote man hem hard tegen zijn gezicht, waardoor hij op de grond viel. Hij viel een aantal malen op de grond. Hij voelde dat ze hem bleven trappen en slaan. Hij kon niets doen behalve zichzelf proberen te dekken. Aangever is naar het ziekenhuis gegaan en aldaar is hij onderzocht. De uitkomst daarvan was dat zijn beide oogkasten, zijn jukbeen en zijn kaak gebroken waren.2

De vriendin van aangever, [betrokkene] , zag dat de mannen die in de auto zaten eruit renden en op haar vriend afkwamen. Zij heeft verklaard dat haar vriend geen partij was voor deze wilde, agressieve mannen. Toen haar vriend op de grond lag heeft zij gezien dat beide mannen hem met kracht in het gezicht schopten. Ze was bang dat ze haar vriend zouden doodschoppen of doodslaan. De ene buitenlandse man was een tengere jongen, de andere buitenlandse man was groter en boller.3

Ter plaatse aangekomen werd [verbalisant 1] aangesproken door getuige [getuige 1] die hem aanwees welke man het slachtoffer dat op de grond lag, had geslagen en geschopt. Hierop werd de man, die verdachte bleek te zijn, door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aangehouden. Nadat verdachte was aangehouden zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een tenger uitziende jongeman lopen, die hen vroeg wat er met zijn vriend ging gebeuren die in het dienstvoertuig zat. De verbalisanten zagen dat deze man voldeed aan het signalement dat [betrokkene] eerder aan hen had doorgegeven. Daarop is deze man, die verdachte [medeverdachte] bleek te zijn, aangehouden.4

Getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3]

Op 10 februari 2013 zag [getuige 1] vanuit zijn woonkamer dat op een afstand van ongeveer 20 à 25 meter een jongen aan zijn jas werd meegesleurd door twee onbekende mannen. De grote man trok hem naar beneden, waarna de jongen op de straat kwam te liggen en waarna de mannen allebei tegen de jongen schopten. De kleine man schopte tegen het lichaam en de grotere man schopte tegen het hoofd en rug.5 De getuige is naar buiten gerend en sprak de mannen aan, waarna zij stopten. Hij pakte de grote man bij zijn arm met de bedoeling hem te laten staan. De politie was snel ter plaatse waarna die de grotere man overnam. De getuige ging de kleinere man zoeken, die inmiddels was weggelopen. Hij vond de kleinere man. Deze werd door de politie meegenomen.

[getuige 2] hoorde gegil en geschreeuw. Vanuit haar woonkamer zag ze dat een man hard wegrende voor twee mannen die hem achtervolgden. De man werd door hen ingehaald en duidelijk met geweld neergehaald. Zij heeft gezien dat de mannen vervolgens op de op de grond liggende man begonnen in te schoppen.6 Zij zag dat een vrouw nog probeerde de man op de grond af te schermen. De getuige heeft verklaard dat de man op de grond meerdere malen tegen zijn hoofd werd geschopt. Volgens haar werd de man zelfs tientallen keren tegen zijn hoofd geschopt. Daarbij heeft zij opgemerkt dat zij dit ondanks de duisternis goed kon zien, waarbij haar zichtbeeld wel versterkt werd door de lantaarnpalen.7

[getuige 3] reed in zijn auto langs de plek van de vechtpartij. Hij is gekeerd en teruggereden. Hij zag dat er getrapt werd tegen een persoon die op de grond lag. Hij heeft verklaard dat het er ruw aan toe ging. De mannen waren met kracht aan het trappen. Hij had het idee dat er bewust tegen het hoofd aan werd getrapt. Ze bleven maar tegen zijn hoofd aantrappen.8 Hij zag dat de mannen hierna wegrenden. Hij zag dat een man, een getuige, één van de daders terugstuurde richting een politieauto. Hij zag dat de politieagenten in gesprek gingen met de getuige en de verdachte. Hij zag dat dezw verdachte werd aangehouden en in de politieauto werd gestopt. Even daarna kwam de tweede verdachte naar de politie lopen. [getuige 3] herkende hem meteen als één van de verdachten die het slachtoffer had geschopt. Hij hoorde deze man zeggen dat de aangehouden persoon zijn vriend was. Deze tweede verdachte werd door de politie aangehouden.9

