Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/495284 KG ZA 15/1329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding. Er wordt verlof verleend om een beschikking, waarin een voorlopige parternalimentatie is vastgesteld, ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/495284 / KG ZA 15/1329

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [X] ,

eiseres,

advocaat mr. M.L. Hamburger te Amstelveen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [Y] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.W. Bos-Hagens te Noordwijkerhout.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de man overgelegde producties;

- de op 28 september 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd sinds 2009, uit welk huwelijk twee thans nog minderjarige kinderen zijn geboren. Tussen partijen is sinds juli 2014 een echtscheidingsprocedure aanhangig.

2.2.

In december 2014 zijn twee vennootschappen, waarvan de man (in)direct bestuurder was en (indirect) het merendeel van de aandelen bezat, op eigen aanvraag failliet verklaard. Kort voordien heeft de man, tezamen met zijn nieuwe partner (hierna: [A] ) een nieuwe vennootschap opgericht, te weten New Hanger Company B.V. (hierna: NHC), waarvan beiden op dat moment bestuurder en aandeelhouder werden.

2.3.

De rechtbank Noord-Holland heeft in een beschikking van 23 april 2015 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij onder meer een door de man aan de vrouw met ingang van die dag te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.141,- per maand is vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de man de door de vrouw gestelde behoefte van € 7.500,- per maand onvoldoende heeft betwist, door geen financiële stukken over te leggen over begin 2014 en enkel te verwijzen naar het faillissement van twee van zijn vennootschappen, terwijl hij een doorstart heeft gemaakt in NHC. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man heeft de rechtbank overwogen dat de man evenmin inzage heeft gegeven in zijn huidige inkomensgegevens, ondanks dat hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank houdt vervolgens aan de zijde van de man rekening met een inkomen van € 150.000,-, zijnde een inkomen dat de man volgens de rechtbank in redelijkheid geacht moet worden te kunnen verwerven, gelet op de omzetten die hij in eerdere jaren heeft behaald, de doorstart die hij heeft gemaakt in NHC en nu is gesteld noch gebleken dat de man niet in staat kan worden geacht om een vergelijkbaar inkomen te verwerven als in de voorgaande jaren. Verder heeft de rechtbank bij de draagkrachtberekening van de man rekening gehouden met diverse lasten aan zijn zijde, waaronder de hypotheeklasten van de echtelijke woning. In aanmerking nemende dat de man deze lasten voor zijn rekening neemt, komt de rechtbank tot voormelde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage.

2.4.

Op 13 mei 2015 heeft de man zijn aandelen in NHC overgedragen aan [A] . De vrouw heeft de man aangezegd die rechtshandeling te vernietigen vanwege het inroepen van de actio pauliana.

2.5.

De vrouw heeft op 10 juni 2015 executoriaal derdenbeslag laten leggen vanwege de onbetaald gebleven partneralimentatie ten laste van de man 1) onder NHC, 2) onder Lamu Holding B.V. (een vennootschap waarvan de man enig bestuurder is en die aandeelhouder was van in ieder geval één van de thans failliete vennootschappen van de man) en 3) onder [A] . Voorts heeft de vrouw op 3 juli 2015 executoriaal beslag laten leggen op de aandelen van de man in NHC, eveneens vanwege de onbetaald gebleven partneralimentatie.

2.6.

In juli 2015 heeft de man bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie. De man heeft in dat geding gesteld dat hij ziek is, niet kan werken en daarom de aandelen in NHC aan [A] heeft verkocht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man dit onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele verklaring van de huisarts dat de man bij hem onder behandeling is wegens verhoogde bloeddruk die waarschijnlijk door stress wordt verklaard, alsmede de verklaring van [A] ten aanzien van de aandelenoverdracht, volstaat volgens de rechtbank niet in het licht van de onderhoudsverplichting die de man jegens zijn echtgenote heeft. Het beroep op gewijzigde omstandigheden wordt derhalve gepasseerd. Voorts wordt overwogen dat op basis van de door de man overgelegde gegevens niet kan worden geconcludeerd dat een inkomen aan de zijde van de man van € 150.000,- per jaar onjuist of onvolledig is. De rechtbank heeft het verzoek van de man bij beschikking van 17 september 2015 afgewezen.

