Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15431

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
C/09/479515 / HA ZA 14-1391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verdeling en verrekening tussen twee ex-echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

zaaknummer / rolnummer: C/09/479515 / HA ZA 14-1391

Vonnis van 30 december 2015

in de zaak van:

[eiser] ,

de man wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. P.J.M. Ros te Schagen,

tegen

[gedaagde] ,

de vrouw wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk a/d IJssel.

De rechtbank zal de procespartijen hierna kortheidshalve de man en de vrouw noemen.

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 10 december 2014 tegen de eerste rolzitting van 24 december 2014, met de producties 1 t/m 26 van de man;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 4 februari 2015, met de producties 27 t/m 52 van de vrouw;

  • -

    het comparitievonnis van 11 maart 2015 en de beschikking datumbepaling van 15 april 2015 van de rechtbank;

  • -

    de op 17 augustus 2015 ter civiele griffie ontvangen conclusie van antwoord in reconventie, met wijziging van eis in conventie en de producties 53 t/m 64 van de man;

  • -

    de op 17 augustus 2015 ter civiele griffie ontvangen akte in conventie en in reconventie met de producties 44 (nieuw), 51 (nieuw) en 65 t/m 69 van de vrouw;

  • -

    het door de rechtbank achteraf opgemaakte en op 4 september 2015 verzonden proces-verbaal van de comparitie van partijen van 1 september 2015.

1.2

Na het aldus verzenden van het proces-verbaal van de zitting aan beide advocaten heeft de rechtbank nog ontvangen:

  • -

    de faxbrief van mr. Dongelmans van 30 oktober 2015;

  • -

    de faxbrief van mr. Ros van 4 november 2015;

  • -

    de faxbrief van mr. Dongelmans van 11 november 2015;

  • -

    de faxbrief van mr. Ros van 12 november 2015.

1.3

Alleen de hiervoor vermelde faxbrief van mr. Dongelmans van 30 oktober 2015 met onder meer opmerkingen over de feitelijke inhoud van het proces-verbaal is verzonden binnen de in de punten 7 en 8 van dat proces-verbaal gestelde termijn van 1 november 2015. De faxbrief van mr. Ros van 4 november 2015 is verzonden buiten die door de rechtbank gestelde termijn en doet voor wat betreft haar inhoud ook meer dan is toegestaan en bepaald door de rechtbank in punt 8 van haar proces-verbaal. Om de man niet nodeloos de dupe te laten worden van deze twee procedurele fouten van zijn advocaat, zal de rechtbank bij het wijzen van dit vonnis alles afwegende rekening houden met de inhoud van de faxbrieven van 30 oktober 2015 en 4 november 2015, maar uitsluitend voor zover beide faxbrieven vooraf toegestane opmerkingen over de feitelijke inhoud van het door de rechtbank achteraf opgemaakte proces-verbaal betreffen en dus niet voor zover die beide faxbrieven iets meer of anders betreffen dan door de rechtbank toegestaan in punt 8 van het proces-verbaal.

1.4

Ter zitting van 1 september 2015 is vonnis bepaald op 2 december 2015. De rechtbank heeft de vonnisdatum moeten uitstellen tot vandaag, 30 december 2015.

De feiten

2.1

De man en de vrouw zijn ex-echtgenoten. Zij waren getrouwd in gemeenschap van goederen van 21 juni 1996 tot 24 april 2006. Uit hun huwelijk is in april 1998 hun zoon [X] geboren, die nu dus ruim 17 jaar oud is en bij zijn moeder woont, zonder omgang met zijn vader. De communicatie tussen de man en de vrouw verloopt zeer moeizaam en hun echtscheiding is vol conflicten geweest over onder meer kinder- en partneralimentaties.

2.2

De in april 2006 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw is nu in december 2015 nog niet geheel verdeeld. Ook moeten nog enkele onderlinge verrekenposten en vergoedingsvorderingen tussen de man en de vrouw worden beoordeeld en beslist, die hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde zullen komen.

