Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
09/920091-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde voor in 2010 gepleegde feiten. Het Hof legde de veroordeelde daarvoor in 2011 onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen op. In 2012 vorderde het Om de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie. De rechtbank gaf daarop de veroordeelde de kans om 120 uur te werken in plaats van tenuitvoerlegging van de jeugddetentie te gelasten. In 2014 besloot het OM tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie. De rechtbank gunde de veroordeelde op zijn bezwaarschrift daartegen, opnieuw een kans om de 120 uur te werken. In 2015 besloot het OM wederom tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie. Ook daartegen ging de veroordeelde in bezwaar.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde nog niet met de werkstraf is begonnen en dat zijn inzet wel heeft geleid tot uitbreiding van zijn strafblad. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920091-12

Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 77p van het Wetboek van Strafrecht van

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te 's-Gravenhage,

en wonende te [adres] ,

hierna te noemen de veroordeelde.

De procesgang.

Bij arrest van 12 april 2011 heeft het Gerechtshof te Den Haag in de zaak met nummer

22-006023-10, na appel in de zaak met parketnummer 09-920166-10, aan de veroordeelde onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen opgelegd.

Bij vonnis van de meervoudige kamer in jeugdstrafzaken in deze rechtbank van 28 juni 2012 in de zaak met parketnummer 09/920091-12 is onder meer, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde straf van 60 dagen jeugddetentie te geven, aan de veroordeelde een werkstraf voor de duur van 120 uren opgelegd.

De rechtbank heeft daarbij bevolen, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 13 juli 2012.

Bij uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 8 mei 2014 is een bezwaarschrift van de veroordeelde tegen omzetting van de werkstraf gegrond verklaard en is veroordeelde in de gelegenheid gesteld om de werkstraf van 120 uren alsnog te verrichten.

De Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden heeft aan het openbaar ministerie bij eindrapportage taakstraf van 24 augustus 2015 bericht dat de opgelegde taakstraf is mislukt, in die zin dat van de 120 uren werkstraf geen enkel uur is uitgevoerd.

Het openbaar ministerie heeft bij beslissing van 22 oktober 2015 de tenuitvoerlegging van 60 dagen vervangende jeugddetentie bevolen, aangezien de veroordeelde naar het oordeel van het openbaar ministerie zijn taakstraf niet heeft verricht.

De kennisgeving is op 7 november 2015 niet in persoon aan de veroordeelde betekend.

De raadsman van de veroordeelde, mr. A.P. Visser, heeft namens de veroordeelde tegen die kennisneming een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift op 2 november 2015 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen.

De ontvankelijkheid van de veroordeelde in het bezwaar.

De veroordeelde heeft het tijdig, te weten binnen veertien dagen na betekening van de kennisgeving ex artikel 77p van het Wetboek van Strafrecht, ingediend.

Het bezwaarschrift.

Het bezwaarschrift zoals bedoeld in artikel 77p, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van strekt ertoe dat de veroordeelde de rechtbank verzoekt de beslissing van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie te vernietigen en de veroordeelde nog een kans te geven de werkstraf te verrichten.

De behandeling ter zitting.

Het bezwaarschrift is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 december 2015.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.P. Visser, advocaat te Den Haag, is verschenen en op het bezwaarschrift gehoord.

Een broer van de veroordeelde is bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig geweest.

Na een onderbreking van de terechtzitting zijn de veroordeelde en de broer van de veroordeelde niet meer verschenen.

Mevrouw E. Segaar van de Raad voor de Kinderbescherming is als getuige-deskundige gehoord.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het bezwaarschrift.

De raadsman van de veroordeelde heeft bepleit de veroordeelde nog een laatste kans te geven om de taakstraf te verrichten. De veroordeelde heeft onhandig gecommuniceerd. Er is geen sprake van onwil maar van een sterfgeval in de familie en detentie. Inmiddels heeft de veroordeelde werk en een ten positieve veranderde attitude, aldus gesteld. Detentie zou de positieve ontwikkelingen doorkruisen.

De veroordeelde heeft verklaard dat hij gemotiveerd is om de werkstraf te volbrengen en dat hij graag nog een laatste kans zou krijgen om dit te doen. Als redenen voor het niet nakomen van afspraken heeft hij verklaard dat hij deze verwarde met afspraken in het kader van een andere werkstraf van 100 uren die hem is opgelegd, dat ADHD en een PTSS hem parten spelen en dat hij waarschijnlijk post niet heeft ontvangen doordat honden op het woonwagenkamp waar hij woont, er wel eens met de post van doorgaan. Hij werkt drie of vier dagen per week, waarvoor hij nog geen contract heeft. De uitkering die hij geniet, zal worden stopgezet zodra hij in vaste dienst komt, aldus de veroordeelde.

De beoordeling van het bezwaarschrift.
Uit het onderzoek ter zitting, in het bijzonder uit de rapportage van de Raad d.d. 24 augustus 2015, is gebleken dat de veroordeelde niet naar behoren heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de werkstraf, waarbij de rechtbank overigens constateert dat deze straf oorspronkelijk dateert uit 2011, voor strafbare feiten gepleegd op 31 maart 2010.

Uit de rapportage komt - kort gezegd - naar voren dat de veroordeelde, nadat hem door de meervoudige kamer op 8 mei 2014 een kans daartoe is gegeven tijdens de 1e artikel 77 p Wetboek van Strafrecht zitting, niet aan de uitvoering van de werkstraf is begonnen.

Hij is niet verschenen op de eerste uitnodiging voor een gesprek, bij de tweede afspraak meldde hij zich kort daarvoor af en daarna verscheen hij niet op de derde en de vierde uitnodiging zonder zich af te melden. Daarna is niets van hem vernomen.

De Raad sluit de werkstraf dan ook af als zijnde mislukt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman het gestelde in de rapportage geenszins kunnen ontkrachten dan wel aan de hand van stukken kunnen onderbouwen.

De rechtbank overweegt dat de veroordeelde, die overigens te laat ter terechtzitting verscheen en tijdens een korte schorsing van het onderzoek ter zitting zonder opgaaf van redenen vertrok, geen blijk heeft gegeven van enige inzet voor het verrichten van de werkstraf. Van het bestaan van een arbeidsverhouding, zo de rechtbank daar al enige waarde aan gehecht zou hebben, is niets aannemelijk gemaakt.

Alles overziend heeft veroordeelde van de hem opgelegde werkstraf nog niets gewerkt.

Daarentegen komt uit de stukken wél als vaststaand naar voren dat de inzet van de verdachte in de afgelopen jaren heeft geresulteerd in een gedegen uitbreiding van zijn strafblad.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het bezwaarschrift van de veroordeelde gegrond te verklaren.

Het bezwaarschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.C. Koekman, voorzitter, kinderrechter,

mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

mr. J.A.H.M. Janssen kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2015.

Mr. Janssen is buiten staat

dit vonnis te ondertekenen.