Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15344

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 17773
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster kan geen rechten ontlenen aan besluit 1/80 omdat referent geen werknemer maar zelfstandige is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: 15/17772

V-nr: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1980, van Turkse nationaliteit, verzoekster,

(gemachtigde: mr. H. Dogan)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer)

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met als doel ‘verblijf bij echtgenoot’ [persoon 1] (referent) afgewezen.

Bij bezwaarschrift van 19 oktober 2015 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 19 oktober 2015 hebben verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 november 2015. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 16 juni 2015 heeft verzoekster de onderhavige aanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen omdat verzoekster niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Ten aanzien van het beroep van verzoekster op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
7 november 2013 (C-225/12, http://eur-lex.europa.eu), hierna het Demir-arrest, stelt verweerder dat dit arrest niet van toepassing is omdat referent geen werknemer is maar zelfstandige. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de weigering van het verblijf niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het kader van de belangenafweging betrekt verweerder ten nadele van verzoekster dat zij nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Ook betrekt verweerder ten nadele van verzoekster het feit dat verzoekster geen gehoor heeft gegeven aan haar vertrekplicht. Verder betrekt verweerder hierbij het feit dat de Nederlandse overheid nooit door verlening van een vergunning heeft ingestemd met het uitoefenen van het gezinsleven in Nederland en het feit dat verzoekster bij stichting en intensivering van het gezinsleven in Nederland wist of redelijkerwijs had moeten weten dat haar verblijf niet rechtmatig was. Verder is niet gebleken van belemmeringen om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen.

4. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu het Turks Associatierecht buiten beschouwing is gelaten. Verzoekster stelt dat zij onder artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Besluit 1/80) valt, de zogenaamde standstillbepaling en dat verweerder daarom het mvv-vereiste niet had mogen tegenwerpen. Verzoekster verwijst naar het Demir-arrest en stelt dat dit arrest op haar als gezinslid van een Turkse werknemer van toepassing is omdat referent werknemer is geweest (en thans weer is) en dat hij de rechten die hij in die hoedanigheid heeft opgebouwd niet heeft verloren.

5. In het verweerschrift merkt verweerder op dat referent in het bezit is van een verblijfsvergunning met als doel “Turkse zelfstandige”. Referent kan daarom niet worden beschouwd als werknemer in de zin van de standstillbepaling. Daarom zijn de arresten van het Europees Hof zoals onder andere het Demir-arrest niet van toepassing op deze zaak.

6. Op grond van artikel 3.71, tweede lid aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is vrijgesteld van het mvv-vereiste de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80.

7. Artikel 7 van Besluit 1/80 bepaalt, voor zover hier van belang, dat gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht hebben om te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert drie jaar aldaar legaal wonen.

Artikel 13 van Besluit 1/80 bepaalt dat geen nieuwe beperkingen mogen worden gesteld aan de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid legaal zijn.

8. Blijkens de stukken die zich in het dossier bevinden is referent in het bezit van een verblijfsvergunning met als doel “arbeid als Turkse zelfstandige” en is hij vennoot bij [naam bedrijf] klussenbedrijf. Gezien het vorenstaande was referent ten tijde van het primaire besluit niet als werknemer aan te merken, waardoor referent en daarmee verzoekster buiten de werkingssfeer van met name artikel 13 van Besluit 1/80 vallen. Het verbod van deze bepaling ziet immers op nieuwe beperkingen ten aanzien van de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden. Voor de stelling van verzoekster dat de eerder opgebouwde rechten van referent als werknemer ingevolge het Associatierecht nog immer doorwerken, vindt de voorzieningenrechter geen steun in het Besluit 1/80. Verzoekster heeft ook geen andere regelgeving dan wel jurisprudentie aangedragen waaruit dit wel zou volgen. Dat referent thans weer als werknemer aan te merken zou zijn omdat hij opnieuw in dienst is getreden, maakt het vorenstaande niet anders nu verzoekster deze stelling eerst ter zitting heeft ingenomen en niet heeft onderbouwd.

9. Voor zover verzoekster een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder heeft kunnen stellen dat de afwijzing niet in strijd is met dit artikel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter en enigszins terughoudend toetsend, heeft verweerder de belangenafweging, zoals in het primaire besluit weergegeven, in het voordeel van verweerder kunnen laten uitvallen.

10. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 mei 2015 met nummer AWB 15/5667. In die zaak heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toegewezen. De gemachtigde van verzoekster stelt dat de onderhavige zaak vergelijkbaar is en heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de door de gemachtigde van verzoekster aangehaalde zaak de voorlopige voorziening is toegewezen omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leende voor een discussie over de vraag of gezinsleden van zelfstandigen dezelfde rechten toekomen als gezinsleden van Turkse werknemers. Om die reden heeft de voorzieningenrechter destijds niet over de slagingskansen van het bezwaar geoordeeld. In navolging van de rechtbank Den Haag in de uitspraak van 8 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1242) is de voorzieningenrechter thans van oordeel dat verzoekster reeds geen rechten heeft kunnen ontlenen aan Besluit 1/80 omdat referent geen (Turkse) werknemer is. De standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 is derhalve niet van toepassing, zodat het mvv-vereiste wel kan worden tegen geworpen. Voorzover verzoekster met haar beroep op het Associatierecht ook moet worden geacht artikel 41 van het Aanvullend Protocol te hebben ingeroepen, slaagt dit beroep niet. Aan artikel 41 van het Aanvullend Protocol, waarin is bepaald dat partijen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, kunnen uitsluitend rechten worden ontleend door de Turkse zelfstandigen zelf en niet tevens door hun gezinsleden.

11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het bezwaar bij deze stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft. Ook overigens is niet gebleken van zodanige belangen bij verzoekster dat toewijzing van het verzoek aangewezen is. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding dan wel van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Gort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:

Coll.:

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.