2.3

Na de verkoop en levering aan een derde van de vroegere echtelijke woning (het vroegere gemeenschappelijke registergoed) te Midwoud en na de uitkering van de vroegere aan de hypotheek verbonden spaarpolissen van de man en de vrouw tijdens deze civiele bodemprocedure, resteert ter verdeling een bij notaris Alsema in Hoorn sinds juni 2015 in depot staand bedrag van € 84.187,41 in hoofdsom (de netto verkoopopbrengst van het gemeenschappelijk registergoed en van de gemeenschappelijke hypothecaire spaarpolissen).

De geschillen

3.1

Alle in conventie en in reconventie over en weer ingestelde en over en weer gewijzigde vorderingen strekken ertoe dat de rechtbank de verdeling van de gemeenschap van partijen zal vaststellen op de voet van art. 3:185 BW, met verrekening van diverse onderlinge vorderingen over en weer.

3.2

Voor de weergave van de exacte inhoud van de ook na de eiswijzigingen aan beide zijden nog steeds omvangrijke vorderingen in conventie en in reconventie en van de daartoe over en weer ingenomen standpunten, volstaat de rechtbank nu kortweg met een verwijzing naar de inhoud van alle hiervoor bij 1.1. opgesomde processtukken met producties.

3.3

De voor de beslissingen relevante stellingen aan beide zijden komen hierna aan de orde bij de beoordeling door de rechtbank van de samenhangende geschillen van partijen.

De beoordeling

De verdeling van het gemeenschappelijk notarieel depot van € 84.187,41 in hoofdsom.

4.1

De eindafrekening van notaris Alsema te Hoorn met bijlagen aan de man en de vrouw en de notariële depotovereenkomst zijn overgelegd als producties 53, 65 en 66. Het betreft hier de bij notaris Alsema sinds juni 2015 ter verdeling in depot staande netto verkoopopbrengst van het vroegere gemeenschappelijk registergoed en van de hypothecaire spaarpolissen van de man en de vrouw van € 84.187,41 in hoofdsom, na aftrek van alle op die notariële eindafrekening opgenomen verrekende en bij helfte te delen kostenposten.

4.2

De vrouw heeft in haar productie 67 tot in detail uiteengezet en voorgerekend dat en waarom - verkort weergegeven wegens de feitelijke gedragslijn van partijen dat sinds de echtscheiding de man alle aan de vroegere verhypothekeerde nieuwbouwwoning verbonden lasten heeft betaald en moet betalen in ruil voor zijn exclusief gebruik en genot van die gemeenschappelijke, onder architectuur gebouwde vrijstaande villa te Midwoud met uitsluiting van de vrouw - van deze € 84.187,41 in hoofdsom aan de vrouw € 43.096,05 behoort toe te komen en aan de man € 41.091,36. Door of namens de man is de inhoud van deze gedetailleerde productie 67 van de vrouw niet of onvoldoende weersproken. Die inhoud komt de rechtbank tussen deze twee deelgenoten met de hiervoor vermelde feitelijke gedragslijn van april 2006 tot juli 2015 tijdens de periode van onverdeeldheid van hun verhypothekeerde registergoed ook niet onjuist, onredelijk en/of onbillijk voor.

4.3

Daarom zal de rechtbank alles afwegende beslissen dat op grond van de hiervoor bij 4.2 vermelde redenen het notarieel depot van € 84.187,41 in beginsel aldus verdeeld moet worden, dat de notaris moet uitkeren aan de vrouw € 43.096,05 in hoofdsom en aan de man € 41.091,36 in hoofdsom. De gekweekte rente over het notarieel depot en de door de notaris nog te berekenen kosten moeten beide partijen alles afwegende delen, ieder de helft.

De door de man gevorderde meeropbrengst van de spaarpolissen en de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding voor het registergoed.

