Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
AWB 15/20414
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

30c Vw / buiten behandeling stelling vanwege niet verschijnen bij nader gehoor/ considerans 29 en artikel 24 van de Procedurerichtlijn vergen actieve houding bestuursorgaan/besluit onzorgvuldig voorbereid/ waarde verklaring huisarts/niet ingegaan op beroep op het gelijkheidsbeginsel/ besluit tevens onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

De vreemdeling heeft gesteld dat hij de dag van het gehoor ziek was en zich mentaal niet goed genoeg voelde om zijn asielmotieven helder en consistent naar voren te brengen. Volgens de vreemdeling heeft hij dit aan een medewerker van het COA kenbaar gemaakt en heeft hij verzocht of het mogelijk was om de volgende dag gehoord te worden. De betreffende medewerker heeft deze vraag bevestigend beantwoord en de vreemdeling toegezegd dit met de staatssecretaris te zullen bespreken.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen objectieve informatie is waaruit blijkt dat de vreemdeling die dag niet in staat was te verschijnen op het nader gehoor. Ook is door de vreemdeling geen schriftelijke verklaring van de betreffende COA-medewerker overgelegd waaruit de gedane toezegging zou blijken. De staatssecretaris heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich gedurende de gehele procedure moet inspannen en vergewissen of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Dit vereist een actieve en alerte houding. Hierbij wordt betrokken considerans 29 en artikel 24 van de Procedurerichtlijn, die zijn omgezet in artikel 3.108b van het Vb. In de toelichting op artikel 3.108b Vb staat onder meer vermeld dat de beoordeling of een vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft niet beperkt is tot één moment in de asielprocedure, maar eerder een continue afweging moet zijn.

Verder is in artikel 28, eerste lid, van de Procedurerichtlijn bepaald dat de staatssecretaris ervan mag uitgaan dat een verzoek impliciet is ingetrokken of hiervan wordt afgezien als is vastgesteld dat verzoeker niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud of hij is verdwenen. Ook deze vaststelling vereist een actieve houding. Zonder enige toelichting van de zijde van de staatssecretaris wordt niet ingezien waarom de gehoormedewerker na de vaststelling dat de vreemdeling niet is verschenen, in plaats van het diezelfde dag uitbrengen van een voornemen tot buitenbehandelingstelling, geen telefonisch contact heeft opgenomen met de opvanglocatie waar de vreemdeling staat ingeschreven. Dan was aanstonds duidelijk geworden of de vreemdeling nog aanwezig was en deze heeft verzocht wegens medische omstandigheden later te mogen verschijnen voor het gehoor. Indien de staatssecretaris dit nalaat, gaat het niet aan om vervolgens van de vreemdeling te verlangen een schriftelijke verklaring in te dienen van de COA-medewerker bij wie hij zich ziek zou hebben gemeld.

Verder is het vreemd dat de staatssecretaris geen waarde toekent aan de verklaring van de huisarts omdat deze is gebaseerd op informatie van de vreemdeling zelf. De rechtbank is niet bekend met patiëntenrapporten waarbij de patiënt niet is gehoord. Overigens gaat de rechtbank ervan uit dat een arts de verantwoordelijkheid heeft en neemt om datgene wat een patiënt stelt ook op zijn merites te beoordelen en alleen op te nemen als dat ook zijn professionele opinie is.

De vreemdeling heeft daarnaast een goed onderbouwd beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De staatssecretaris is in het geheel niet ingegaan op deze beroepsgrond, zodat ook deze grond slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30c
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.108b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/20414

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) buiten behandeling gesteld. Eiser is daarbij opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer AWB 15/20417.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015, waar het beroep en de verzochte voorlopige voorziening gelijktijdig zijn behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat hij niet zal verschijnen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Albanese nationaliteit te bezitten. Op 29 september 2015 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser is niet verschenen op het nader gehoor dat gepland stond op 2 november 2015 en volgens verweerder is dit toerekenbaar.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij weliswaar op de geplande datum niet is verschenen voor het nader gehoor, maar dat het rapport niet-verschijnen gehoor ten onrechte vermeldt dat eiser geen enkele reden voor zijn afwezigheid kenbaar heeft gemaakt. Eiser was die dag ziek en voelde zich mentaal niet goed genoeg om zijn asielmotieven helder en consistent naar voren te kunnen brengen. Hij heeft dit aan een medewerker van het COA kenbaar gemaakt en verzocht of het mogelijk was om de volgende dag gehoord te worden. De betreffende medewerker van het COA heeft deze vraag bevestigend beantwoord en heeft eiser toegezegd dit met verweerder te zullen bespreken. Eiser heeft zich vervolgens op 3 november 2015 gemeld om het nader gehoor af te nemen en werd toen geconfronteerd met het voornemen tot buitenbehandelingstelling.

