Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15456

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-12-2015
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
09/820015-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het langdurig seksueel misbruiken van zijn jongere zus. Het seksueel misbruik bestond uit het verrichten en proberen te verrichten van diverse handelingen, waaronder het seksueel binnendringen bij het slachtoffer.

Het misbruik vond plaats toen de verdachte en zijn zusje beiden nog thuis woonden - bij hun biologische moeder en deels bij haar en de partner(s) van de moeder-, waar geen sprake was van voldoende ouderlijk toezicht of een stabiele thuissituatie.

De verdachte heeft bij zijn handelen louter en alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van het slachtoffer, de aantasting van haar lichamelijke en psychische integriteit en de doorkruising van haar (seksuele) ontwikkeling. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit grote schade kan toebrengen aan de ontwikkeling van (jonge) kinderen. Hier komt nog bij dat het slachtoffer de jongere zus van de verdachte is. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat het slachtoffer geen schande wilde zijn voor de familie. De negatieve ervaringen met seks hebben invloed gehad op latere relaties. Zij neemt het de verdachte kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van haar onzekerheid.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het vertrouwen van het slachtoffer heeft beschaamd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/820015-14

Datum uitspraak: 31 december 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte] [verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1996,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 november 2015 en 17 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 31 maart 2009 tot en met 30 maart 2012 te [locatie 1] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger de clitoris van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger tussen de schaamlippen gewreven en/of een vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of (toen) zijn penis heen en weer bewogen en/of het hoofd van die [slachtoffer] beetgepakt en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht;

art 244 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 31 maart 2009 tot en met 30 maart 2012 te [locatie 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger de clitoris van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger tussen de schaamlippen gewreven en/of

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 244 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 31 maart 2012 en 26 april 2013 te [locatie 1] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger de clitoris van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger tussen de schaamlippen gewreven en/of een vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of (toen) zijn penis heen en weer bewogen en/of het hoofd van die [slachtoffer] beetgepakt en/of heen en weer bewogen en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht;

art 245 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 31 maart 2012 tot en met 26 april 2013 te [locatie 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger de clitoris van die [slachtoffer] betast en/of met een vinger tussen de schaamlippen gewreven en/of

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] proberen te brengen en/of zijn penis tegen de anus van die [slachtoffer] geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 245 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte in de periode van 31 maart 2009 tot en met 30 maart 2012 in [locatie 1] , met zijn zus [slachtoffer] (verder ook: het slachtoffer), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (onder feit 1 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegd), dan wel of de verdachte een poging daartoe heeft gedaan (onder feit 1 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegd).

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan, met dien verstande dat de periode dient te worden bekort, en dat met betrekking tot alle handelingen sprake is van een voltooid delict, zoals ten laste gelegd onder feit 1 eerste alternatief/cumulatief.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de periode van het onder 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit in de bewezenverklaring van de rechtbank in ieder geval dient te worden ingekort. De verdachte is op 13-jarige leeftijd, te weten in 2011, uit huis geplaatst. Op dat moment zijn de ten laste gelegde handelingen in ieder geval gestopt. Voorts is niet komen vast te staan dat sprake is van seksueel binnendringen door de verdachte in het lichaam van het slachtoffer. Zowel de verdachte als het slachtoffer heeft verklaard dat bepaalde handelingen zijn geprobeerd, maar niet zijn gelukt. Er is derhalve geen sprake geweest van een voltooid delict met betrekking tot het binnendringen in het lichaam van het slachtoffer, aldus de raadsman.

3.1.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het onder 1 eerste, dan wel tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [belanghebbende] , namens Bureau Jeugdzorg Leiden, d.d. 7 oktober 2014, opgenomen in het dossier met nummer PL1500-2014192881-1 (blz. 23 en 24);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige,
    d.d. 8 oktober 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2014192881-3, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (blz. 36 t/m 49);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    17 december 2015.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat het dossier ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen die betrekking hebben op het door de verdachte seksueel binnendringen in het lichaam van het slachtoffer, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om dit seksueel binnendringen bewezen te verklaren als een voltooid delict ten aanzien van de liggende streepjes 3, 4 en 5 van de tenlastelegging.

De verdachte heeft immers verklaard dat hij heeft geprobeerd zijn penis in de mond, de vagina en de anus van het slachtoffer te brengen, doch dat dit niet is gelukt. De rechtbank volgt hier de verklaring van de verdachte, nu verder bewijs ter zake van het voltooid zijn van het delict ook ontbreekt.