4.4

Het voorgaande betekent dat de rechtbank zal afwijzen de vorderingen van de man die ertoe strekken dat aan hem een fors groter deel van de opbrengst van de spaarpolissen toekomt omdat hij sinds april 2006 alle daaraan verbonden premies (grotendeels) heeft betaald, waaronder ook de door hem gevorderde premies voor overlijdensrisicodekking. Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank de door de vrouw gevorderde forse gebruiksvergoeding voor het exclusief gebruik van het registergoed sinds april 2006 door de man zal afwijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is het immers het meest in overeenstemming met de feitelijke gedragslijn van partijen sinds april 2006 en met de tussen deze man en deze vrouw met dit gemeenschappelijke verhypothekeerde registergoed in Midwoud als deelgenoten geldende redelijkheid en billijkheid tijdens de lange periode van onverdeeldheid van april 2006 tot juli 2015, dat de man in de onderlinge verhouding met de vrouw alle aan dat registergoed verbonden lasten moet dragen in ruil voor zijn exclusief gebruik daarvan (en dus bij wijze van gebruiksvergoeding aan de vrouw). Deze vuistregel uit de eerstelijns rechtspraktijk is ter zitting ook al voorgehouden aan beide partijen en hun advocaten, zoals blijkt uit het daarvan door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal.

De vordering van de man van € 25.000,- wegens extra investeringen in het registergoed.

4.5

Gelet op het uitvoerige partijdebat over dit geschilpunt, dat is voorzien van vele foto’s en van vele door de man geproduceerde bonnetjes, is de rechtbank alles afwegende van oordeel dat de vrouw aan de man bij wijze van vergoedingsrecht (zie de wetsartikelen 1:87 en 1:95 BW) een bedrag moet betalen dat overeenkomt met de extra investeringen van de man aan het registergoed en vooral aan de tuinaanleg daarvan in de periode van april 2006 tot juli 2015, maar slechts voor zover daarmee de verkoopbaarheid en de verkoopprijs van hun gemeenschappelijk registergoed uiteindelijk in juni 2015 objectief bezien gebaat zijn geweest. Ook dit kwam ter zitting van 1 september 2015 al uitgebreid aan de orde, zoals blijkt uit punt 4 van het daarvan door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal.

4.6

Gelet op het partijdebat en op de producties van beide partijen over dit geschilpunt, kan de rechtbank de omvang van deze extra investeringen van de man die hebben geleid tot een waardevermeerdering slechts begroten door deze te schatten. Alle aangevoerde argumenten pro en contra afwegende, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een vergoeding door de vrouw van € 5.000,- aan de man redelijk en billijk. Aldus zal de rechtbank beslissen, onder afwijzing van het door de man meer of anders gevorderde.

De vordering van de vrouw van € 10.690,50 wegens belastingteruggaven aan de man.

4.7

Naar de rechtbank uit punt 4 van de akte van 17 augustus 2015 van de advocaat van de vrouw begrijpt, vordert de vrouw uiteindelijk na wijziging van eis op dit punt dat de man aan de vrouw € 21.381,- : 2 = € 10.690,50 zal moeten betalen wegens door de man ontvangen maar nog bij helfte te delen belastingteruggaven. De advocaat van de man heeft hier diverse gemotiveerde verweren tegen gevoerd.

4.8

De rechtbank honoreert alles afwegende het verweer dat al deze door de vrouw aan de orde gestelde belastingteruggaven aan de man blijkens de producties feitelijk hebben plaatsgevonden in 2005 toen de man en de vrouw dus nog formeel in gemeenschap van goederen getrouwd waren. Met deze belastingteruggaven van blijkbaar € 21.381,- tijdens het huwelijk heeft de man naar eigen zeggen de financiële gaten gedicht, net zoals de vrouw dat vermoedelijk zal hebben gedaan met het consumeren van het door haar nog tijdens het huwelijk opgenomen extra bedrag van blijkbaar € 8.728,- waarop de man in punt 63 van zijn akte van 17 augustus 2015 nog heeft gewezen met zijn kwalificatie diefstal. Alles afwegende ziet de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende feitelijke en juridische redenen om deze deelvordering van de vrouw toe te wijzen. Die zal dus worden afgewezen.

De vorderingen van de man tot verrekening van door hem betaalde gemeenschapsschulden.

4.9

De man vordert voor wat betreft de door hem betaalde gemeenschapsschulden per en na de peildatum 24 april 2006 van de vrouw bedragen van samengevat € 3.690,- (50% hoofdsom ING schuld), € 1.429,- (50% rentebetalingen ING schuld), € 927,- (50% schuld Nuon) en € 432,- (100% stallingskosten caravan). De vrouw voert daartegen verweer.