4. De rechtbank overweegt ambtshalve dat sprake is van procesbelang zodat eiser in zijn beroep kan worden ontvangen. Weliswaar wordt een nieuwe aanvraag nadat een voornemen tot buitenbehandelingstelling is uitgebracht behandeld als een eerste aanvraag, echter indien bij indiening van een nieuwe aanvraag een inwilligende beschikking volgt, zal de verlening van de verblijfsvergunning pas ingaan op die latere datum. Reeds hierin is procesbelang gelegen.

5. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning voor asiel voor bepaalde tijd terecht buiten behandeling heeft gesteld.

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 30 c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen.

7. Verweerder stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat er geen objectieve informatie is waaruit blijkt dat eiser op 2 november 2015 niet in staat was te verschijnen op het nader gehoor. Ook is door eiser geen schriftelijke verklaring van de betreffende COA-medewerker overgelegd waaruit de gedane toezegging zou blijken. Daarom wordt niet alsnog een nader te bepalen datum geboden waarbij eiser over zijn asielmotieven kan worden gehoord.

Indien de vreemdeling een nieuwe aanvraag indient nadat zijn aanvraag buiten behandeling is gesteld, wordt deze behandeld als een eerste aanvraag, tenzij de vreemdeling eerder een aanvraag heeft gedaan die is afgewezen.

8. De rechtbank overweegt dat verweerder zich gedurende de gehele procedure moet inspannen en vergewissen of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Dit vereist een actieve en alerte houding van verweerder. De rechtbank betrekt hierbij considerans 29 en artikel 24 van de Procedurerichtlijn (Pri) die zijn omgezet in artikel 3.108b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In de toelichting op deze bepaling in het Vb 2000 is het navolgende opgenomen:

“In artikel 3.108b is bepaald dat er een beoordeling plaatsvindt of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft en indien dat het geval is, dat passende steun wordt geboden. Het oordeel of er al dan niet sprake is van behoefte aan bijzondere procedurele waarborgen is geen zelfstandig appellabel besluit. Er zal ook geen sprake zijn van een schriftelijk besluit. De beslissing om deze steun niet of niet in een bepaalde gewenste vorm te bieden, kan dus niet afzonderlijk worden aangevochten.

Hier is uitdrukkelijk voor gekozen. De reden hiervoor is dat die beoordeling zich niet beperkt tot één moment in de asielprocedure, maar eerder een continue afweging moet zijn. Immers, een behoefte aan een bijzondere procedurele waarborg kan zich op diverse momenten in de asielprocedure voordoen of openbaren. Zo kan het voorkomen dat een vreemdeling op het moment van aanmelding niets mankeert, maar op de dag van het nader gehoor ziek is geworden. Een formele benadering, waarbij de overheid zich op het standpunt zou stellen dat er reeds is beoordeeld dat geen bijzondere ondersteuning noodzakelijk was aan het begin van de procedure zou niet wenselijk zijn. Niet vanuit het belang van de vreemdeling, maar ook niet vanuit het belang van de overheid, omdat het beeld dat uit het asielonderzoek naar voren komt niet langer betrouwbaar zou zijn.

De gekozen benadering vergt dat de medewerker van de IND zich steeds de vraag stelt of de vreemdeling ondersteuning behoeft (…)

(…) De beoordeling of een persoon bijzondere procedurele waarborgen behoeft beperkt zich echter niet tot het medisch advies van FMMU en asielzoekers die een rust- en voorbereidingstermijn doorlopen. De IND is zich er vanaf de allereerste aanmelding en gedurende de verdere procedure van bewust dat zich dergelijke behoeften kunnen voordoen. Zo wordt in de aanmeldfase al aandacht besteed aan evidente kwetsbaarheden.”

9. Niet valt in te zien dat dit niet onverkort heeft te gelden als een vreemdeling in het geheel niet verschijnt bij, in dit geval, een nader gehoor. De rechtbank betrekt hierbij dat ook in artikel 28, eerste lid, Pri is bepaald dat verweerder ervan mag uitgaan dat een verzoek impliciet is ingetrokken of hiervan wordt afgezien als is vastgesteld dat - onder meer - verzoeker niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud of hij is verdwenen.