[verdachte]

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij betrokken is geweest bij de vechtpartij en de aangever heeft geslagen en geschopt.10 Hij heeft hem geslagen, omdat hij zich heeft verdedigd. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij tijdens de vechtpartij schoenen van een zacht materiaal (zoals kunstleer of suède) aan had.11

Letsel

In het dossier is een geneeskundige verklaring opgenomen van L.C. Los, forensisch arts, van 12 april 2013. Daaruit volgt dat aangever na de vechtpartij op 10 februari 2013 op de spoedeisende hulp van het Albert Schweitzerziekenhuis Dordrecht is geweest. Aldaar heeft de chirurg de volgende objectieve bevindingen geconstateerd: ‘Forse bloeduitstorting rondom het rechteroog en minder om het linkeroog, de oogkassen en jukbeenderen waren drukpijnlijk. Op een CT-scan van het aangezicht werden meerdere breuken gezien: wand en bodem van de rechter oogkas, wand van de linkeroogkas, wand van de kaakbijholte rechts, jukbeen rechts en breuk van de neus. Patiënt is verwezen naar de kaakchirurg voor verdere behandeling.’ De arts heeft de duur van de genezing geschat op zes tot acht weken.12

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte en de medeverdachte op 10 februari 2013 te Papendrecht beiden uit de auto zijn gestapt en beiden geweld tegen het [slachtoffer ] hebben gebruikt. Getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat er door de mannen meermalen tegen het hoofd van aangever is getrapt dan wel geschopt terwijl deze op de grond lag. Over de intensiteit van het schoppen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat er tientallen malen werd geschopt. [getuige 3] heeft verklaard dat het er ruw aan toe ging en er met kracht werd getrapt. De vriendin van de aangever heeft eveneens verklaard dat er meermalen met kracht in het gezicht werd geschopt terwijl haar vriend op de grond lag. Ze was bang dat de verdachte en de medeverdachte hem zouden doodschoppen of doodslaan. De rechtbank ziet geen reden om aan de waarnemingen van deze ooggetuigenverklaringen te twijfelen. De verklaringen vinden bovendien steun in het objectief vastgestelde ernstige letsel bij aangever. Het enkele feit dat de arts meerdere breuken op verschillende plaatsen in het aangezicht van aangever heeft geconstateerd, maakt dat er meermalen met kracht geweldshandelingen tegen zijn hoofd moeten hebben plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aangever door de verdachte en zijn [medeverdachte] meermalen met kracht tegen het hoofd is geschopt. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank bovendien vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, en derhalve van medeplegen. Dit betekent dat de gepleegde geweldshandelingen zowel aan de verdachte als diens medeverdachte kunnen worden toegerekend. Aldus worden alle geweldshandelingen tezamen in ogenschouw genomen.