4.10

Voor wat betreft de door de man afbetaalde ING-schuld is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op grond van de wetsartikelen 1:94 lid 5 BW en 1:100 BW wel de helft van de hoofdsom per 24 april 2006 van deze gemeenschapsschuld aan de man moet (terug)betalen, maar niet de rente die de man sindsdien aan ING Bank voor deze gemeenschapsschuld heeft betaald. Dit laatste ter compensatie van het feit dat de vele alimentatierechters in dit geval ten gunste van de man en ten nadele van de vrouw bij de bepalingen van de aan de man opgelegde partneralimentaties rekening hebben gehouden met het feit dat de man in de onderlinge verhouding deze ING-schuld zou afbetalen. Dat betekent dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank nog € 3.689,60 aan de man zal moeten betalen, dat is de helft van de door de man gestelde en met zijn productie 14 onderbouwde geschatte gemeenschappelijke ING-schuld per 24 april 2006 van € 7.379,20, welk geschat bedrag door de vrouw niet of onvoldoende inhoudelijk is weersproken.

4.11

Voor wat betreft de nog bij helfte te delen en door de man afbetaalde Nuon gemeenschapsschuld heeft de man met een beroep op de inhoud van zijn producties 23 en 24 gesteld dat die Nuon schuld per de peildatum 24 april 2006 nog € 1.854,- bedroeg. De vrouw heeft daartegenover met een beroep op de inhoud van haar productie 41 impliciet gesteld dat die gemeenschapsschuld aan Nuon per 24 april 2006 nog 412,- bedroeg. Naar het oordeel van de rechtbank is productie 23 van de man kennelijk de meest recente versie van de tijdens het huwelijk met Nuon getroffen betalingsregeling voor deze Nuon-schuld van partijen, die de eerder gedateerde productie 41 van de vrouw heeft vervangen. Gelet op de inhoud van productie 23 van de man bedroeg die gemeenschapsschuld per de peildatum 24 april 2006 kennelijk nog € 618,- en dus niet nog € 1.854, zoals de man feitelijk ten onrechte heeft gesteld. Dat betekent dat de vrouw voor deze gemeenschapsschuld aan Nuon naar het oordeel van de rechtbank - onder verwijzing naar de hiervoor bij 4.10 vermelde redenen en met verwerping in zoverre van het desbetreffende verweer van de vrouw met betrekking tot de partneralimentaties - nog de helft van € 618,- en dus € 309,- aan de man moet betalen.

4.12

Voor wat betreft de omstreden stallingskosten van de Bürstner caravan oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op de inhoud van de desbetreffende productie 22 van de man en de op dit document vermelde stallingsperiode van 24 september 2004 t/m 24 september 2006 voor de door de man betaalde totaalprijs van € 432,-, betreft het hier grotendeels (19 van de 24 maanden) de formeel nog huwelijkse periode van partijen en slechts van 24 april 2006 t/m 24 september 2006 (5 van de 24 maanden) de stallingsperiode na het huwelijk, toen de vrouw kennelijk het exclusief gebruik van deze caravan had. Daarom zal de rechtbank alles afwegende de vrouw veroordelen om voor die stallingskosten van € 432,- aan de man 5/24ste deel terug te betalen, dat is dus € 90,- aan de man.

De geldvorderingen van de man en de vrouw voor de al verdeelde (overige) activa.

4.13

De man vordert wegens gestelde maar betwiste overbedeling van de vrouw bij de feitelijk al plaatsgevonden hebbende verdeling van de inboedelzaken na eiswijziging nog een gesteld maar betwist bedrag van € 2.707,-. Naar het oordeel van de rechtbank is na het met veel producties onderbouwde partijdebat onvoldoende komen vast te staan dat de man nog een geldvordering heeft op de vrouw wegens overbedeling bij de (per definitie relatief geringe) verkoopwaarden van de al lang geleden feitelijk verdeelde inboedelzaken.

4.14

Partijen zijn het er in de loop van de procedure over eens geworden dat de vrouw géén nog te verdelen spaarloon had op 24 april 2006 en voorts dat de man voor zijn opgebouwde spaarloon per die peildatum nog € 1.870,76 aan de vrouw moet betalen.