2.7.

De vrouw heeft op 17 september 2015 NHC en [A] laten dagvaarden. In deze (kort geding) dagvaarding stelt de vrouw de verklaringen die NHC en [A] in het kader van de gelegde derdenbeslagen hebben afgelegd, inhoudende dat zij geen schulden aan de man hebben noch gelden of zaken van hem onder zich hebben, te betwisten. De vrouw vordert volgens de dagvaardingen NHC en [A] te veroordelen om een juiste verklaring af te leggen en daarbij diverse door de vrouw genoemde bescheiden/bewijsstukken over te leggen, alsmede om een geldbedrag aan haar te betalen.

2.8.

De man heeft tot op heden geen bedrag aan voorlopige partneralimentatie aan de vrouw betaald.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert – zakelijk weergegeven en naar de voorzieningenrechter begrijpt – te bepalen dat de op 23 april 2015 getroffen voorlopige voorziening ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang en dat de man in gijzeling mag worden genomen totdat de alimentatieachterstand tot en met 1 september 2015 van € 9.927,53 door de man zal zijn voldaan, onverminderd de reeds gemaakte en nog te maken kosten van executie, te vermeerderen met de kosten van de bewaring nader op te maken bij staat, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure en de buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De man voldoet niet aan zijn betalingsverplichting en hij weigert ook om inzage te geven in zijn inkomstenbronnen. Dit terwijl bijzonder aannemelijk is dat er inkomsten zijn, gelet op de levensstijl van de man. Ook is gebleken dat de man gelden en vermogensbestanddelen naar [A] doorsluist om te zorgen dat de vrouw zich hier niet op kan verhalen. Er is aan de kant van de man dus sprake van pure betalingsonwil. De vrouw heeft alles geprobeerd om haar vordering te innen, maar dit is niet gelukt. De vrouw bevindt zich hierdoor thans in een noodsituatie. Zij heeft zelf geen inkomen en komt vanwege de mede-eigendom van de echtelijke woning niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.

3.3.

De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat personen die verplicht zijn tot het doen van een uitkering tot levensonderhoud zich aan die verplichting zouden kunnen onttrekken zonder zich te bekommeren om het lot van de tot onderhoud gerechtigde. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat hij de aan hem bij beschikking opgelegde onderhoudsverplichting nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij in casu de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarnaast moet het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen.

4.2.

De man heeft er op heeft gewezen dat er (slechts) sprake is van een voorlopige beslissing ten aanzien van de partneralimentatie en dat de financiële situatie van partijen in de echtscheidingsprocedure nader zal worden bekeken. Nu de alimentatie dan waarschijnlijk met terugwerkende kracht op nihil of op een lager bedrag zal worden gesteld, moet het in deze procedure gevorderde volgens de man worden afgewezen. Dat wordt niet gevolgd. Er is sprake van een rechterlijke beschikking waarin een bedrag is vastgesteld, dat de man voor de duur van het echtscheidingsgeding aan de vrouw dient te betalen voor haar levensonderhoud. Zolang deze uitspraak niet is gewijzigd en in de echtscheidingsprocedure nog geen andersluidende beslissing omtrent de partneralimentatie is genomen, moet de man deze uitspraak onverkort nakomen.

4.3.

De man voert als verweer aan, kort gezegd, dat partijen boven hun stand hebben geleefd, maar dat het geld nu op is en er alleen schulden resteren. Die stellingen zijn echter zonder meer onvoldoende om in dit geding aan te nemen dat de man niet in staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De man heeft geen enkel concreet inzicht gegeven in zijn recente werkzaamheden en de inkomsten daaruit, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Dit klemt temeer gelet op de inhoud van de beschikkingen, waarin de voorlopige partneralimentatie is vastgesteld en waarin deze ongewijzigd is gebleven, en de overwegingen van de rechtbank daartoe zoals onder 2.3 en 2.6 weergegeven. De stelling van de man in deze procedure “als er gelden werden gegenereerd, dan zijn die bij Lamu Holding terecht gekomen en daarvan zijn de rekeningen van de accountant en de advocaat betaald (inmiddels zo’n € 70.000,-)”, roept in dit kader juist vragen op, die onbeantwoord zijn gebleven. Nu het op de eerste plaats op de weg van de man ligt om voldoende inzicht te geven en hij dit heeft nagelaten, is voor het gelasten van een deskundigenonderzoek, zoals door de man voorgesteld, geen aanleiding, nog daargelaten dat deze procedure zich daarvoor niet leent.

