Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/500126 / KG ZA 15/1766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering afgewezen strekkende tot verbod tenuitvoerlegging vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/500126 / KG ZA 15/1766

Vonnis in kort geding van 2 december 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , thans gedetineerd te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. P. Reemst te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door de Staat bij brief van 24 november 2015 overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door de Staat overgelegde pleitnotitie.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2015. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van 2 augustus 2012 heeft het gerechtshof Den Haag eiser veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf en aan eiser een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van € 12.697,64, bij niet-betaling te vervangen door 98 dagen vervangende hechtenis.

2.2.

Eiser is op 2 november 2015 aangehouden en in vervangende hechtenis genomen. Hij verblijft thans in detentie.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden hem onmiddellijk in vrijheid te stellen en te verbieden nadien nog over te gaan tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig door de vervangende hechtenis te laten voortduren. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht aan de zijde van eiser. Toepassing van de vervangende hechtenis kan dan ook niet leiden tot het doel daarvan, namelijk het verrichten van betalingen. Gelet hierop heeft de Staat geen rechtens te respecteren belang bij tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Eiser heeft een betalingsvoorstel gedaan dat in verhouding staat tot zijn inkomen. Het is onrechtmatig om volledige betaling te eisen. Ook een belangenafweging moet in het voordeel van eiser uitvallen. Niet ondenkbaar is dat eiser als gevolg van de vervangende hechtenis zijn inkomen verliest en daardoor dieper in de schulden komt. Het is onduidelijk hoe in de aanloop naar de vervangende hechtenis door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is gehandeld. Kennelijk is er niet getracht te innen. Dat is in strijd met de eigen beleidsregels van het CJIB.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Kern van het geschil betreft de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens eiser door vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en niet akkoord te gaan met de door eiser aangeboden betalingsregeling.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke, veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een strafvonnis zo spoedig mogelijk wordt geëxecuteerd. Dat uitgangspunt geldt ook voor de tenuitvoerlegging van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Voor een belangenafweging is geen ruimte.

4.3.

De Staat heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat het CJIB in verband met de aan eiser opgelegde schadevergoedingsmaatregel een acceptgiro en aanmaningen aan eiser heeft gestuurd. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat het CJIB eiser in vervangende hechtenis heeft genomen zonder pogingen aan te wenden om de schadevergoedingsmaatregel te innen.

4.4.

Voorts heeft te gelden dat vervangende hechtenis niet slechts ten uitvoer moet worden gelegd in het geval de betrokkene onwillig is om te betalen, maar ook in situaties waarin de veroordeelde niet in staat is de schadevergoedingsmaatregel te voldoen. Betalingsonmacht maakt de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis dan ook niet onrechtmatig (HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5053).

4.5.

Eiser stelt voorts dat het CJIB gehouden is akkoord te gaan met zijn betalingsvoorstel. In artikel 561 lid 3 Sv is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen. De wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie' (Staatscourant 2014, 37617). Daarin is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd is in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot maximaal 36 maanden. Dit is echter alleen mogelijk indien binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen, waarbij sprake is van een 'schrijnende situatie', kan van de termijn van maximaal 36 maanden worden afgeweken. Alsdan wordt maatwerk geleverd in het individuele geval. Ook in die situatie moet de regeling er wel toe leiden dat het (totaal) verschuldigde bedrag binnen een redelijke termijn volledig wordt voldaan. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, hetgeen meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

4.6.

Gelet op voormelde inhoud van de Aanwijzing executie, die hier op zichzelf niet ter discussie staat, kan het het CJIB niet worden verweten dat het niet instemt met het door eiser (laatstelijk) gedane betalingsvoorstel. Dat betalingsvoorstel houdt immers in volledige aflossing van de schadevergoedingsmaatregel in 60 maanden. Nog afgezien van de vraag of die termijn als een redelijke termijn moet worden beschouwd, is gesteld noch gebleken dat van de maximale termijn van 36 maanden moet worden afgeweken omdat sprake is van een schrijnende situatie. Daar komt nog bij dat uit de Aanwijzing executie volgt dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in beginsel niet in behandeling wordt genomen als (i) in een eerdere zaak (minder dan een jaar geleden) een betalingsregeling verwijtbaar niet is nagekomen, (ii) de vervaltermijn van de tweede aanmaning is verstreken, (iii) er een dwangbevel of (waarschuwing) arrestatiebevel is uitgevaardigd en/of (iv) de veroordeelde de vervangende hechtenis reeds ondergaat. Eiser heeft niet weersproken dat een groot deel van deze omstandigheden zich steeds voordeed op het moment dat zijn verzoeken tot het treffen van een betalingsregeling door het CJIB werden afgewezen.

4.7.

Slotsom van het voorgaande is dat niet kan worden geconcludeerd dat de Staat onrechtmatig jegens eiser handelt door de door vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en niet akkoord te gaan met de door eiser aangeboden betalingsregeling(en). De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.8.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.

hvd