Het hoofd is een zeer kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat het schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, moet de kans op de dood als gevolg van de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte in deze zaak als aanmerkelijk worden aangemerkt. Deze kans is blijkens de aard van die gedragingen ook bewust aanvaard. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte en diens medeverdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij door hun handelen het slachtoffer dodelijk zouden verwonden, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Op grond van de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten is verwezen en in het licht van de hiervoor vermelde (bewijs)overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 10 februari 2013 samen met een ander opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op de aangever.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 februari 2013 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht tegen het hoofd van die Korbijn heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever. De autoruit werd kapotgemaakt. De verdachte is de auto uitgestapt en werd door de aangever geslagen op zijn hoofd en in zijn buik. Hierdoor voelde de verdachte zich bedreigd. Hij moest zichzelf verdedigen.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer faalt, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in de zin van een aanval waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Uit het dossier blijkt volgens de officier van justitie niet dat de verdachte werd aangevallen door de aangever.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lichaam of goed, waartegen verdediging noodzakelijk was.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk. Voor de verklaring van de verdachte dat hij werd aangevallen bevindt zich in het dossier geen steun. [getuige 2] en aangeefster [betrokkene] hebben daarentegen verklaard dat de verdachte en de medeverdachte naar de aangever toe renden. De aangever werd met geweld neergehaald en de verdachte en de medeverdachte begonnen hem te schoppen. [getuige 1] heeft verklaard dat de aangever door de verdachte en diens medeverdachte werd meegesleurd aan zijn jas, naar beneden werd getrokken, waarna de verdachte en de medeverdachte tegen de aangever schopten.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt verworpen.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot doodslag.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat tegen de verdachte een bevel tot gevangenneming zal worden verleend.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht dat de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring rekening zal houden met het gegeven dat de verdachte in [land] woont, daar fulltime in een wasserij werkt, hij inmiddels vader van een tweeling is geworden en zijn vrouw niet alleen de zorg voor de kinderen kan dragen. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er gelet op het tijdsverloop in de strafvervolging sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachte, schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door aangever meermalen met kracht tegen zijn hoofd te schoppen. Aangever heeft als gevolg van dit gewelddadige handelen van de verdachten ernstig letsel opgelopen. De wand en bodem van zijn rechteroogkas, de wand van zijn linkeroogkas, een wand van de kaakbijholte, een jukbeen en zijn neus zijn door de geweldshandelingen gebroken. De lichamelijke integriteit van een ieder is een groot goed en de rechtbank rekent het verdachte en de medeverdachte zwaar aan dat zij gezamenlijk aangever zo hebben toegetakeld. Deze ernstige geweldshandelingen moeten een grote impact hebben gehad op aangever. Dat aangever niet het leven heeft gelaten, is niet aan de verdachten te danken. Dit soort misdrijven, op de openbare weg gepleegd, veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De persoon van de verdachte

De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van

20 oktober 2015 niet eerder met politie en/of justitie in Nederland in aanraking gekomen. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel van het European Criminal Records Information System van 28 april 2015. Hieruit blijkt dat de verdachte in [land] meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten. Het betreft evenwel feiten van meer dan vijf jaar geleden, zodat de rechtbank die niet in strafverzwarende zin zal meewegen.

De redelijke termijn

De rechtbank houdt rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Zij overweegt hiertoe als volgt. De verdachte is op 11 februari 2013 voor het eerst als verdachte gehoord en diezelfde dag in verzekering gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM op deze datum aangevangen. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken en er heden, 2 december 2015, vonnis wordt gewezen, stelt zij vast dat de redelijke termijn met ruim negen maanden is overschreden.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd en rekening houdende met voornoemde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank evenwel een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Geen bevel gevangenneming

Uitgangspunt van de wetgever is dat de verdachte in het geval van een veroordeling de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in vrijheid afwacht. Uit het dossier blijken onvoldoende aanknopingspunten die de rechtbank aanleiding geven in de onderhavige zaak van dit uitgangspunt af te wijken. De vordering van de officier van justitie tot het afgeven van een bevel tot gevangenneming wordt dan ook afgewezen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot het geven van een bevel gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. van Harten, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 december 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1800 2013014149, van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, ZSM Zuid-Holland-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 73).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer ] , p. 7 en 8.

3 Proces-verbaal aangifte [betrokkene] , p. 12.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5 en 6.

5 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 58.

6 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 65.

7 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 65.

8 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 60.

9 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 60 en 61.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 55.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam 13 februari 2013.

12 Geschrift, geneeskundige verklaring door arts, gedateerd 12 april 2013.