4.15

Over de nog te verdelen waarde van de Bürstner 390TN caravan bouwjaar 1987, die na de peildatum 24 april 2006 exclusief door de vrouw is gebruikt, verschillen partijen van mening. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat de man onvoldoende concrete feiten heeft gesteld, die - indien bewezen - kunnen leiden tot het oordeel dat die caravan een hogere verdelingswaarde had dan het door de vrouw concreet en onderbouwd gestelde bedrag van € 1.100,-, voor welk bedrag zij die oude caravan uiteindelijk in juni 2011 heeft verkocht aan een derde zoals blijkt uit haar productie 39. Daarom zal de vrouw voor dit geschilpunt nog de helft van deze € 1.100,- en dus € 550,- aan de man moeten betalen.

4.16

De vrouw vordert nog een bedrag van € 1.895,- wegens overbedeling van de man voor een Suzuki motorfiets GSX 600F met bouwjaar 1994, die na de relevante peildatum 24 april 2006 bij de man in exclusief gebruik zou zijn gebleven. De man heeft echter naar het oordeel van de rechtbank met zijn productie 60 genoegzaam aangetoond dat hij deze motorfiets al op 11 maart 2006 en dus vóór de juridisch relevante peildatum van 24 april 2006 voor € 50,- had verkocht aan de in die ondertekende productie 60 genoemde derde. Daarom valt er op dit geschilpunt niets meer te verrekenen of te verdelen tussen partijen.

Slotsom en proceskosten.

4.17

De optelsom van de hiervoor bij 4.4 t/m 4.16 vetgedrukte en onderling nog te verrekenen bedragen leidt ertoe dat de vrouw voor alle daar beoordeelde geschilpunten bij wijze van verrekening nog een bedrag van per saldo € 7.767,84 aan de man moet betalen.

4.18

Dat betekent vervolgens dat, na verrekening van deze € 7.767,84 met de hiervoor bij 4.3 vetgedrukte bedragen van € 43.096,05 voor de vrouw en € 41.091,36 voor de man (dat was dus € 2.004,69 méér voor de vrouw dan voor de man), uit het ter onderlinge verdeling en onderlinge verrekening resterende notarieel depot van € 84.187,41 in hoofdsom uiteindelijk naar het eindoordeel van de rechtbank € 44.975,28 aan de man toekomt en
€ 39.212,13 aan de vrouw (dat is dus € 5.763,15 méér voor de man dan voor de vrouw, en per eindsaldo derhalve (€ 5.763,15 + € 2.004,69 =) 7.767,84 méér voor de man dan voor de vrouw). Aldus zal de rechtbank beslissen, met ook de hiervoor bij 4.3 vermelde beslissing over de nog bij helfte te delen gekweekte notariële depotrente en de nog bij helfte te betalen notariskosten, alles zoals over en weer gevorderd zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.19

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de hierna volgende beslissingen in conventie en in reconventie. De vele overige stellingen en geschillen van partijen kunnen de rechtbank niet brengen tot andere beslissingen over nog ter beoordeling resterende wederzijdse vorderingen, en blijven dus buiten (verdere) beoordeling door de rechtbank.

4.20

Omdat beide partijen over en weer op punten van niet ondergeschikte betekenis in het ongelijk zijn gesteld en omdat zij ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank alles afwegende de proceskosten compenseren aldus dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen.

De beslissingen

De rechtbank in conventie en in reconventie:

- verdeelt het gezamenlijk notarieel depot van de man en de vrouw van € 84.187,41 in hoofdsom aldus dat, na de verdelingen en de verrekeningen zoals hiervoor door de rechtbank bij 4.1 t/m 4.18 is overwogen en beslist, uit dat notarieel depot een bedrag van € 44.975,28 in hoofdsom door de notaris aan de man zal moeten worden uitbetaald en aan de vrouw dus een bedrag van € 39.212,13 in hoofdsom;

- bepaalt dat de man en de vrouw bij de hiervoor vermelde uitbetalingen door de notaris van € 44.975,28 aan de man en € 39.212,13 aan de vrouw de dan gekweekte notariële depotrente en de dan nog te betalen notariskosten in hun onderlinge verhouding zullen moeten delen, ieder de helft;

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen;

- wijst af al hetgeen in conventie en in reconventie meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 december 2015.