Ook deze vaststelling vereist een actieve houding van verweerder. In het onderhavige geval heeft eiser expliciet te kennen gegeven nader gehoord te willen worden en dus internationale bescherming te vragen.

10. Blijkens de ter zitting door gemachtigde van eiser gegeven toelichting heeft verweerder contact opgenomen met hem om te vragen waarom eiser niet is verschenen. Zonder enige toelichting van de zijde van verweerder vermag de rechtbank echter niet in te zien waarom de gehoormedewerker na de vaststelling dat eiser niet is verschenen, in plaats van het diezelfde dag uitbrengen van een voornemen tot buitenbehandelingstelling, geen (telefonisch) contact heeft opgenomen met de opvanglocatie waar eiser staat ingeschreven. Dan was aanstonds duidelijk geworden of eiser nog aanwezig was en of eiser heeft verzocht wegens medische omstandigheden een dag later te mogen verschijnen voor het nader gehoor. Indien verweerder dit nalaat, gaat het niet aan om vervolgens van eiser te verlangen een schriftelijke verklaring in te dienen van de COA-medewerker bij wie eiser zich ziek zou hebben gemeld. De rechtbank verwijst hierbij uitdrukkelijk naar de zinsnede in het rapport “niet verschijnen nader gehoor d.d. 2 november 2015”, waar nota bene door de rapporteur is opgenomen dat eiser bij het COA heeft aangegeven dat hij zich mentaal niet fit genoeg voelde en een dag later te zullen verschijnen en dat hij nog in de Pol verblijft. Nu verweerder in belangrijke mate stil is blijven zitten, terwijl juist een meer actieve houding had mogen worden verwacht, is het besluit tot buitenbehandelingstelling onzorgvuldig voorbereid en in strijd genomen met het bepaalde in 3:2 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb).

11. De rechtbank overweegt verder dat het bevreemdingwekkend is dat verweerder aan de verklaring van de huisarts van het Gezondheidscentrum Asielzoekers op de Pol Arnhem van 10 november 2015 waarin is opgenomen dat eiser sinds 2 november 2015 ziek is, geen waarde toekent omdat deze is gebaseerd op informatie van eiser zelf. De rechtbank is niet bekend met patiëntenrapporten waarbij de patiënt niet is gehoord. Overigens gaat de rechtbank ervan uit dat een arts de verantwoordelijkheid heeft en neemt om datgene wat een patiënt stelt ook op zijn merites te beoordelen en alleen op te nemen als dat dat ook de professionele opinie van de arts is. De rechtbank begrijpt in dit kader ook niet de tegenwerping dat eiser op 2 november 2015 zou hebben gezegd dat hij mentaal niet fit was en uit het patiëntrapport blijkt dat eiser lichamelijk ziek was en dat dit zodanig tegenstrijdig is dat het rapport de stelling van eiser niet kan onderbouwen. De rechtbank kan verweerder evenmin volgens in zijn standpunt dat ongeloofwaardig is dat eiser tot 10 november 2015 heeft gewacht alvorens een arts te bezoeken terwijl hij al op 2 november 2015 ziek zou zijn. De kern is immers dat eiser stelt niet in staat te zijn geweest om te worden gehoord. Verweerder heeft er voor gekozen niet te verschijnen bij de zitting zodat deze vragen onbeantwoord blijven. Gelet op dit motiveringsgebrek stelt de rechtbank vast dat er sprake is strijd met artikel 3:42 van de Awb.

12. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser een goed onderbouwd beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel waarbij eiser de naam en V-nummer van een andere Albanese vreemdeling heeft genoemd die na ziekmelding wel een dag later een nader gehoor heeft gehad. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op deze beroepsgrond, zodat ook deze grond slaagt.

13. De rechtbank overweegt dat het buiten behandeling stellen op grond in artikel 30 c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een bevoegdheid en geen verplichting van verweerder is. Dit betekent echter wel dat verweerder is gehouden om met deze bevoegdheid zorgvuldig om te gaan en goed te motiveren waarom in een specifiek geval van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder hierin niet is geslaagd. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Dit betekent dat ook het terugkeerbesluit en het onthouden van de vertrektermijn, hoewel de gronden van eiser hier niet op zien, geen stand houden.

14. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag van eiser;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

L.M.P. Giezenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.