De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van de ten laste gelegde handeling dat hij zijn penis in de mond van het slachtoffer heeft gebracht.

De ten laste gelegde handeling dat de verdachte zijn penis in de vagina heeft proberen te brengen, dan wel met zijn penis tegen haar vagina heeft geduwd en de handeling dat de verdachte zijn penis in de anus van het slachtoffer heeft proberen te brengen, acht de rechtbank bewezen als onvoltooid delict, zoals ten laste gelegd onder feit 1 tweede cumulatief.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat de ten laste gelegde periode van 31 maart 2009 tot en met 30 maart 2012 dient te worden ingekort, in die zin dat bewezen wordt verklaard dat de verdachte de handelingen heeft gepleegd in de periode van 31 maart 2009 tot en met 20 september 2011. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de handelingen zijn gestopt op het moment dat de uithuisplaatsing van de verdachte plaatsvond, te weten op 20 september 2011.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte handelingen heeft gepleegd, dan wel heeft getracht deze te plegen, welke bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen in het lichaam van het slachtoffer, zoals deels ten laste gelegd onder feit 1 eerste alternatief/cumulatief en deels ten laste gelegd onder feit 1 tweede alternatief/cumulatief.

Ten aanzien van feit 2

3.2

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte het slachtoffer in de periode van 31 maart 2012 tot en met 26 april 2013 in [locatie 1] heeft misbruikt door (onder andere) seksueel in haar lichaam binnen te dringen (onder feit 2 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegd), dan wel of de verdachte een poging daartoe heeft gedaan (onder feit 2 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegd).

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte van het onder feit 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde zal vrijspreken.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de verdachte van het onder feit 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit bepleit, nu uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte op 13-jarige leeftijd, te weten in 2011, uit huis is geplaatst en het misbruik van zijn zus op dat moment is gestopt.

3.2.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht op grond van hetgeen in het procesdossier is aangetroffen en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd onder feit 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief, nu is gebleken dat het misbruik van het slachtoffer door de verdachte heeft plaatsgevonden tot het moment dat hij uit huis werd geplaatst op 20 september 2011. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 31 maart 2009 tot en met 20 september 2011 te [locatie 1] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen,

- de vagina van die [slachtoffer] betast en met een vinger de clitoris van die [slachtoffer] betast en met een vinger tussen de schaamlippen gewreven en een vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt;

en

hij op tijdstippen in de periode van 31 maart 2009 tot en met 20 september 2011 te [locatie 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen te plegen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen,

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] proberen te brengen en

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] proberen te brengen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht bij de reclassering van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en het volgen van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie heeft de gevangenhouding gevorderd.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de strafmaat rekening dient te houden met de volgende omstandigheden. De verdachte is op zeer jonge leeftijd geconfronteerd met seks en geweld. Zijn moeder werkte in de prostitutie en er was sprake van een onveilige thuissituatie. Blijkens de verschillende rapporten van deskundigen is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive wordt laag ingeschat. Dat de verdachte is geconfronteerd met de gebeurtenissen in het verleden, zijn voor hem al een bestraffing op zich. Hij schaamt zich zeer en realiseert zich dat zijn gedrag fout was en grote gevolgen heeft (gehad) voor het slachtoffer. Dit heeft ook invloed op zijn huidige ontwikkeling. Bij de verdachte is sprake van een blanco strafblad.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het opleggen van een onvoorwaardelijke en voorwaardelijke jeugddetentie niet passend is. Een voorwaardelijke werkstraf, met de bijzondere voorwaarden als voorgesteld door de jeugdreclassering is passend. De verdachte is bereid zich aan de voorwaarden te houden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het langdurig seksueel misbruiken van zijn jongere zus. Het seksueel misbruik bestond uit het verrichten en proberen te verrichten van diverse handelingen, waaronder het seksueel binnendringen bij het slachtoffer.

Het misbruik vond plaats toen de verdachte en zijn zusje beiden nog thuis woonden - bij hun biologische moeder en deels bij haar en de partner(s) van de moeder-, waar geen sprake was van voldoende ouderlijk toezicht of een stabiele thuissituatie.