4.4.

De beschrijving door de man van het handelen van de vrouw, onder meer betreffende de door haar tegen hem, tegen zijn vennootschappen en tegen [A] gestarte procedures, haar weigering om te gaan werken, het door haar tegenwerken van de verkoop van de woning en het door haar laten opslaan dan wel te gelde maken van waardevolle boedelbestanddelen, zijn in het kader van deze procedure niet relevant. Partijen maken elkaar over en weer diverse verwijten, maar deze doen niet af de verplichting van de man om aan de vrouw de vastgestelde maandelijkse bijdrage te betalen.

4.5.

Op grond van al het vorenstaande moet ervan worden uitgegaan dat er bij de man geen sprake is van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil. De voorzieningenrechter heeft er daarbij ook acht op geslagen dat de man niet slechts een achterstand heeft doordat hij te weinig partneralimentatie aan de vrouw heeft betaald, maar dat hij sinds het wijzen van de voorlopige voorziening geen enkele betaling aan de vrouw heeft verricht. Ook na de afwijzing in september 2015 van zijn verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening is hij daar niet toe overgegaan.

4.6.

Voorts acht de voorzieningenrechter aannemelijk geworden dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. De door de vrouw gelegde executoriale beslagen hebben ofwel geen doel getroffen, dan wel is aannemelijk geworden dat deze onvoldoende doel zullen treffen. De vrouw heeft gesteld dat voor haar geen vermogensbestanddelen van de man traceerbaar zijn, waarop zij haar vordering kan verhalen. Dit is door de man niet weersproken noch heeft hij in dit kader een andersluidende stelling ingenomen.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat genoegzaam is gebleken dat het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De vrouw heeft immers behoefte aan de bijdrage van de man om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en vaststaat dat zij daartoe geen eigen inkomsten ter beschikking heeft. Bovendien loopt de schuld van de man aan de vrouw maandelijks op.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de stellingen van partijen over de diverse andere procedures tussen hen is gebleken dat hun kinderen ernstig te lijden hebben onder de slechte verstandhouding tussen hun ouders. Hun belang dient derhalve zwaar te worden meegewogen. Dit leidt echter niet tot afwijzing van het gevorderde. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat hij ervan uitgaat dat de zorg voor de kinderen ook in het geval van gijzeling is gewaarborgd, gelet op hun huidige gewone verblijfplaats bij de man en [A] en de zorg die de vrouw kan bieden. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat de vrouw de partneralimentatie niet alleen behoeft voor zichzelf, maar ook om voor de kinderen te kunnen zorgen die in het weekend bij haar verblijven. Betaling door de man van deze bijdrage moet derhalve ook in het belang van de kinderen worden geacht. Ten slotte heeft te gelden dat gijzeling niet aan de orde zal zijn, als de man zijn betalingsverplichting thans nakomt.

4.9.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van de vrouw dient te worden toegewezen als na te melden, met dien verstande dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging enkel zal toestaan voor wat betreft de achterstallige uitkeringen tot levensonderhoud en niet voor nadere kosten. De lijfsdwang geldt voorts niet voor in de toekomst verschuldigde bedragen. Daarvan staat immers niet vast dat de man die niet zal voldoen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een maximale duur voor de gijzeling te bepalen van drie maanden.

4.10.

In de omstandigheid dat partijen thans nog echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen de vrouw heeft gesteld geen aanleiding om hiervan af te wijken. Voor een veroordeling in de gevorderde buitengerechtelijke kosten ziet de voorzieningenrechter om diezelfde reden geen aanleiding, nog daargelaten dat deze door de vrouw niet nader zijn gespecificeerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent de vrouw verlof om de beschikking van 23 april 2015 ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang en de man in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van de vrouw op de man van € 8.564,- ter zake de alimentatieachterstand tot en met 1 september 2015 is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling ten hoogste drie maanden zal duren;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015.

ts