De verdachte heeft bij zijn handelen louter en alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van het slachtoffer, de aantasting van haar lichamelijke en psychische integriteit en de doorkruising van haar (seksuele) ontwikkeling. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit grote schade kan toebrengen aan de ontwikkeling van (jonge) kinderen. Hier komt nog bij dat het slachtoffer de jongere zus van de verdachte is. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat het slachtoffer geen schande wilde zijn voor de familie. De negatieve ervaringen met seks hebben invloed gehad op latere relaties. Zij neemt het de verdachte kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van haar onzekerheid.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het vertrouwen van het slachtoffer heeft beschaamd.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, is de verdachte in het verleden niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering (verder: de jeugdreclassering) d.d. 27 augustus 2015. Blijkens voornoemd rapport heeft de verdachte een uitermate belaste voorgeschiedenis, welke gekenmerkt wordt door vroege en frequente confrontaties met seks en geweld in zijn geboorteland Brazilië.

Gelet op de problemen thuis en de onveilige leefomgeving, is de verdachte vanaf zijn veertiende jaar uit huis geplaatst en gestopt met het volgen van onderwijs.

Inmiddels lijkt hij zijn leven redelijk op orde te hebben. Hij woont begeleid en is niet meer met politie en/of justitie in aanraking gekomen. Uit de Pro Justitia-rapportages van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek van 22 respectievelijk 19 februari 2015 is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een (chronische) posttraumatische stressstoornis, een gegeneraliseerde angststoornis en cannabisafhankelijkheid. De verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht ten tijde van het tenlastegelegde. De kans op recidive wordt laag ingeschat.

Gelet op de problematiek van de verdachte, is reclasseringstoezicht en ambulante behandeling bij De Waag geïndiceerd. Het schorsingstoezicht is echter moeizaam verlopen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de behandel- en meldplichtafspraken.

De behandeling bij De Waag is dan ook afgesloten. De vraag is in hoeverre reclasseringstoezicht en verplichte behandeling haalbaar zijn. Evenwel, de verdachte heeft ter zitting wél verklaard deze behandeling en begeleiding te accepteren, indien de rechtbank hem zulks bij vonnis zal opleggen.

De jeugdreclassering heeft in haar rapport geadviseerd om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als (bijzondere) voorwaarden de meldplicht, verplichting tot ambulante (zeden)behandeling bij De Waag, verplichte medewerking aan observatie en diagnostiek en een contactverbod met het slachtoffer.

Ter terechtzitting is in aanvulling op het rapport namens de jeugdreclassering verklaard dat behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling nog mogelijk en geïndiceerd is.

De mentor van [locatie 2], de heer C.F. van Harderbroek, heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte sinds drie jaar bij hem in het begeleid-wonentraject woonachtig is. De plek van de verdachte bij [locatie 2] kan niet worden gegarandeerd op het moment dat de verdachte onvoorwaardelijke jeugddetentie van langere duur opgelegd krijgt.

De rechtbank neemt de conclusies van de verschillende deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal het gegeven advies opvolgen, met dien verstande dat de bijzondere voorwaarden meldplicht en de verplichting tot behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling zullen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen grond voor het opleggen van een contactverbod tussen de verdachte en het slachtoffer, nu zij broer en zus zijn en het slachtoffer in haar slachtofferverklaring heeft aangegeven dat zij om deze reden ook graag het contact met de verdachte zou willen herstellen.

Rekening houdend met het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat een (voorwaardelijke) werkstraf, zoals bepleit door de raadsman, geen recht doet aan de ernst van het feit. Oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur, is naar het oordeel van de rechtbank een passende straf. De rechtbank houdt daarbij – meer dan de officier van justitie – rekening met de belaste voorgeschiedenis van de verdachte, het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Daarnaast heeft de verdachte veel schuldbesef en neemt de rechtbank in haar afweging mee dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij vergelding niet noodzakelijk vindt, gelet op de gevolgen die de verdenking tot nog toe al heeft gehad.

De rechtbank zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die door de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Een verdere onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming, of voortzetting van de voorlopige hechtenis die met de opheffing schorsing op 11 december 2015 weer is herleefd

- ingegeven door het feit dat verdachte niet was verschenen op de eerste zittingsdag

d.d. 19 november 2015- acht de rechtbank niet opportuun en dient naar het oordeel van de rechtbank ook geen doel.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke jeugddetentie een proeftijd van twee jaren koppelen. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen, te weten de meldplicht bij de jeugdreclassering en verplichte behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. Deze voorwaardelijke straf dient ervoor te zorgen dat de verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten zal plegen en in het belang van zijn ontwikkeling de noodzakelijke behandeling bij De Waag zal volgen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 eerste alternatief/cumulatief

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE BESTAAN UIT OF MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM;

1 tweede alternatief/cumulatief

POGING TOT MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE BESTAAN UIT OF MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 9 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 6 MAANDEN;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.E. Voskens, rechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter plv.,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2015.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.